GOED IS HET LEVEN (2)
1981-12-11
Goed is het leven?- Jaargang 25
- nummer 45
Naomi gelooft er geen steek van. Ze is dan wel met Ruth aangeland in Bethlehem, het broodhuis, waar net de oogst wordt binnengehaald. Maar dat wil nog niet zeggen dat er ook maar iets van die overvloed bij háár terecht komt Want daarvoor is ze wel afhankelijk van de mensen. En van de mensen moet je het niet hebben. Want die laten je toch maar stikken.
Goed is het leven? Maar hoe kan dat nu, als je, midden tussen de mensen, moederziel alleen bent, - zó is de hand van Jahwe tégen je.
Had ze dan niet kunnen bedenken dat ze niet tussen een willekeurig stelletje mensen was terecht gekomen, maar tussen Góds mensen? Mensen dus, aan wie God uitdrukkelijk de zorg voor anderen had opgedragen, zeker ook ten tijde van de oogst (Lev. 19)?
Had ze niet kunnen weten, dat m.n. één van die mensen, Boaz, door God was aangewezen om de helpende hand te bieden (Lev. 25)?
Blijkbaar weet ze dat alles wel. Maar ze gelooft er niet in.
God heeft gemakkelijk praten. Maar zij weet maar al te goed dat Gods kinderen geen haar beter zijn dan andere mensen. Ze denkt er in elk geval niet aan, op die kinderen van God een beroep te doen, - en dan haar hoofd te stoten.
Ze zal wel gek zijn.
Ruth is kennelijk wel zo gek. Ze weet heel goed dat ze afhankelijk is van de welwillendheid van de mensen (vs 2).
Maar ze heeft een - je zou haast zeggen: naïef - vertrouwen in de God van Israël, die ook wel weet hoe hard en liefdeloos de mensen zijn, - maar zou dat nu werkelijk mogelijk zijn, dat er onder zijn kinderen niet één is die - net als Hij - tot hulp gereed staat, die het je merken laat: je bent niet alleen!
En terwijl Naomi laatdunkend haar schouders ophaalt, zegt zij: laat me maar gaan. Laat me maar gaan op de weg die Jahwe gewezen heeft, de weg naar zijn volk, een weg wel van duizend teleurstellingen en tienduizend ergernissen, maar dan toch de weg, waarop we gaan mogen en gaan kunnen om zó een schuilplaats te vinden onder zijn vleugelen.
Ik - zegt ze - ik verwacht alles van God. Dan verwacht ik, misschien tegen alles in, ook alles van zijn volk (vs 12).
En dan wordt het haar zo maar in de schoot geworpen.
Brood?
Ja, maar nog veel meer dit: dat er toch - tegen alle verwachting in, misschien - iemand is die maar niet doet wat hem opgedragen is, maar die er plezier in heeft, die het niet slechts fijn vindt om brood te geven, maar die graag zichzelf geeft, iemand die haar, Ruth, ziet en op haar ingaat, iemand die zegt: wat heerlijk is het dat we sámen zijn. Samen bij Jahwe.
Voelde hij zich tot haar aangetrokken? Was hij misschien aanstonds verliefd op haar? Was hij door haar getroffen?
Getroffen was hij in elk geval wel. Hierdoor: dat zij, een vreemde, haar hand legt in de hand van de God van Israël.
Dat ze het echt gelooft: bij deze God vind je vast en zeker de anderen, niet meer tegenover je of langs je heenlopend, maar naast je, naar je toegewend. Bij deze God blijf je nooit alleen.
Goed, Ruth en Boaz krijgen elkaar. Dat weten we. En dat begint hier, tussen de korenschoven. Best. Maar nog veel meer weten we dit: het begint hier, bij Jahwe. Bij de God van wie de psalmen zingen, die God die zich over weduwen en wezen en over alle eenzamen ontfermt en hen doet wonen in zijn huis, waar ze zijn kinderen om zich heen vinden, veel of maar enkelen, misschien zelfs maar één. Maar in elk geval: Hij is de God, bij wie je - hoe verlaten ook vroeg of laat zeggen moet: en levenslang ben ik niet eenzaam meer.
Op die God heeft Ruth gehoopt. En toen is ze niet blijven wachten, of er misschien ook eens iemand op haar af zou komen. Ze is er zelf op af gegaan en ze heeft zelf de eerste stappen gezet, naar de mensen toe. Ze heeft haar nek uitgestoken en ze heeft alle risico's aanvaard, - en welke risico's, dat blijkt wel uit het vervolg van het verhaal. Zij, een heidense vrouw, die vermoedelijk nog vol van heidense ideeën zat over God. Maar, hoe gebrekkig dan ook, ze heeft wel in Hem geloofd. En alles op die ene kaart gezet: dat ze bij deze God heil zou vinden.
Nou, dat heil heeft ze dan ook gevonden. We weten, hoe het afliep. Het liep er op uit, dat ze Boaz kreeg, niet maar als een helper, maar als man. Het liep uit op het kind Obed.
En tenslotte liep het uit op David, op Jezus. Op Hem die je omgeeft met al de heiligen. Dat kan dan wel een tijd duren voor het zover is. Maar dat begint vandaag dan toch, dat je bij de God van Jezus de anderen ontmoet. die niet meer als vreemden langs je heen lopen, maar met je samen zijn.
De ander die je naast je vindt.
Niet altijd je toekomstige man of vrouw, maar wel velen of weinigen, misschien maar twee of drie, desnoods één, met wie je samen léven kunt.
Het loopt niet altijd op een huwelijk uit. Maar bij de God van Jezus loopt het wel altijd hier op uit: dat je niet slechts koude ogen ontmoet, afwerende handen, haastige voeten die langs je heen lopen, maar dat je gezien wordt en aanvaard en begroet door iemand die zegt: de Heer' is met je.
En dat betekent dan tegelijk: ik ben met je.
Iemand die zijn oog op je slaat, zoals Boaz op Ruth (vs 10).
En als dat gebeurt, dan weet je het nooit wat er nog in het verschiet ligt. Voor Ruth en zelfs voor een oude, verbitterde vrouw als Naomi. En voor ons, die toch ook de stem van deze God horen.
Hij zegt: Kijk eens naar Mij.
En dat is ook: Kijk eens om je heen, kijk eens om je heen.
Geef elkaar de hand. Je bent niet alleen.