Beproefde trouw (5)
1982-05-07
7. De Gereformeerde Bond- Jaargang 26
- nummer 18
We zijn nu op het punt gekomen, waar het ons in deze artikelen om gaat. De geschiedenis van "de Bond" of "de Bonders", waaraan het gedenkboek "Beproefde trouw" is gewijd en we staan dan aan het begin van de 20e eeuw. De Confessionele richting in de Ned. Hervormde Kerk wilde de (gereformeerde) leer handhaven en degenen, die deze leer afwezen behoorden eigenlijk niet in het kerkgenootschap thuis. De kerk moest weer echt "kerk" zijn, ook in haar bestuur.
Maar daarbij ook tevens vasthouden aan "heel de kerk en heel het volk". Die twee tezamen brengen bleek onmogelijk, telkens weer. De doleantie bracht deze Confessionele richting ernstige verliezen toe, getalsmatig, maar meer nog door haar duidelijke keus voor handhaving van Schrift en belijdenis. Liever het genootschap verlaten dan bukken onder onschriftuurlijk gezag.
Het volgen van Gods wil kostte offers en velen waren toen bereid die te brengen, terneer omdat door de doleantie de eigen plaats en betekenis van de zelfstandige gemeenten tot haar recht kwam. Het bleek dus mogelijk Dordt 1618/9, ook voor wat betreft de kerkorde, weer op te nemen, iets waarvoor in de N.H. Kerk geen uitzicht was. Daar bleven de machtige bestuurders de baas.
Onder leiding van dr. Hoedemaker (die een aantal jaren samen met dr. Kuyper hoogleraar aan de V.U. is geweest) heeft de Confessionele vereniging na de Doleantie (1886) ernstig getracht actiever op te treden. Opnieuw werd uitgesproken de verbondenheid aan de 3 formulieren van Enigheid, het normatief gezag van de Heilige Schrift en het normerend (regelend) gezag van de kerkorde. Overwogen werd grotere activiteiten te ontplooien om de N.H. Kerk daaraan te doen beantwoorden.
Zo kwamen jaarlijks ambtsdragers, leden van de Confessionele vereniging, bijeen om deze zaken met elkaar te bespreken. In die pogingen tot reorganisatie ontmoeten zij in de beginjaren van deze eeuw een deel van de Ethische broeders. Deze zochten in de strijd om "het geloof van de gemeente" samen te gaan en overleg tussen beide groepen vorderde. Het kwam zover dat ze samen adressen richtten tot het synodaal bestuur en het leek erop of ze gehoor zouden krijgen.
Dat nu stootte een deel van de Confessionelen af. Ze zagen in dat samen optrekken met de Ethischen de belijdenis der vaderen in gevaar komen. Hoe konden ze zich verbinden met hen, die het volle Woord Gods niet eens aanvaarden willen, die de belijdenis niet strikt wilden nemen?
In de Confessionele kring kwam toen een scheiding tot stand. In 1906 richtten enkelen de "Gereformeerde Bond tot vrijmaking der kerk" op. Ze erkenden, dat een "belijdende volkskerk" een utopie was en streefden derhalve naar een "belijdende vrije kerk" in Nederland.
Daarin zouden dan alle waarlijk gereformeerden zich kunnen verenigen. Dordt 1618/9 werd markant richtingbepalend: de 3 formulieren van enigheid, de Bijbel Gods Woord, de D.K.O. en geen evangelische gezangen. Dat is nu 75 jaar geleden en het herdenken ervan leidde tot het boek "Beproefde trouw", waaraan we nu verder aandacht willen geven. Dit boek bevat zes bijdragen uit de "eigen kring" en vier van schrijvers van buiten "de Bond". De samensteller (ir. J. van der Graaf) zegt over de titel, dat daarin
"allereerst (is) uitgedrukt) de trouw des Heeren over Zijn Kerk.Die trouw is beproefd, deugdelijk gebleken. Het is vanwege die (verbonds)trouw des Heeren dat de Gereformeerde Bond tot heden zijn plaats in de Hervormde Kerk heeft geweten. Het trouw blijven aan deze kerk dóór de hervormd gereformeerden is aan die trouw des Heeren ondergeschikt. Die trouw is intussen ó6k beproefd, op de proef gesteld. Hier ligt het tweede motief, dat in de titel tot uitdrukking wordt gebracht. De Gereformeerde Bond wilde in de vijfenzeventig jaar van zijn bestaan de weg van het gereformeerd belijden gaan met het oog op de hele Hervormde Kerk, maar altijd weer met aan de ene zijde de verzoeking tot separatie en ter anderer zijde de verzoeking van binnenkerkelijke aanpassing." (12)
Niet elke bijdrage in dit boek is voor ons van even groot belang en daarom zal de ene meer aandacht ontvangen dan ,de andere.
8.Nadere karakteristiek van de Bond
Met wat in de vorige paragraaf is aangeduid hebben we niet meer dan de buitenkant geraakt. Het zijn geschiedkundige feiten. Prof. dr C. Graafland geeft ons duidelijker inzicht in hetgeen in Bondskringen leeft en naar buiten treedt in zijn bijdrage "Hoe en waarom kwam de Gereformeerde Bond rond de eeuwwisseling op ?" Hij sluit zich aan bij de uitspraak van een historicus, dat het is "het verlangen om in verband met de opbloei van de gereformeerde theologie aan het eind van de negentiende eeuw het programma van de Nadere Reformatie tot nieuw leven te brengen". Velen in de Ned. Hervormde Kerk gevoelden zich namelijk eenzaam, omdat voor hetgeen die Nadere Reformatie in de 17e eeuw had gebracht, geen plaats meer was. Kenmerken van deze stroming of beweging (ze kwam reeds ter sprake in paragraaf 3) waren "een bevindelijke prediking" ("hun zielen werden gevoed en () in prediking en pastoraat (werden) hun zielenvragen behandeld en beantwoord") (pag. 21).
Een piëtistisch (vroomheids)element - de godsdienstige mens - komt hier naar voren. In die prediking was een vergeestelijking op te merken. Niet wat in de Schriften tot ons komt is van belang, maar wat en hoe de mens dit persoonlijk beleeft domineert en het is individualistisch van aard. Hier is dan niet meer het horen van en buigen voor de Waarheid Gods, maar het zoeken van eigen gekozen (standaard) leerstukken. "De gemeente wordt daarbij ingedeeld niet alleen in bekeerden en onbekeerden, maar de bekeerden worden weer nader geclassificeerd in de bekommerden en bevestigden en nog wel in meergedetailleerde onderverdelingen" (25/5). De door de Here Christus bijeengebrachte gemeente verloor men uit het oog. Men zag Gods werk niet meer - de menselijke ervaringen stonden centraal en werden het een en al. In deze kringen stonden de Dordtse Leerregels hoog aangeschreven. Ontstaan als belijdenisgeschrift, dat onderscheidend sprak ten opzichte van humanistische en remonstrantse leringen, werd het langzamerhand een graadmeter van gereformeerde rechtzinnigheid (36), waardoor het een andere functie kreeg. Men kwam "tot een 'realistische opvatting van de Verkiezing', een opvatting 'waarbij de mens geacht wordt in staat te zijn uit inwendige en uitwendige ervaring tot zijn persoonlijke verkorenheid te besluiten...'. Daarmee trad een verschuiving op. De waarheid van de verkiezing werd een 'bevindelijke waarheid'.
Zo verandert de tegenstelling van geloof en ongeloof in een tegenstelling van gelovigen en ongelovigen. 'En daarmee is in beginsel de idee der kerk reeds prijsgegeven'." (41). Ook de Dordtse kerkenordening, de D.K.O., had een grote plaats. In 1816 was de kerk gereglementeerd en de D.K.O. was daarmee buiten spel geplaatst. Maar vanaf 1618/9 had toch in de praktijk het zwaartepunt in de plaatselijke gemeenten gelegen en van daaruit was de kerkenorde opgebouwd. Zulk een herstel stond hoog in het vaandel van de Bond. In aansluiting daaraan werd ook de Dordtse liturgie beklemtoond, bijzonder (en terecht) om de invloed van de evangelische gezangen te weren.
Tenslotte waren er "de vaderen", de mannen die in de 17e en 18e eeuw terugriepen naar de rechte dienst des Heren. De door hen nagelaten bundels preken werden verslonden en ze hadden gezag, soms méér dan het Woord zelf. In heel de 75-jarige periode van de Gereformeerde Bond spelen deze factoren een rol, zij het plaatselijk zeer verschillend.
Rectificatie "Beproefde trouw" (2): In het nummer van 16 april is een regel uitgevallen (laatste kolom, blz. 127). Op ongeveer 1/3 van onderen dient gelezen te worden: "En wat de leer betreft, de (gereformeerde) formulieren van Dordt waren wel in naam basis voor de kerk ... ". Op blz. 128 moet in kolom 3 het woord "ambtsdragers" worden vervangen door "collega's”.