Evangelisatie

1982-05-07
  • Jaargang 26
  • nummer 18
Een tijdje terug zijn er door verschillende scribenten in ons blad kort achter elkaar een paar niet al te positieve opmerkingen gemaakt over Project '82. Ik zelf was daar ook bij. De indruk heeft daardoor kunnen ontstaan dat wij van Opbouw het niet zo zien zitten met de evangelisatie.
Als ik met hetgeen hieronder volgt die gewekte indruk zou kunnen wegnemen, zou mij dat zeer verheugen. Wat mijzelf betreft, bij mijn weten heb ik slechts gewaarschuwd tegen een mogelijk gevaar bij deze landelijk georganiseerde evangelisatiecampagne. Dat we namelijk te grootschalig denken en teveel nog modellen gebruiken uit een voorbije tijd. Maar als ik nu zie, hoe er ook in onze eigen gemeente (zoals op andere plaatsen) enthousiast en deels ook wel op eigen wijze is en wordt meegedaan aan de actie, ach, dan vind ik dat zo hartverwarmend, dat ik gaarne bereid ben mijn welgemeende waarschuwing in te trekken. Men zal, zo denk ik dan, al doende wel komen tot het bijstellen van de methodes en het kiezen van de juiste middelen.
En als nu iemand mocht vinden dat deze opmerking mosterd na de maaltijd is, dan herinner ik eraan dat Project '82 toch bedoeld is als het begin van een periode van nieuw evangelisatie-elan, zodat ook degenen die wat laat wakker worden, nog best mee kunnen gaan doen.

Onze opdracht
Want evangelisatie is dringend nodig, ook in onze tijd. Het is goed om over de tijd waarin we leven na te denken, om zo enigszins vat te krijgen op het eigenaardige karakter ervan. Ik doe daar zelf ook aan mee, zoals de lezers kunnen weten.
Maar nooit zal dat nadenken mogen betekenen dat wij voorbij zien aan de opdracht die voor alle tijden en gelegenheden of situaties gegeven is, namelijk dat wij Zijn getuigen zullen zijn (Hand. 1 : 8). Het noodzakelijke zinnen op de juiste methodes mag ons in geen geval bij die hoofdzaak vandaan halen. Het zou immers kunnen zijn dat wij ons van de tijd waarin we leven zo'n sterk en gevestigd beeld vormen dat dat voor wat ons betreft gaat functioneren als een gevangenis voor de Here God en zijn mogelijkheden. Wat zou dat jammer zijn! We vinden daarvan een waarschuwend voorbeeld bij de profeet Haggaï. Bij hem horen we het volk Israël dat uit de ballingschap teruggekeerd is zeggen: "De tijd is nog niet gekomen, de tijd dat des HEREN huis herbouwd worde" . Wat vroom en diepzinnig zal dat menigeen in de oren geklonken hebben! De opmerking zal ook wel vrucht van heel diep nadenken zijn geweest. Maar de profeet prikt er dwars doorheen met een juweel van een tegenopmerking: "Is het voor jullie dan wèl de tijd om in weldoortimmerde huizen te wonen?" (Haggaï 1 : 2 en 4). Wat werd hiermee de diepzinnigheid ontmaskerd als voorwendsel! Wij moeten ons hierdoor laten waarschuwen. Ook nu zou gezegd kunnen worden: het is niet de tijd om te evangeliseren, terwijl in werkelijkheid heel iets anders, bijvoorbeeld valse schaamte, ons blokkeert. Arglistig is het hart; ook het diepzinnig-theologisch nadenkende hart..
We moeten de Here God niet opsluiten in het beeld dat we ons van onze tijd vormen.

