Over het "Wilhelmus" (3)
1982-05-14
De vorige keer hebben we o.a. geconstateerd, dat strofe 8 het hart van ons volkslied is. Daarom zal ik beginnen met dat vers te interpreteren voordat we ertoe overgaan het Wilhelmus achter elkaar te lezen.- Jaargang 26
- nummer 19
Strofe 8 Zoals David voor Saul, die tiran, heeft moeten vluchten, zo is het mij, en met mij menig ander edelman vergaan. Maar God heeft David verheven en hem uit alle nood verlost en hem het zeer grote koninkrijk Israël gegeven. De vergelijking wordt niet verder uitgewerkt, maar is voor de toenmalige hoorders natuurlijk volkomen doorzichtig geweest: En zoals David een koninkrijk gegeven is, zo zal ook aan mij, Willem van Nassau, een rijk gegeven worden.
Strofe 1 Ik ben Willem van Nassau, en dus een Duitser, maar mijn vaderland (dat de Nederlanden geworden zijn) zal ik tot de dood trouw blijven. Dat heeft de Prins bewezen, toen hij enige jaren later inderdaad door een moordaanslag gedood werd. Hij noemt zich verder met zijn andere bekende titel: Prins van Oranje, en hij voelt zich absoluut onbevreesd. Hij verdedigt zich in de slotregels tegen degenen, die hem van verraad aan de koning beschuldigden: Ik ben geen verrader, ik heb juist de koning van Spanje, Heer der Nederlanden, altijd geëerd. Vergelijk hiermee de verhouding die David onderhield met koning Saul. (Vroeger stonden de klanken bloed en dood dichter bij elkaar dan nu, zodat ze best als rijmwoorden konden dienen.)
Strofe 2 Ik heb altijd het leven in de vreze Gods in acht genomen. Daarom ben ik verdreven en van mijn land en mensen beroofd (om land en luid gebracht = van land en lieden beroofd; net als nu nog: iemand om het leven brengen = iemand van het leven beroven) Dus omdat ik deed wat God vroeg, daarom ben ik verjaagd. Maar dan zal ik er ook op vertrouwen, dat diezelfde God mij als zijn werktuig gebruiken wil en mij in mijn regeerambt zal doen terugkeren.
Strofe 3 Wees geduldig, mijn onderdanen die van aard oprechte mensen zijt, want God zal u niet verlaten, .al bent u ook op dit ogenblik terneergeslagen. De Prins roept hen verder op voor hem te bidden, zodat hij hen helpen kan. Dit laatste refereert duidelijk aan 1 Timotheus 2, waar de oproep staat om te bidden voor allen die in hoogheid gezeten zijn.
Strofe 4 Dat helpen de Prins niet vreemd is, brengt hij hen in herinnering. Ik heb mijn leven en mijn goederen niet voor u gespaard, en mijn broers, met al hun voorname titels, hebben u datzelfde laten zien. Mijn ene broer, Graaf Adolf, is zelfs gesneuveld, bij Heiligerlee in Groningen (dat toentertijd een deel van Friesland was); hij wacht in het eeuwige leven tot de jongste dag komt!
Strofe 5 Ook de Prins zelf heeft toen het meest zijn edel bloed gewaagd. Dat deed hij niet alleen als iemand van hoge geboorte, stammend uit een keizerlijk geslacht een van de Duitse rijksvorsten, als iemand die dat aan zijn hoge stand verplicht was te doen, maar hij deed dat ook, omdat hij een Christen was, die verplicht was in Gods naam voor zijn onderdanen op te komen.
Strofe 6 In dit vers is plotseling het Wilhelmus niet meer een toespraak van de Prins tot andere mensen, maar het is een innige aanroeping tot God. Het is een erkentenis dat de Prins de strijd niet aankan in eigen kracht, maar dat God zijn schild is, en daarom: "verlaet mij nemmermeer". Laat mij toch vroom (dat is tevens: dapper) blijven, elk uur in uw dienst, zodat ik de tirannie, die mijn hart door en door verwondt, verdrijven kan.
Strofe 7 Het gebed wordt vervolgd: Wil toch, 0 God, mij, Uw trouwe dienaar, bewaren tegen hen die mij benauwen en vervolgen, anders kan ik immers het mij opgedragen werk niet volbrengen.
Laat ze mij niet met hun kwade bedoelingen overvallen en hun handen niet in mijn onschuldig bloed wassen.
Strofe 9 Maar na het zure van al de beproevingen die wij hier en nu ondergaan, zal ik van God mijn Heer het zoete van de
overwinning en de terugkeer ontvangen. Daar verlang ik naar: Dat is dat ick mach sterven Met eeren in dat Velt, Een eeuwig Rijck verwerven Als een ghetrouwe Helt.
