Had ik dat maar geweten (V)
1981-12-18
Geweten en opvoeding- Jaargang 25
- nummer 46
In de laatste artikelen van deze serie wordt aandacht besteed aan datgene wat pedagogen en psychologen hebben geschreven over het geweten. Dat is niet eenvoudig, omdat aspekten van dit begrip nogal eens onder een andere noemer gebracht worden, zoals: moreel besef en zedelijk bewustzijn. In de tweede plaats treedt er op dit punt een zekere breuk op met de voorgaande vier artikelen. In de opvoedkunde en de psychologie wordt het geweten niet als religieus begrip gehanteerd. In deze vakgebieden ligt het aksent op de ethische hantering.
Het gaat om de vraag hoe het kind onderscheid leert te maken tussen goed en kwaad, welk gedrag getolereerd kan worden en welk. gedrag niet door de beugel kan. Daarbij zal (weer) de literatuurstudie centraal staan. Begonnen wordt met een aantal theoretische notities van de pedagogen Waterink, Kohnstamm en Langeveld.
Normatief
In de inleiding van dit artikel werd geschreven dat er een verschil in invalshoek bestaat tussen de voorgaande gedeelten over het geweten en de laatste artikelen van deze serie. Bestuderen we de protestantschristelijke en rooms-katholieke literatuur op het terrein van de opvoeding van met name de periode tussen 1925 en 1950, dan zien we toch een duidelijke relatie tussen de theologie en de pedagogiek met betrekking tot het geweten. Dat komt doordat in die tijd de christelijke normen een zwaar accent krijgen binnen de sociale wetenschappen.
De argeloze lezer, die het stof van bv. de boeken van Prof. Waterink af heeft geslagen, zal vreemd opkijken als hij willekeurig een aantal bladzijden doorneemt. Is dit theologie, of heeft hij toch een boek over opvoeding in handen?
Vooral na 1960 wordt dit normatieve pad verlaten, alhoewel zowel de marxistische. als de "orthodoxchristelijke" literatuur over opvoeding wel dit stempel bleven dragen.
Opvallend is daarbij wel, dat in de marxistische literatuur het begrip 'geweten' vrijwel onbekend is. Dit hangt samen met de 'kollektivistische' opvattingen over opvoeding, die zo kenmerkend zijn voor het marxisme. Individueel getinte gedachten passen niet in een dergelijk opvoedingspatroon. Het geweten is dan ook van zeer ondergeschikt belang.
Buiten deze normatief getinte literatuur over opvoeding zien we dat veel studies binnen dit vakgebied gegevens van wetenschappelijke aard citeren. Dit is echter heel verraderlijk.
Onder het mom van "wetenschappelijk bewijs" gaat altijd een standpuntbepaling schuil, al is het maar door de keuze van onderzoeksgegevens.
Hoe het ook zij, het 'geweten' is tussen alle - als hard veronderstelde - feiten wel eens naar de achtergrond verdreven. Mèt het opnieuw ontdekken van het gegeven dat opvoeding nooit los kan staan van een bepaalde overtuiging én het meer individualistisch getinte denken binnen onze samenleving, verwacht ik ook dat het geweten weer een meer centrale positie in gaat nemen in de discussies.
Waterink
Ik begin met het citeren van enkele uitspraken van Prof. Waterink.
Deze vroeger in gereformeerde kring zeer bekende opvoedkundige (de "Spoek" van de Gereformeerden) schreef ten aanzien van het geweten dat het van groot belang is om te weten hoe de Heilige Schrift en de geschiedenis zich over het wezen van de 'conscientie' uitspreken.
Hij begint dan ook met een wel zeer uitgebreide voetnoot van twee volle bladzijden dit begrip Bijbels te funderen.: Daarbij wordt ook het Griekse denken over het geweten genoemd (1).
Daarnaast is het, aldus Prof. Waterink, van buitengewoon groot belang te weten "op welk psychologisch standpunt men zich stelt, en welke opvattingen omtrent de organisatie van het zieleleven men is toegedaan" (1 - blz. 431).
"Het 'ik' van de mens", aldus deze vroegere hoogleraar aan de V.U., "is in zijn wezen door God begiftigd met de twee speciaal voor de mens markante eigenschappen: het is logisch en het is religieus" (2blz. 212). Met het begrip 'logisch' .
wordt bedoeld dat de mens redelijk, verstandelijk kan denken, met het begrip 'religieus' wordt de gerichtheid op God bedoeld (volgens Romeinen 2 : 15). Daar komt nog bij dat de mens, omdat hij naar Gods Beeld is geschapen, een zelfbewustzijn heeft ontvangen. Dit is dé kenmerkende tegenstelling tussen mens en dier. De mens kan afstand nemen, zichzelf beoordelen (2).
Het geweten zelf is niet anders dan het besef dat er goed en kwaad is.
Hoe we weten wát goed en kwaad is, heeft het van elders ontvangen.
Dat kan door Gods openbaring, door ervaring, of door de opvoeding.
"Naar zijn eigen aard bestaan de inhouden vart het geweten uit normen, die van' ons geweten bezit hebben genomen" (3 - blz. 421).
Kohnstamm
Kohnstamm, een bekend opvoedkundige en tijdgenoot van Waterink, gaat van de veronderstelling uit dat opvoeding mogelijk is. Dieren worden gedresseerd; bij hen kan men niet van opvoeding spreken.
Een dier handelt op grond van zijn instinkten. De mens kan zijn eigen daden over-denken, kan er los van komen. De kloof tussen het menselijke en dierlijke bestaan berust voornamelijk op het door de mens kunnen hanteren van de taal. Die taal speelt in het denken een grote rol; de mens denkt door middel van de taal, die tevens de mogelijkheid schept om afstand te nemen van de eigen handelingen. Hier zien we tevens het geweten funktioneren, waarbij Kohnstamm met instemming Jan Ligthart citeert: "Al onze opvoeding is gebaseerd op de zekerheid dat het kind een geweten heeft" (in: Verspreide Opstellen, blz. 127).
Kohnstamm noemt vier kenmerken van de gewetensbeslissing. Een dergelijke beslissing wordt genomen met inschakeling van de gehele persoonlijkheid, valt niet volledig verstandelijk te beschrijven (bovenrationeel), is concreet en individueel (hoe moet ik handelen in deze konkrete situatie?), en de beslissing wordt als 'komend van buiten', als geschenk, ervaren (4blz. 66).
Langeveld
Ook Langeveld probeerde 10 zijn boeken het geweten als christelijk begrip te funderen. Terecht schrijft hij dat de hellenistische gewetensopvatting vaak de christelijke gedachte hieromtrent verdringt. Dat gebeurt als men aan het geweten een té centrale rol toekent. Paulus beschouwt, aldus Prof. Langeveld, het geweten nergens als de stem van God. Met andere woorden: het heeft niet het laatste oordeel; het kan falen en zwak zijn (5 - blz. 172).
Zeer juist acht ik ook de konklusie van deze vroegere Utrechtse hoogleraar dat het in de opvoeding in de eerste plaats gaat om het leren leven met God. Daaruit volgt dan de gewetensvorming, die gevoed wordt door het christelijk geloof (blz. 62). .
Hoewel ouders sterk geneigd kunnen zijn om "alles op alles" te zetten met betrekking tot de gewetensvorming van hun kind, gaat het dus in de eerste plaats om het leren wandelen aan de hand van God.
Deze visie op de gewetensvorming voorkomt naar mijn mening veel eng-moralistische opvoedingspatronen.
Samenvattende interpretaties
De drie, in dit gedeelte behandelde, pedagogen gaan uit van de gedachte dat de mens in staat is om afstand te nemen van zijn eigen daden. Op dit terrein funktioneert ook het geweten. Het geweten geeft een fundamenteel verschil aan tussen mens en dier; een dier kan alleen handelen op grond van zijn instinkten. In wezen leeft het in een 'gesloten' wereld; de mens leeft in een 'open' wereld en kan daardoor tevens verantwoordelijk gesteld worden voor zijn eigen daden.
Er bestaat een nauw verband tussen gewetensvorming en opvoeding.
Op het feit dat de mens een geweten heeft, onderscheid kan maken tussen goed en kwaad, kunnen we tevens de hypothese baseren dat opvoeding mogelijk is. Het geweten zelf bepaalt echter niet wat goed of fout is; deze normen putten we als Christenen uit de Bijbel. Het geweten heeft te maken met het religieuze besef van de mens, en met het vermogen tot zelf-besef. De wijze waarop de aan onze zorg toevertrouwde kinderen uiteindelijk met dit besef omgaan, houdt verband met de manier waarop ze hebben leren leven aan de hand van God. Daarbij speelt de opvoeding een grote rol.
De volgende keer worden enkele theorieën over de ontwikkeling van het geweten bij kinderen weergegeven.
Literatuur:
(1) J. Waterink - De pedagogiek als wetenschap (Zeist, 1926) (2) J. Waterink - Ons zielelven (Wageningen, 1938) (3) J. Waterink - Theorie der opvoeding (Kampen, 1957) (4) Ph. Kohnstamm - Persoonlijkheid in Wording (Haarlem, 1967) (5) M. J. Langeveld - Beknopte theoretische pedagogiek (Groningen, 1968)