Christelijk Nederland
Over dat nadenken over onze tijd in verband met het evangeliseren moet me trouwens nog iets van het hart. Dr O. Jager heeft in een interview in het aprilnummer van Weerwoord, het maandblad van het L.C.G.J.e in verband met Project '82 gezegd dat er bij de Evangelische Alliantie een soort heimwee leeft naar een Nederland van vroeger dat niet eens heeft bestaan, want Nederland is nooit christelijk geweest. Dit moois las ik via een 'overgenomen' in andere bladen. Het interesseerde me hevig en daarom ben ik in de leeszaal van de V.U. eens -gaan kijken of de geïnterviewde daar misschien nog iets meer over gezegd had. Maar nee, ik kon niets anders dan deze losse flodder vinden. Van een interview (dat ik kenmerkend begin te vinden voor onze oppervlakkige tijd) mag je misschien ook niet meer verwachten. Het is anders wel een opmerkelijke uitspraak, dat er nooit een christelijk Nederland is geweest! Dr Jager zal wel bedoelen dat we ons van die vroegere tijd geen al te idealistische voorstelling moeten maken. Dat zou inderdaad een goede waarschuwing zijn geweest.
Als we ons over die achter ons liggende tijd een beeld trachten te vormen, moet ook mee bedacht worden wat de profeten en de psalmen gezegd hebben, dat er een tijd zou komen dat de vijanden van de Christus veinzend zouden buigen voor zijn macht (Deuter. 33 : 29; Ps. 18: 45; 66: 3; 81: 16). Dat 'veinzend buigen', dat is er 66k geweest in de tijd van 'christelijk Nederland'.
Maar daar moeten we ons niet op verkijken zodat we niets anders meer zien. Het was ook de tijd van de publieke geldigheid van het Evangelie, die bij zeer velen ook innerlijke weerklank vond. Die eer mogen we Christus niet ontnemen.
Langs deze weg komen we tot een meer genuanceerd oordeel over vroeger dan de reactionaire karikatuur die dr Jager aanbiedt. Geen ophemeling en geen verguizing, nee, het wàs iets. En ik denk dat zo'n meer evenwichtig oordeel over vroeger ons ook kan helpen om een goede kijk te krijgen op onze eigen tijd: geen ophemeling en geen verguizing, nee, het IS iets. Een tijd met weer heel eigen mogelijkheden. En wij staan onder grote beloften als we, onder de indruk van onze opdracht om ook nu getuigen te zijn, nadenken over de methodes die het meest geschikt zijn om die opdracht uit te voeren. Wie daarentegen ten aanzien van vroeger met karikaturen werkt, moet ook gewantrouwd worden ten aanzien van de wegen die hij voor vandaag wijst.

De dubbele ring
Wat betreft het nadenken over de juiste methode van evangeliseren moeten we niet verwachten dat we in één achternamiddag tot definitieve resultaten zullen komen. Ook voorvragen komen daarbij om de hoek kijken. Bijvoorbeeld deze: weten we wel voldoende op wie wij ons al evangeliserend moeten richten? Voor het antwoord op deze vraag wil ik een gedachte ten beste geven die mij nogal eens bezig houdt. Is de christelijke gemeente van vandaag niet omgeven door een dubbele ring? Vooreerst door een rand van afvalligen en vervolgens, meer naar buiten nog, door een rand van Godvrezenden? Dat de gemeente omgeven is door een rand van Godvrezenden, haal ik uit het Nieuwe Testament, vooral het boek Handelingen (bijv. Hand. 13: 16; en trouwens ook bij de profeten vind je daar al sporen van). We ontmoeten daar de niet-Joden die met de plaatselijke synagoge meeleven en onder wie het evangelie een goed gehoor gevonden heeft. Maar ook blijkt in datzelfde boek Handelingen dat de joodse synagoge van de verstrooiing voor een groot deel gevuld is met werelds denkende Joden die vijandig reageren op de apostolische prediking.
Zij zullen zichzelf wel niet afvallig hebben gevonden, maar de apostel Paulus benadert hen toch een keer waarschuwend met het zware woord 'verachters' ("Ziet, verachters, verwondert u en verdwijnt..."). Dezelfde Paulus laat hen kort daarna ook los om zich vervolgens tot de heidenen te keren (Hand. 13: 46 v.v.). Welnu, dit beeld van die twee randen om de gemeente laat me niet los. Kan het niet zijn dat de eerste rand, die van de afvalligen, ons blokkeert om bij de tweede te komen? Zit de gemeente niet vaak schuchter in een hoekje naar de boze wereld te kijken - en het is de boze wereld niet eens? Het is de schetterende meute die tegen alle klaarblijkelijkheid van het evangelie in met ons christelijke geloof een heel andere kant op wil. Wordt het niet eens tijd dat we ons daar veel minder dan tot dusver iets aan gelegen laten liggen? Dat we een tunnel beginnen te graven onder die eerste rand door om zo terecht te komen bij degenen die wèrkelijk van het evangelie vervreemd zijn en bij wie je niet zelden toch een zeker besef van God aantreft, een primitief 'om Hem geven'? Ik denk dat dit in christelijke groepen beter verstaan wordt dan in christelijke kerken.
Kennen wij de echte buitenkerkelijke wel? Niet degene die buiten de kerk is gaan staan en vandaar met zijn pseudo-evangelie de dienst in de kerk nog zo verregaand uitmaakt, maar degene die in zijn voorgeslacht al van de kerk is losgeraakt en nu mogelijk rondloopt met een onbestemd gevoel van gemis en met de vage herinnering aan een versje dat opoe wel eens zong. Ik wil deze echte buitenkerkelijke niet idealiseren, maar hem toch eens naar voren halen. Kennen wij hem wel? En dan heb ik het nog niet eens over de mensen onder ons uit andere culturen en godsdiensten, bij wie je wel eens meer 'vreze des ?' aantreft dan bij je eigen medechristenen.

De volgende keer over dit hele onderwerp nóg iets.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief