Had ik dat maar geweten (IV-2)
1981-12-11
Immanuël Kant- Jaargang 25
- nummer 45
Het zou te ver voeren om in het kader van dit blad uitvoerig te schrijven over de gedachten met betrekking tot het geweten van de Europese filosofen na de Middeleeuwen.
Bovendien gaat het hier om een buitengewoon ingewikkelde materie. Drie denkers worden heel kort genoemd, waarbij de meeste aandacht wordt besteed aan Immanuël Kant (1724-1798).
Volgens Kant heeft ieder mens een "innere Richter" in zich. De vraag is echter, wie dat is. Is dat het "betere ik" van de mens zelf, of iets buiten de mens, bijvoorbeeld: God? Volgens Kant is de mens niet tegelijk aanklager en aangeklaagde: hij schept een ander als "Richter"
van zijn handelen. Dat wezen moet alle macht hebben, en zo'n wezen is, naar Kant's overtuiging, God.
Opvallend is dat Kant het geweten centraal stelt; de autoriteit van God is een afgeleide autoriteit. Het is dus niet zo dat ik eerst van God moet weten om de geldigheid van een gebod te erkennen. Alleen als de zedelijke mens tegelijk in God gelooft, en dus zijn geloof niet uit zijn eigen bewustzijn put, is de stem van het geweten gelijk aan de stem van God.
Het geweten heeft bij Kant twee functies: beoordeling of een handeling al dan niet goed is, én of geloof aan God geoorloofd is of niet.
Hoewel Kant een oprecht gelovig mens wilde zijn, duidt deze visie toch op een overwaardering Van het geweten (gegevens uit: H. Thielicke, Theologische Ethik, pag. 475 e.v.).
Bij Kant zien we, evenals bij de Grieken, dat aan het verstand een hogere plaats wordt toegekend dan aan de gevoelens. De gevoelens zijn te subjektief om te bepalen wat goed, en wat fout is. De maatstaf voor het handelen vond hij in de plicht: iets is goed als het uit plichtssbesef gebeurt. Dat plichtsbesef staat tegenover de neiging.
Wie een ander helpt omdat hij hem graag mag, doet uiterlijk wat er van hem verlangd wordt. Hij doet het echter niet uit plichtsbesef, maar uit andere motieven. Dat plichtsbesef kan tegen onze neiging ingaan (te vergelijken met instinkten). Een gewetenshandeling is waardevol als zij plaats vindt los van mensenvrees of eigenbelang.
Arthur Schopenhauer, Friedrich Nietzsche
Arthur Schopenhauer (1788-1860) bepleit een innerlijke ascese, een mistiek die zich afsluit van de buitenwereld (vgl. de Stoïcijnen). Voor het geweten heeft hij weinig goede woorden over: het bestaat voor 1/5 uit mensenvrees, 1/5 uit respect (of angst) voor de godheid, 1/5 uit ijdelheid, 1/5 uit vooroordeel en 1/5 uit gewoonte. Schopenhauer verwarde het geweten met sociaal gedrag ...
Friedrich Nietzsche (1844-1900) tenslotte, schrijft dat de mens een aantal gezonde oerinstinkten bezit, zoals behoefte aan strijd, roof en onderdrukking. Helaas hebben joodse en christelijke moraal de mens verwoest: de spontaneïteit is verdwenen en het nadenken, de reflektie, is ervoor in de plaats gekomen.
Dit bewustzijn is dus een ziekteverschijnsel; de mens wordt verteerd door een innerlijke strijd met zichzelf. De oude, sterke instinkten blijven bij hem aanwezig, en dringen soms door het geweten heen als de stem van het gezonde leven. Hoewel in onze wereld (door die joodse en christelijke moraal) het arme en ziekelijke goed wordt geacht (omkering van waarden) kunnen de gezonde instinkten niet geheel verdrongen worden.
Het slechte geweten kan dus in zekere zin gezien worden als de stem van de gezonde oer-instinkten ...
Op deze visie van Nietzsche lijkt mij kommentaar overbodig. Is het waardevolle van de christelijke moraal niet juist datgene wat deze filosoof wil bestrijden?
Tot zover een klein gedeelte filosofie, voorzover betrekking hebbend op gedachten over het geweten.
Volgende week blijven we wat wat dichter bij huis: psychologie en opvoedkunde.
Literatuurselektie
E. Schroten: Kerker of tempel?
(proefschrift R.U. - Utrecht, 1970) H. J. Störig: Geschiedenis van de filosofie (I en II) (Utrecht, 1968) H. de Vos: Inleiding tot de Ethiek (Nijkerk, 1969)