EEN BOOM

1981-12-04
  • Jaargang 25
  • nummer 44
Een man, een boom, een berg, een steen ...
(oud versje)

Wie eenmaal overtuigd is, dat zelfstandige naamwoorden in veel gevallen duidelijk met de mens, man of vrouw, te maken hebben, ziet de mannelijkheid van het woord 'boom' geredelijk in. We zeggen: een kerel als een boom, een boom van een vent. En het Nederlands staat hierin alleen.

De onverzettelijke boom, die hoog boven het groene gewas uitsteekt, stormen trotseert en rijke vruchten draagt, is het beeld van de man. Van de mens in het algemeen, dat is waar, maar in onze maatschappij vertegenwoordigt de man het mensengeslacht.
Er zijn tal van spreekwoorden, die de boom als symbool voor de mens aanvaarden. Aan de vruchten kent men de boom - aan zijn daden herken je de man. Hoge bomen vangen veel wind - een man die boven zijn volk uitsteekt oogst veel critiek. Kleine boompjes worden groot - kinderen worden eens volwassen. En oude bomen moet je niet verplanten - haal oude mensen niet uit hun vertrouwde omgeving. Een boom valt niet bij de eerste slag - een man sterft niet van een koutje. Maar zo de boom valt blijft hij liggen - is een beslissing genomen, dan is er niets aan te veranderen; werd in het verleden gebruikt als: zoals de mens is afgestorven, zo is zijn eeuwige toekomst.

Een bijzondere boom is de stam- of geslachtsboom. Dat is een compleet overzicht van iemands nakomelingen *); alweer een mannelijk begrip, want het gaat om de naamdragers bovenal.

Er is een klassieke proef in de psychologie, die 'boomtest' wordt genoemd.
De proefpersoon wordt gevraagd een boom te tekenen, precies zoals hij zich die boom voorstelt. En wie dat doet - probeert u het zelf maar - zal altijd min of meer zichzelf uitbeelden. De verhoudingen van lengte en breedte, de verhouding van de boom tot het papier, de plaats van de boom op het papier - alles tekent de proefpersoon. Een verlegen kind tekende een boom slechts half: op de rand van het papier; kon zo nodig direct verdwijnen ... Een ander tekende zijn boom als hangende in de lucht; zonder banden aan het aardse. Een derde tekende enkel·een sterk wortelgestel (verbondenheid aan het voorgeslacht); of spreidde een overmaat van bladeren ten toon. Slechts weinigen tekenen de boom met stam, wortels, blad en vrucht: levensrijpheid.

Een bekend man (hij is dood, maar we laten zijn naam liever weg) was aanvankelijk theoloog en predikant. Hij bracht de wetenschap niet veel verder en stond maar weinige jaren in het ambt. Toen werd hij kunstschilder.

We bezitten twee gekleurde tekeningen van hem, bomen; en nog een (ander) zelfportret. De eerste krijttekening is een majesteitelijke beuk, wiens kruin tot in de hemel rijkt. Het bovenste stuk stam is zelfs door de lijst weggesneden; de rest vormt een mensenhoofd. Twee grote zijtakken passen hierbij: -daar staat een profeet met gespreide armen, een man, ja waarlijk. De lengteplooi van de beukenstam is de overslag van een grauwe profetenmantel, die tot de voeten reikt. Daar onder komen zijn sandalen en tenen minutieus uit in het grillige wortelgestel - heel diep op de aarde, als vanuit een vliegtuig gezien. De profeet staat geheel alleen op de wereld, ver van zijn gehoor. Hij gaat over de hoofden heen. Zijn stam heeft geen blad, geen bloesem, geen vruchten; de profeet is de stem van iemand die in de woestijn roept, maar niemand verstaat zijn boodschap.

Voelt u? De schilder was elk geestelijk contact kwijt, al stond hij op goede bodem en gezonde grondslag. Daardoor was zijn werk vruchteloos, hij zelf onvruchtbaar. Hij liet zijn ambt varen en werd schilder.

Zijn volgende tekening is weer een boom. En wel een knotwilg met talloze takken maar zonder model, zonder uitgroei, weer zonder vruchten.
U kent de knotwilg wel, waar groepen natuurbehouders vandaag voor uittrekken? Juist die; behorend tot het vaderlandse landschap, op een rijtje geplaatst waarschijnlijk een grens aangevend, maar op een trieste manier jaarlijks gekortwiekt en daarom vol takjes en gebladerte. Goede windvangers - maar geen natuurlijke bloei en vrucht. Ze bergen vaak vogelnesten, ja, en enige vraat voor het rundvee (zei Adema van Schelterna), doch als een schilder zichzelf als zulk een boom ziet, is hij wel bijzonder bescheiden.