Hoe hebben we het nu? Wil de Prins maar het liefste sterven en in de hemel zijn? Nee nee, dat staat er niet; hij betuigt juist opnieuw, dat hij bereid is ten strijde te trekken, en als hij dan zou sterven als een getrouwe held, dan zou hij toch met ere gesneuveld zijn en de hemelse heerlijkheid zou zijn deel zijn. Hij wil niet stil blijven afwachten en tenslotte in alle rust zonder deel te hebben gehad aan de vrijheidsstrijd, sterven, maar integendeel, hij wil heldhaftig meedoen in de strijd.
Strofe 10 De Prins betuigt in dit couplet zijn grote medeleven met de burgers in het vaderland. In mijn tegenspoed is er niets waarmee ik meer erbarming heb dan met het feit, dat ik de goede landen van de Koning, dat zijn de Nederlanden, zo zeer zie verarmen.
Wat heeft de onderdrukking door Alva in deze paar jaren sinds 1568 niet teweeggebracht: u bent verdreven en gevlucht, het land bleef onverzorgd achter. Als ik eraan denk hoe de Spanjaarden u, o edel en zoet Nederland, krenken, dan bloedt mijn edel hart.
Strofe 11 Weer een herinnering: Ik heb temidden van mijn legermacht, te paard gezeten, de slag met die laatdunkende tiran Alva verwacht. Maar die had zich, bevreesd voor mijn krijgsmacht, bij Maastricht ingegraven, terwijl men mijn ruiters zeer moedig door het veld zag draven.
Strofe 12 Prins Willem spreekt hier zijn geloof in Gods leiding uit. Als het de wil des Heren toen geweest was, dan had ik graag deze storm, deze beroering van u willen afweren. Maar de Heer van hierboven heeft dat niet gewild; Hij regeert alle dingen en daarom moeten we Hem ondanks alles blijven loven, al begrijpen we zijn leiding niet.
Strofe 13 In alle tegenspoeden ben ik echter standvastig gebleven; mijn vorstelijk hart dreef mij daartoe. Zoals u (zie strofe 3) heb ook ik uit het diepst van mijn hart gebeden, dat God mijn zaak in orde brengt en mijn onschuld aan het licht brengt. (In het Liedboek staat als laatste woord "oorkond". Dat lijkt onjuist te zijn; misschien kreeg het de voorkeur vanwege het rijm. In het oorspronkelijk staat er "bekant".)
Strofe 14 Op grond van het eerste woord van dit vers meende men wel het lied in 1568 te moeten plaatsen: Oorlof (een afscheidsgroet) na de nederlagen in dat jaar, als de Prins weer uitwijkt naar het buitenland. Maar dat klopt niet met andere delen van het lied; b.v. stro 12 "op dien tijd", stro 10 de verarmde landen, en ook niet met de hele strekking van het Wilhelmus.
In de rederijkerspoëzie van die tijd kwam er vaak een afscheidsstrofe voor, nl. het afscheid tussen dichter en lezer of toehoorder. Een andere opmerking bij dit couplet nodig, is, dat het Wilhelmus in eerste instantie geschreven is voor de ballingen in Duitsland als propaganda voor de Prins. Vandaar dat we het als volgt moeten lezen: Mijn arme verstrooide schapen, die in grote nood zijt, uw herder zal niet slapen, d.w.z. Ik, uw Prins Willem, ben al druk bezig met de bevrijdingsplannen.
Vertrouw op God en neem zijn woord aan, leef als dappere Christenen, dan zal het hier (= in Duitsland) spoedig afgelopen zijn en dan gaan we terug naar het vaderland. (Iemand heeft er op gewezen, dat we deze zin daarnaast zouden kunnen opvatten in de betekenis van Marnix' lijfspreuk "Repos Ailleurs" = de rust is elders.)
Strofe 15 Zoals ik al eerder schreef, in deze strofe herhaalt de Prins datgene waarmee hij het lied opende. Ik heb nooit de koning veracht, dat kan ik voor God belijden. Maar (dan = maar) ik belijd tevens dat ik God, die de hoogste Majesteit is, hoger nog dan de koning, naar recht heb moeten gehoorzamen. Zo is dit laatste couplet een belijdenis geworden van gehoorzaamheid aan God, meer dan aan mensen.
In een slotartikeltje wil ik nog ingaan op een paar andere zaken rond het Wilhelmus, zoals het Christelijk karakter en de taal.