Katholiciteit en identiteit (2)
1981-12-11
De kerk van de grote Reformatie heeft de katholiciteit niet ongeschonden kunnen bewaren, zo zagen we in het vorige artikel. Gezien de geweldige opgave waarvoor de Reformatoren stonden in hun breuk met heel de Roomse gedachtenwereld kan ons dat niet al te zeer verwonderen, hoezeer we het feit ook zullen betreuren. De kerken van Lutherse en Calvinistische origine gingen steeds meer een eigen karakter, een eigen identiteit vertonen, waartoe het overigens onvermijdelijke proces van de belijdenisvorming het hare heeft bijgedragen.- Jaargang 25
- nummer 45
Wel moet hierbij aangetekend worden dat van Gereformeerde zijde de Lutherse kerken veelal als zusterkerken werden erkend, terwijl het omgekeerde niet het geval was.
Met name in Nederland heeft echter ook de Gereformeerde Kerk haar katholieke karakter niet kunnen bewaren, hoewel haar belijdenisgeschriften een waarlijk katholiek karakter vertonen. We weten wel allen ongeveer hoe de geschiedenis is verlopen. De Ned. Herv. Kerk van de 19de eeuw kwam onder invloed van een liberale en zelfs vrijzinnige geest, terwijl de Staat haar gehele gereformeerde kerkinrchting overigens onder slecht lauw protest vernietigde en door een andere verving. Ondanks dit alles bleef er een gereformeerd volk over dat zich vastklemde aan de aloude belijdenis van de kerk in deze landen. Een deel daarvan scheidde zich af van de officiële kerk-Afscheiding (1834) en Doleantie (1886) - een deel bleef in de Ned. Herv. Kerk achter. Terwijl het tweede deel van deze eeuw een geweldige opleving van het Gereformeerde volksdeel te zien gaf en zelfs de hereniging van de Afgescheiden en de Dolerende Kerken (1842) was daarin helaas ook sprake van een voortgaande breuk in de eenheid ervan, en dat terwijl er toch een gemeenschappelijk, diepe en brede vertolking van het Evangelie was in de gemeenschappelijk erkende belijdenis. Een wel zeer beschamende situatie.
Zo kunnen we nu met een in 1973 verschenen boekje spreken van 'Tien keer gereformeerd', en dit getal duidt dan verschillende groeperingen en kerkgemeenschappen aan, die allen de gemeenschappelijke belijdenis - al dan niet op een enkel punt gewijzigd of aangevuld - erkennen als de hunne. Een zeker besef van gemeenschappelijkheid in alle gescheurdheid komt tot uiting in het spreken over de Gereformeerde Gezindte. De term Gezindte of Gezindheid stamt oorspronkelijk van Groen van Prinsterer, die haar overnam uit de Grondwet en vulde met een eigen, interpretatie. Bij Groen had het woord een sterk kerkelijk accent. Hij verstond er de voortzetting in meer dan een kerk van de gereformeerde kerk onder, gekenmerkt door de gereformeerde belijdenis. Door de vele breuken in kerkelijk opzicht is dat kerkelijk accent aanmerkelijk verzwakt en verstaat men thans 'Onder de Gereformeerde Gezindte het totaal van hen, die de gereformeerde belijdenisschriften als de hunne erkennen, hoe verdeeld ze in kerkelijk opzicht ook mogen zijn.
Tien keer gereformeerd dus nu.
En ook onze kerken vallen daar onder, zoals de naam reeds zegt: Nederlands Gereformeerde Kerken.
Wat is nu hun recht, hun plaats en hun roeping in het geheel van deze Gezindte?
De vraag naar het recht is die naar wat men het bestaansrecht pleegt te noemen. En die wordt dan veelal gezocht in het eigene, in een bepaalde identiteit, waardoor wij ons zouden onderscheiden van anderen en zo een eigen aparte taak en roeping zouden hebben. Dat dit op gespannen voet brengt met de idee van de katholiciteit van de kerk, behoeft nauwelijks betoog, Want de katholiciteit is betrokken op het geheel, het geheel van de openbaring en het geheel van de gelovigen, waarvan de zichtbare eenheid in het kerkelijke niet losgemaakt kan worden, Al het eigene, het aparte alle rechtsgrond voor het afzonderlijk staan, staat met dit katholieke op gespannen voet. Onze kerken hebben dan ook nooit zo iets aparts en eigens als rechtsgrond voor hun bestaan aangevoerd. Zij erkennen de aloude gereformeerde confessie als de hunne en hebben beloofd elkander in het blijven bij Gods Woord, zoals dat in die confessie wordt beleden, te willen bijstaan.