Dat was deze schilder ook. Wij hebben van hem een zelfportret in krijt.
Sjofel gekleed, een oud hoedje op, een halfsleets jasje: een harde werker, die weinig aan zichzelf dacht. Eigenlijk alweer een houterig portret. Een man die - als een knotwilg - onverzettelijk was, maar wiens talenten niet hebben mogen uitgroeien. Een kunstenaar, die hiermee het levensbeeld van de moderne mens uitbeeldt: beelddrager Gods, tot alle goed werk bekwamelijk toegerust - maar gefrustreerd door eigen zonden en door een corrupte omgeving.

We hebben ook enkele aquarellen van een schilderes - ja, alweer bomen natuurlijk. Het ene stuk stelt een bos voor: tegen een brandende zonsondergang staan verscheidene bladerloze bomen met harde knoestige takken. Het bos lijkt in brand te staan, althans ten vure gedoemd te wezen. Er zit geen toekomst in deze bomen; eigenlijk zie je vanwege de
vele eenzame kille bomen het bos niet. Het is een takken-bos, nabij de verdwijning.

Het schilderij hangt in onze slaapkamer en ter gelegenheid van een dagje griep heb ik er uren lang naar gekeken. Ik trachtte haar visie te verstaan, me in haar gedachtenwereld in te leven. Dat was een trieste bezigheid.
Ik zag, als ik haar was, geen mogelijkheid voor een nuttig bestaan; individuele opsluiting in de massa der verdoemden.

Gelukkig, zo dacht ik, hebben we ook een jeugdiger "zelfportret" van haar. Het hangt in de badkamer: een takje van een pruimeboom, teer rose bloeiend en met zachte knoppen, die nog veel toekomst beloven.
En ik vroeg me af, hoe de kunstenares-zonder-toekomst naast die takkenbos (of dát takkenbos) zo iets schoons kon scheppen. Tot ik met ontzetting het antwoord vond: het teerbloeiend takje was boven de bloesem gebroken en beneden de bloesem afgesneden! Het was ten dode opgeschreven, net als het brandende bos. Verwondert het u, dat de kunstenares vandaag psychiatrisch wordt verpleegd? Daarom verzwijgen we namen.

En nu denk ik aan Godfried Bomans. Ergens noemde hij zijn vader de "Grote Boom". Daar zat een leuke woordspeling in: de "man als een boom", de slimme politicus, de knappe debater, de vorst in zijn gezin, heette: zoon van Boom-man, Boommans, Bomans. Godfrieds vader was "groot": de meesten vreesden hem en liepen op hem heen. Niet alzo Godfried - hij haatte zijn vader tot kort voor zijn dood, want hij keek spottend door het grote masker heen. Pas toen Godfried een week alleen op een onbewoond eiland had doorgebracht, alleen met God en zichzelf, kon hij zich met zijn vader verzoenen. Zo verzoende hij zich tevens met God - enkele weken voor zijn dood.

Er is nog een woord, waarin de boom een rol speelt. Een van mijn vrienden (het ga hem wel) wees me hier eens op. In vroeger tijden, toen de volksgerichten nog door wijze mannen werden gehouden, had men een gestoelte, waarop deze mannen plaatsnamen, eens in het jaar. Nu hebben alle gestoelten, preekstoelen, kansels en hoogzitten zowel als katheders, dit gemeen, dat ze van hout, van bomen zijn gemaakt. In het woord Driebergen, zo wees mijn vriend me aan, zit dat rechtsprekend gestoelte ingebouwd. Want drie is hier tree, is boom. Driebergen is dus: beboste heuvel. Net als het Groningse Termunten bijvoorbeeld, waar u tree en mont in ziet. Ook in andere Europese namen komen deze woorden voor.
Beboste heuvels zijn altijd "heilige plaatsen" geweest; spreekt ook de Bijbel niet van afgoderij op "groene heuvels"? Zegt het oude liedje niet: de boom stond op de bergen, jongens wat een boom was dat?

Maar u zult merken, dat we al in het volgende artikel verdwaald zijn.
Daarom snel terug naar de Bijbel, die dikwijls de mens met de boom vergelijkt. Van de rechtvaardige zegt psalm 1, dat hij is gelijk een boom aan een beek. En de rechtvaardige, zegt psalm 92, zal groeien als een palmboom, als een ceder op de Libanon. Moge ds. boom dan mannelijk zijn, in Christus is de vrouw in de man begrepen. Want alles wat er een man geschonken wordt is om door te geven. Laat het niemand verdrieten.

*) Iemands voorgeslacht is weer wat anders; die opsomming heet kwartierstaat

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief