Had ik dat maar geweten (IV-1)

1981-12-04
  • Jaargang 25
  • nummer 44
"Jij bent al jaren mijn grootste obsessie geweest. Omdat Jij er niet was, moest ik mijn eigen goddelijkheid maar konstrueren.
Ik zou goddelijk, onbereikbaar en almachtig moeten zijn".

(Oek de Jong: Opwaaiende Zomerjurken)

Inleiding
De belangrijkste conclusie die uit de voorgaande gedeelten kan worden getrokken is dat het geweten niet zelfstandig kan funktioneren.
Het moet van buitenaf gevoed worden. Door de grote druk die de samenleving op het individu legt is het gevaar groot dat de zgn.
publieke opinie gaat bepalen wat goed en wat fout is.
De Christen zal zijn beoordelingen steeds moeten afstellen op Gods Woord.
Deze week komen enkele filosofen aan het woord. Het betreft hier een zeer summiere selektie van gedachten die te maken hebben met het geweten. Lezers die meer over het onderwerp 'filosofie en geweten' te weten willen komen, moet dan ook worden aangeraden uitgebreidere bronnen te raadplegen (zie bv. de literatuurlijst).

Paulus en de Grieken
Tot op de dag van vandaag oefenen Griekse filosofen invloed uit op het denken van de mens. De ontdekking dat met name het theologisch denken van de Middeleeuwen Griekse elementen bevatte, leidde tot de gedachte dat ook Paulus wel eens sterk onder invloed zou hebben kunnen staan van deze grote denkers.
Paulus was immers goed op de hoogte van de hellenistische wijsgerige stromingen, temeer daar hij op zijn zendingsreizen ook langdurig in Griekenland verbleef. In het "filosofische Mekka" van zijn tijd, op de Areopagus, trad hij zelfs met Griekse denkers in diskussie.
In 'Opbouw' van 23 oktober werd al aangegeven dat ook het denken van Paulus over het geweten zou zijn beïnvloed door de Grieken.
Men baseert dit dan op het feit dat dit begrip vóór Paulus onbekend is in de Bijbel. We hebben toen al gesteld dat dit een onjuiste gedachte is. De opvattingen van de Grieken over het geweten zijn heel anders dan die van Paulus.

Grieken uitgelicht
De bekende Griekse filosoof Sokrates werd rond 470 voor Christus geboren. Voor hem waren de zgn. Sofisten erg invloedrijk. Zij hadden veel tot dan toe als onomstotelijk vaststaande gegevens gerelativeerd.
Daardoor ontstond er een vacuüm in het denken. Sokrates zocht naar het wezen van de dingen. Waar zijn zekerheid, echte kennis en werkelijkheid te vinden? De mens zal moeten be-rede-neren welke gedragslijn goed en nuttig, en welke slecht en schadelijk is. Hij deed dit door middel van een vraag- en antwoordspel met zijn toehoorders, de zgn. "sokratische methode'. De deugd krijgt bij hem het karakter van een verstandelijk inzicht omtrent het al dan niet goed zijn van een handelwijze.
Plato was de bekendste leerling van Sokrates. Bij hem zien we de - ook in het christelijk denken niet onbekende - gedachte uitgewerkt worden, dat er een tegenstelling zou bestaan tussen ziel en lichaam. Het lichaam is het graf van de ziel. De mens moet zich boven de zinnelijke wereld verheffen om te weten te vervolg op pag. 348 – onderaan komen wat werkelijk goed is. Hij heeft zijn ideeën o.a. in staatkundig opzicht uitgewerkt.
Aristoteles volgde ten dele de opvattingen van zijn leermeester Plato.
Einddoel van alle menselijk streven is het geluk. Dit kan men bereiken door de redelijke, verstandelijke aktiviteit van de ziel. De logica neemt bij hem een voorstaande plaats in: het hoogste goed wordt gevormd door de vervolmaking van het verstand.
Als laatste Griekse stroming noem ik de Stoïcijnen. Bij hen komt nog meer dan bij voorgaande filosofen de mens centraal te staan. Zij stelden dat men zich bij de natuurlijke gang van zaken neer moet leggen, en er niet van afhankelijk moet worden. Dat kan alleen wanneer de mens zijn verstand gebruikt en zijn gevoelens beheerst. Dit ideaal wordt alleen bereikt als de hartstochten worden onderdrukt, als men zijn gevoelens geheel meester is. Het middel waartoe is het verstand.
Men moet zich boven de omstandigheden verheffen; verdriet en blijdschap moeten met grote· evenwichtigheid worden verdragen.
Op die manier kan de mens het geluk in zichzelf vinden. (Vergelijk het citaat van Oek de Jong (uit: Opwaaiende Zomerjurken) boven dit artikel; een parallel kan worden getrokken met sommige oosterse godsdiensten) .