Ook in de kerkinrichting zoeken zij niet iets eigen te bereiken, iets dat hun afzonderlijk bestaan zou kunnen rechtvaardigen. Zij zoeken in nauwe afsluiting aan de geschiedenis van de gereformeerde kerken in deze landen naar de tijd en omstandigheden dit vereisen, die structuren van het kerkelijke leven die de doorwerking van het Woord van God het beste kunnen dienen.
Niets eigen dus als bestaansgrond, Dat zij afzonderlijk zijn komen te staan naast andere kerkgemeenschappen is ook niet hun wil of begeerte geweest. Ze zijn, om alleen de jongste geschiedenis te beschouwen, buiten 'het verband' gezet door de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), zonder dat zij van ketterij of schending van enig stuk der belijdenis konden worden beticht of zijn beticht. De werkelijke reden was dat zij niet mee de tucht wilden oefenen over de ondertekenaars van de zgn. Open Brief, niet omat zij het daarmee zo roerend eens waren, maar omdat daarin niet van ketterij gesproken kon worden.
Zo zijn ze uitgeworpen. Wanneer Calvijn heeft gezegd, dat de Roomse kerk de kerken der Reformatie door vervloeking en verwensing heeft verdréven, vervolgt hij: Dat spreekt ons reeds meer dan voldoende vrij (Inst. IV, Il, 6), waarbij het verwijst naar Joh. 16 : 2. We behoeven niet naar een rechtsgrond te zoeken, maar mogen dankbaar zeggen dat de Here voor ons het kerkelijke leven in stand heeft gehouden, toen wij weigerden mee te doen met de onkerkelijke vonnissen in de laatste zestiger jaren. We hebben geen afzonderlijk kerkelijk bestaan gezocht of ook maar begeerd, dat is over ons gekomen met hardvochtigheid en onrecht van menselijke kant, door barmhartigheid van Christus kant.
Ik denk dat we niet moeten trachten dat afzonderlijk bestaan te verdedigen of ook te rechtvaardigen, ook niet nu het het voortduren in de tijd van dit afzonderlijk bestaan betreft, door een eigen identiteit te zoeken of te bewerken, van welke aard die dan ook mag zijn of worden!
Het heeft bij mij altijd bezwaar ontmoet - en nu ga ik even verder in de geschiedenis terug - om de 'Vrijmaking' te verklaren uit of te rechtvaardigen met de Reformatorische beweging in de Geref. Kerken in Nederland, waarmee de namen van A. Janse, Schilder, Vollenhove, Dooyeweerd en S. G. de Graaf zijn verbonden. Ik ontken het reformatorische van die beweging niet, hoewel het wellicht bezwaar ontmoet om van beweging in het enkelvoud te spreken. Op belangrijke punten dachten de vertegenwoordigers van deze 'beweging' zeker niet gelijk. Het is voor mij zeer de vraag of zij onder één noemer zijn te vangen. Ik heb mij bewust bij het schrijven van De Feitelijke- Toedracht in 1948, en ook later, er van onthouden de Vrijmaking als een uitloper van deze beweging te kenschetsen en zo de Vrijgemaakte Kerken een bijzonder stempel op te drukken.
Trouwens, er waren meer krachten, die in de Vrijmaking doorwerkten, zuiver historisch bezien. Dat een groot deel van de vrijgemaakte kerkleden historisch-geestelijk nauw aan de Afscheiding was verbonden, zegt ook wel het een en ander.
Het gaat ook zeker niet aan de leiding van de Geref. Kerken te vereenzelvigen met het kerkvolk zelf. Er was in de jaren twintig en dertig, waarin de leiding zich sterk maakte en het scholastieke denken zich luide liet horen, ook een eenvoudig kerkvolk, dat zocht te leven bij het Woord des Heren en dorstte naar de levende prediking daarvan.
Het was misschien niet diep ingeleid in allerlei theologische vraagstukken, maar onderscheidde als het ware intuïtief de spraak van het levende Woord van allerlei theologische constructies en heeft zich daarom ook in de veertiger jaren niet laten vangen door een binding daaraan.
In het Gedenkboek bij het halveeeuwgetij der Doleantie: De Reformatie van '86 heeft een van haar voormannen, de bekende en zeer oud geworden ds. K. Fernhout een hoofdstuk geschreven over de Doleantie en het godsdienstig leven.
Hij verstond daaronder heel het christelijk leven als dienst aan de Here en geeft aan waar en hoe de Doleantie dat leven heeft gestimuleerd en tot zegen is geweest. Hij schrijft dan de leerzame woorden: "Ondanks den stimuleerenden en bevruchtenden invloed, dien de Doleantie in allerlei opzicht 't godsdienstig leven oefende, heeft zij er toch geen eigen stempel opgedrukt.
En dat kan niet verwonderen.
In de eerste plaats reeds niet, omdat het tijdperk van haar ongemengde invloed - niet meer dan een vijftal jaren - (toen kwam de vereniging tot stand met de kerken uit de Afscheiding - G. J.) daarvoor te kort was.
En in de tweede plaats niet, omdat ze het zocht noch bedoelde.
Want wat ze bedoelde, was geen ogenblik een godsdienstig leven van een eigen type te scheppen, maar het christelijk leven over heel de lijn weer te brengen onder de heerschappij van 't Woord Gods, naar gereformeerd belijden.
En de genade van dat te zoeken, te zoeken ook zonder preutse eigenheid en, waar 't zonder verzaking van de haar heilige beginselen mogelijk was, in hartelijke samenwerking met christenen van enigszins andere signatuur, heeft God haar niet onthouden".
Fernhout wijst dan op het opnemen in hun gemeenschap door de Dolerende Kerken van allerlei gelovigen en groepen van gelovigen die door de deformatie van de Ned. Herv.
Kerk buiten het kerkelijke leven waren geraakt en een eigen, eenzijdig en vaak niet onbedenkelijk type waren gaan vertonen en op de hereniging met de uit de Afscheiding voortgekomen Chr. Geref.
Kerken en hij spreekt daarbij van de 'gezond-katholieke trek' van de Doleantie.
Geen eigen stempel, schrijft Fernhout.
Ze zocht noch bedoelde dat.
Dat dit eigen stempel later wel is gezocht in de Verenigde Kerken, heeft mede geleid tot de breuk in de veertiger jaren' van de 20ste eeuw!
Dit mag ons tot een waarschuwing zijn om te streven naar een eigen stempel op onze kerken, naar een eigen identiteit en plaats van de streven naar de ware katholiciteit.
En dat om tweeërlei reden. Allereerst een, die het eigen kerkelijke leven betreft. Het stréven naar een eigen identiteit zal ongetwijfeld allerlei interne spanningen oproepen, want wie zal die identiteit als het wettig gezicht van onze kerken bepalen? Is die niet reeds bepaald door haar belijdenis? En moet deze soms aangevuld of nader geïnterpreteerd?
Dat doet aan de katholiciteit in geestelijk opzicht onherroepelijk tekort en - dat in de tweede plaats - ook aan de katholiciteit in de Gereformeerde Gezindte, voor zover daar nog van gesproken kan worden. Met andere woorden: het zou betekenen een struikelblok op de weg naar de vereniging van alle waarlijk gereformeerde christenen en kerken, zoals en voor zover we die vinden in wat de Geref. Gezindte wordt genoemd.
Een eigen identiteit?
De geschiedenis drukt ongewild op elke kerkelijke gemeenschap een bepaald stempel, als zij maar lang genoeg bestaat. Dat kàn zelfs zijn het stempel van onderlinge verscheidenheid en zelfs van onderlinge tegenstellingen in de 'organisatorische' eenheid! Groeperingen alzo met elk een eigen stempel.
Maar dat te zóéken is wat anders dan het noodgedwongen aanvaarden.
Dat te zóéken gaat gepaard met alle gevaren van uiteengroeien en tenslotte breuken, die er uit kunnen voorkomen. Zoeken mogen we, dacht ik, alleen de katholiciteit van de kerk.
Daarover tenslotte in een laatste artikel.