Bij de dood van een dichter
1982-05-21
Henk Langerak is niet meer, zo meldde een telefoontje vanmiddag. Nauwelijks als redacteur van dit blad afgetreden - om gezondheidsredenenis het einde daar. Verwacht en toch te vroeg.- Jaargang 26
- nummer 20
September 1979 werd hij als mederedacteur bij onze lezers ingeleid. Zijn werk was onder ons voordien al bekend; nu kwam het vrij regelmatig.
In 1979 waren het 7 artikelen, in het volgende 15, in het laatste jaar 14. Dat zijn 36 goedgeschreven bijdragen in ruim twee jaar tijd. Plus zijn aandeel in de redactionele gesprekken. Langerak heeft er zich niet van afgemaakt.
Die artikelen behandelden, zoals u weet: dichters. Hun dichtwerken, hun gedachten achter hun woorden. Om een dichter te verstaan moet je wel zelf dichter zijn. Want een dichter is iemand die veel denkt en weinig schrijft. Maar die dan ook in zulke zwaargeladen volzinnen kan schrijven, dat je het geschrevene maar langzaam moet verteren. Men zou willen zeggen: iemand die met zijn hart denkt.
Henk Langerak bracht ons uiteenlopende dichters naderbij: de ouderen zoals Gezelle, Geerten Gossaert en Bloem; de latere generatie als Achterberg, Muus Jacobse, Nijhoff; tijdgenoten als Bert Voeten, Ida Gerhardt, Annie Pansier, Presser, Martha Marijs-Visser, Jan Wit, Corne1is Goslinga.
Wie zijn kolom las weet, wat wij in hem veloren hebben. Een voorzichtige en bescheiden broeder.
Langerak sprak niet in geheimtaal, maar maakte dichterstaal leesbaar voor ongeletterden. Zijn hele persoonlijkheid was daar op ingesteld. Van huis uit conventioneel calvinist, had hij tegelijk dat spirituele, intuïtieve element, dat op naïeve wijze, klaar en helder, de gedachten achter het verbale pantser blootlegt. Zijn blauwe kinderlijke ogen spraken de taal van zijn hart.
Ik weet dat ik niet de enige ben, die dikwijls een traan van ontroering wegslikte bij het luisteren naar zijn bewogen trant. Hij stalde immers kostbaarheden uit, goede woorden op hun pas gesproken; gouden appelen in zilveren gebeelde schalen, zei Salomo. Zelf gegrepen door zijn dichters kon hij ons grijpen en meenemen. Allerminst kritiserend, lieve prijzend wat hij aan schoonse tegenkwam, mocht hij zijn kinderlijke blijdschap zo graag met ons delen. Daar heeft hij goed aan gedaan.
Het moet u als mij zijn opgevallen, hoe zeer deze dichter met de dood vertrouwd was. Verscheidene malen stond hij stil bij Marsman's verzen, die de eigen dood voorzagen; bij de dichter en zijn dood; dichters over de begrafenis van een dichter; Presser's ontroerende gedichten over zijn vermoorde vrouw. Een dichter ziet verder dan een doorsneemens: ziet dit leven begrensd tussen geboorte en dood. En weet daarin, als hij Henk Langerak heet, zich veilig en geborgen. Ook verzekerd van het nieuwe leven in Jezus Christus. Want God heeft het eerste en het laatste woord. De dichter Jan Wit schreef in nummer 1 van het Liedboek voor de kerken zijn prachtige nieuwjaarsvers, door Langerak geciteerd:
God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.
God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen,
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.
God heeft het laatste woord.
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.
God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.