Beoordeling
Het centrale bezwaar tegen al deze visies zal vanuit Christelijk oogpunt duidelijk zijn. De Grieken zagen het geweten (als beoordelende instantie van goed en kwaad) vooral als wetgevende macht. Het nam een voorname plaats in de filosofie van de autonome mens in.
Opvallend is ook dat de rede, het verstand of de logica in ethisch opzicht worden overschat. De Bijbel leert ons dat de mens een eenheid is. De oorzaak van het slechte in de mens kunnen we dus niet in het driftmatige, het zinnelijke lokaliseren. Een goed geweten is niet hetzelfde als "je verstand gebruiken".
De mens is op een verkeerde weg als hij geluk, genot of nut ziet als doel van het menselijk handelen.
Terecht stelt De Vos dat we deze gedachten ook in het religieuze denken vinden ("God zoeken om het geluk"). Geluk is echter een gevolg van het geloof, het is 'genade'.
Het streven naar geluk maakt dat streven op zichzelf niet goed. Evenmin kan men stellen dat het streven naar nut een handeling rechtvaardigt. Iets heeft altijd nut in relatie tot iets anders. Men kan op een dergelijk principe dan ook geen ethiek bouwen. In een samenleving waarin produktie als 'nut' wordt gezien, wordt iemand die geen produktie kan leveren als onnut, en in deze vise als waardeloos gezien. Een rechtvaardige verdeling van de welvaart is op een dergelijke basis onmogelijk.
De stoïsche levenshouding isoleert de mens van zijn medemensen (vergelijk het begrip 'stoïcijns' = onverstoorbaar).
De (schijnbare) tegenstelling tussen gevoel en verstand komt in deze filosofie wel heel sterk naar voren. Het is opvallend dat de discussie over het geweten zich ook vaak op dit punt heeft voltrokken: touwtrekken tussen gevoel en verstand om te bepalen wat goed en wat verkeerd is.
De Stoïcijnen bieden niet gemakkelijk plaats aan ontferming en medeleven.
"De wijze vormt zijn leven zelf, onafhankelijk van het lot en de mensen. Het systeem maakt licht hoogmoedig; de mens wordt aan God gelijk en ziet licht aristocratisch neer op de massa der dwazen, die zich niet tot zijn hoogte opgewerkt hebben. Begrippen als schuld, vergeving en genade blijven hem allicht vreemd" (De Vos).
Al deze bezwaren kunnen verklaard worden uit het feit dat de Grieken uitgingen van de autonome mens. De christelijke vrijheid, die tot uiting komt in de religieuze houding tot God is een voor de Griekse filosofen volkomen onbekend begrip. Door middel van zijn eigen verstand kan de mens bepalen wat goed en wat fout is. Het geweten wordt gereduceerd tot een logisch redeneren.

(wordt vervolgd)

Rektifikatie. - In het tweede gedeelte van deze artikelenserie is op blz. 309 onder het kopje "Een religieus begrip" een storende zetfout geslopen. I.p.v. 'geen gevaar' moet hier staan: 'een gevaar'. De Ie en 2e regel luiden dan als volgt: "Het goede en het kwade geweten. In beide begrippen schuilt een gevaar".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief