GOD IS HET LEVEN (1)
1981-12-04
Het lijkt wel een streek-roman, dit bijbelboekje. Want het houdt zich niet bezig met de grote heilsfeiten uit Israëls geschiedenis (zoals b.v. de boeken Samuël en Koningen) en het is ook niet de neerslag van een diepgaande confrontatie tussen een mens en zijn God (zoals b.v, het boek Job), maar het speelt zich af op het niveau van "het gewone leven" (prof. Miskotte), van mensen die liefhebben en trouwen, die moeten zien dat ze aan eten komen en die aan de toekomst van hun kinderen denken, mensen die, vanwege de onmogelijkheden in het eigen land, emigreren en later weer terugkeren om opnieuw te beginnen, mensen die vechten voor het naakte bestaan en geen kant meer uit kunnen, en . het lijkt bijna hopeloos mis te gaan, maar kijk, op het laatst komt het toch allemaal weer goed, want ze krijgen elkaar.- Jaargang 25
- nummer 44
Een boekje over het gewone leven dus van gewone mensen, die leefden in een barre wereld. Want deze roman speelt immers in de dagen dat de richters richtten. Dagen dus van verschrikkelijke chaos, van grenzeloze verwildering en ongeremde hartstochten. Een tijd van onderlinge veten en wilde wraak, - want er was geen koning in Israël. In die dagen, waarin het leven werd geschonden en aangerand en ondersteboven gekeerd, - in die dagen begon het te gebeuren, zegt het eerste vers van hoofdstuk1. En als je nu wilt weten, wát er begon te gebeuren, dan sla je - net als bij een streekroman - gauw de laatste bladzijde op en dan weet je tenminste dat het voor de mensen, waarom het gaat, Ruth en Naomi en Boaz, goed afliep.
Ruth en Boaz kregen elkaar. En ook voor Naomi breekt op haar oude dag toch de zon nog door, want ze houdt het kind van Boaz en Ruth op haar schoot.
Ja, zo doe Je bij een roman. Zo doe je bij een boek dat gaat over het gewone leven. Maar dit boekje pik je niet zo maar eventjes mee uit het lectuur-rek van de super-markt en stopt het dan tussen de wortels en de hamlappen in je boodschappentas. Dit boekje heeft zijn plaats in het evangelie, het verhaal van Gods heil.
Als we nu tóch eens, aan hetbegin van dit verhaal van Gods heil, de laatste bladzij opslaan. Om te zien, hoe het afloopt. Hoe dit gewone leven van gewone mensen afloopt.
Loopt het hierop uit, dat ze elkaar krijgen? Loopt het uit op een kleine baby in de armen van zijn grootmoeder? Ja, daarop loopt het uit. Maar blijkbaar is daarmee toch het voornaamste nog niet gezegd. Want op het allerlaatst blijkt er toch nog iets meer achter te zitten. Dit zit er achter: dat kleine jongetje zal - veel later - grootvader worden, grootvader van David. Daarop loopt het verhaal dus uit.
Op David. Je kunt ook zeggen: het loopt uit op Gods heil.
Gods heil voor gewone mensen in een barre wereld. Gods heil dat zich voltrekt dwars door onze berekeningen, onze beslissingen, onze motieven. Terwijl wij druk in de weer zijn, het hoofd boven water te houden, terwijl wij niets anders zien dan onze kansen, onze onmogelijkheden, wenkende perspectieven, een laatste strohalm, is God bezig aan iets, waarvoor niemand oog heeft, waarmee niemand rekening houdt of houden kan: Hij doet zijn heil doorbreken.
In dit eerste hoofdstuk lopen tenslotte die drie vrouwen, drie weduwen de weg af naar de grenzen van Kanaän. Drie vrouwen op een stoffige weg, de beste weg of de minst slechte weg die in hun ellendige situatie nog openstaat.
Naomi zegt: de hand des Heren is tegen mij. God heeft me ook wat moois geleverd. Ik ga wel terug naar Bethlehem, Maar wat heb Ik daar nog te verwachten. Op zijn best zoveel brood, dat ik niet van honger omkom.
Haar ene schoondochter maakt tenslotte rechtsomkeert: ze vindt deze weg uiteindelijk toch wat al te riskant.
En Ruth? Die houdt vol: ik hoor bij jou, - jouw God is mijn Goden jouw volk is mijn volk. Dat is natuurlijk roerend van trouw. Maar ondertussen. Ondertussen heeft Naomi wel gelijk als ze cynisch spot: je denkt toch zeker niet dat ik binnenkort in verwachting raak, zodat jij nog eens met je zwager zou kunnen trouwen. Ruth kan, de grenzen van Kanaän passerend, alle verwachtingen die ze nog hebben mocht wel afschrijven.
Je zou zo zeggen: God? God is ver. Twee mensen die trouwen en een bestaan opbouwen en tegenslag op tegenslag te verwerken krijgen en dat loopt dan tenslotte uit op die troosteloze terugkeer naar Bethlehem, De gewone alledaagse aaneenschakeling van oorzaak en gevolg, van menselijk falen en menselijk ingrijpen, van succes en pech. En waar is God?
Maar terwijl wij voorthollen in onze sleur, en onze dagen verglijden in drukte en verveling, is God al lang bezig het wonder te werken. En we zien het wel niet. Maar juist dat doodgewone leven van ons is boordevol van Gods aanwezigheid, zijn hulp, zijn heil, zijn vrede.
Wij tobben maar wat voort met ons gezicht naar beneden, opdat we onze handen boordevol hebben met wat zich hier, vlak voor onze ogen afspeelt en omdat de hemel boven ons toch van koper is. Maar - hoe het kan, begrijp ik nietonze God is toch koning.
Mijn God is koning, - Elimelech. En Hij komt op ons toe en gaat met ons mee en voor ons uit in onze strijd om brood, in de stilte die we haten en in het rumoer waarmee we ons omringen. En zelfs als wij niet verder kunnen, als we ontdekken: het gaat echt niet meer, - dan gaat het toch.
Laat nu Naomi maar terugkeren naar Bethlehem. Ze ziet van het wonder nog niets, Ze weet nog slechts dat ene: veel bitterheid heeft de Almachtige me aangedaan.
Nota bene. Ziet ze dan niet wat er aan de hand is? Ziet ze niet dat de Almachtige bezig , is, haar te zegenen? Ziet ze niet waarop dit alles moet uitlopen?
En laat Ruth maar met haar schoonmoeder meegaan op.
die uitzichtloze weg. Straks ziet ze natuurlijk wel het koren op de velden rond Bethlehem staan, klaar om te oogsten.
Maar wat kan zij weten van Boaz, die net bezig is, zijn dorsvloer te ontruimen?
Natuurlijk ziet zij het niet.
Wij evenmin. Hoe zouden we zien, wat God voor morgen al heeft klaarliggen?
Maar opdat wij het zouden vermoeden, opdat we het zouden verwachten, opdat we erop zouden hopen heeft God het boek Ruth in de bijbel laten terecht komen. We weten nu waarop dit alles uitliep.
Dus weten we ook, waarom het vanaf het begin al begonnen was. Waarom het in dat gewone, alledaagse leven van ons begonnen is: onze God is koning.
Wij zien slechts de wegen waarop wij vooruit proberen te komen en stuklopen. Maar langs die gewone wegen voltrekt zich dan toch maar het grote wonder van God. Van die God, die het licht roept in de nacht. En echt, als God het licht roept, dan gaat het licht ook schijnen.