Beproefde trouw (7)

1982-05-21
  • Jaargang 26
  • nummer 20
10.Kerkherstel/kerkopbouw
In de 75 jaar van zijn bestaan is de Gereformeerde Bond telkens opnieuw geconfronteerd met de moeiten in het Ned. Hervormde kerkgenootschap. Vanuit de eigen positie (de strijd om het gereformeerd karakter van de kerk), zowel als vanuit de activiteiten van anderen, die de Bond tot positiebepaling dwongen. Daaraan is in het boek, dat we bespreken, bijzonder aandacht besteed door ds. C. den Boer, die zijn bijdrage de sprekende titel gaf "Een gereorganiseerde kerk een gereformeerde kerk? (Het functioneren van de belijders door de jaren heen)". Nadat hij aandacht gaf aan de strijd van de richtingen in de vorige eeuw, beschrijft hij het gebeuren in deze eeuw. Er is onvrede bij ieder. De N.H. kerk is een administratief-organisatorisch geheel en meer niet. Dan komt er in 1929, mede door de bemoeienis van de Confessionele vereniging, een reorganisatie-ontwerp op de synodetafel, waarin het belijdend karakter van de kerk meer nadruk ontvangt dan ooit tevoren en voor tucht, bij ernstige ondermijning van de grondslagen der belijdenis, plaats is.
Maar zonder dat de kerkelijke organen (gemeenten, classes e.d.) gehoord worden, gaat het voorstel weer van tafel.
Gevolg daarvan is o.m. dat in 1930 het "Nederlands verbond tot kerkherstel" tot stand komt en daarin participeren leden van de Confessionele vereniging, van de Gereformeerde Bond en de orthodoxetischen. Dit verbond wil trachten ruimte te krijgen voor het belijdend karakter van de kerk. Een jaar later stichten rechts-vrijzinnigen en links-etischen de "Vereniging kerkopbouw".
Deze laatste wil ook "een belijdend spreken van de kerk. Maar men wil 'den inhoud onzer schoone historische belijdenis uit haar isolement verlossen en belijden in de vormen van onze eigen tijd, zodat de hedendaagsche mens ons kan verstaan'" (184/5) leder wil "belijden", maar op wat voor manier?
Kerkopbouw komt reeds in 1933 met een reorganisatie-ontwerp en het belangrijkste daarvan is wel dat daarin een terugkeer is naar een kerkorde. Afschaffing dus van de reglementen. Een belijdende kerk, echter geen belijdeniskerk. Dat zou ook moeilijk kunnen, zolang in die kring leeft wat één hunner als volgt verwoordde: "De Hervormde Kerk heeft( ... ) twee bronnen van gelijken rechte: een bijbels-humanistische en calvinistisch-reformatorische” (186). Dit ontwerp krijgt echter evenmin een kans en dat leidt er toe, dat Kerkherstel en Kerkopbouw samenwerking gaan zoeken. Resultaat daarvan is een nieuw voorstel (1937). Van fundamentele betekenis in dat voorstel is een artikel dat spreekt over "de zorg voor de belijdenis van de kerk door hervorming en handhaving, opdat het geloof der Kerk in hare verkondiging en in hare symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome" (186). In de kring van de Gereformeerde Bond komt dan een verschil van waardering over dit nieuwe stuk naar voren. Sommigen wijzen het finaal af als strijdig met de Drie formulieren van Enigheid en de handhaving ervan; anderen wijzen op positieve punten en bijzonder wel op het duidelijk stellen van "het belijden der kerk". In 1938 wijst de Hervormde synode ook dit voorstel af.

11.Een nieuwe kerkorde
Dan volgen de oorlogsjaren. De kerken spreken zich verschillende malen uit over actuele vraagstukken (over het nationaalsocialisme b.v., over het antisemitisme, over de arbeidsdienst, over de roeping van de overheid e.d.) en dat alles komt tot stand door veel (ook interkerkelijk) overleg. Mensen van verschillende
richting ontmoetten elkaar regelmatig. Ieder wil - op zijn wijze - de kerk een belijdende kerk doen zijn en velen menen er ook in te slagen. Ná 1945 gaat dit overleg binnen de Ned. Hervormde kerk door en het vindt zijn bekroning in de nieuwe kerkorde, die in 1951 het reglement van 1816 vervangt.
Ditmaal is er op synodaal niveau overeenstemming verkregen. Ds. den Boer citeert hier de uitspraak van prof. Haitjema "De Nederlandse Hervormde Kerk is herrezen om te worden, wat zij in Christus en krachtens de beloften en geboden van Zijn doop verbond tevoren reeds was: Christus-belijdende volkskerk" (196). Een krachtige uitspraak. Te verstaan in een m.i. ietwat optimistisch tegemoettreden van de nieuwe kerkorde. Immers er is sprake van belijden "in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, in gemeenschap met de belijdenis der vaderen, in besef van haar verantwoordelijkheid voor het - heden, zich strekkende naar de toekomst van Jezus Christus" (198).
En voorts staat er iets over het weren van wat haar (dit?) belijden weerspreekt. Er is opzicht en tucht vastgelegd. Maar… is reorganisatie hetzelfde als bekering? Is een (voornamelijk) organisatorisch-gewijzigd patroon van handelen en het zoeken van de HERE en van allen, die op Hem vertrouwen, identiek? De jaren ná 1951 leggen daarvan getuigenis af. De Ned. Hervormde kerk vertoont dan een grote activiteit. Vrijgestelden, diverse commissies, synodale vergaderingen studeren en laten vele geschriften verschijnen. In dit boek staan er zo'n 25 vermeld, kerkelijke of herderlijke geschiften, op het gebied van de leer, van het ambt, over de gemeente, de oecumene, samenwerking/ samengaan met de Gereformeerde kerken, over maatschappelijke en politieke vraagstukken.
De kerk meent dat "belijden" en "publiek spreken over actuele vraagstukken" hetzelfde is. Het is te verstaan dat in de kring van de Gereformeerde Bond steeds sterker aarzeling tegen deze ontwikkeling naar voren komt. Er is in al die publicaties "in steeds toenemende mate het compromis met een eigentijds denken terug (te) vinden" (201) zo heet het. "Naast en na vele tendensen, die herinneren aan de theologie van Karl Barth, zijn er de kentekenen van een modernistisch theologische denktrant. Het getuigenis van de kerk is steeds meer komen te staan in het kader van het oecumenisch-apostolaire.
En daarbij heeft de belijdenis der vaderen vaak slechts als oriëntatie, als startpunt meegedaan... Zo gezien is de oogst van het belijden in de zin van de belijdenis, in het synodale spreken van de kerk gedurende de laatste dertig jaar uiterst schraal". (202) Als de schrijver de vraag stelt of de N.H. kerk sinds 1951 haar belijdend karakter en gehalte hervonden heeft, antwoordt hij: "Die vraag blijft bij ons zwaar wegen. In de Kerkorde van 1951 is ons een leefruimte gegeven voor een Schriftgebonden, verbondsmatig en theocratisch kerkelijk leven.
Maar de verwachting, door die kerkorde geschapen, wordt door ontelbare feiten uit de geschiedenis van de laatste dertig jaar aangevochten.
Is het werkelijk gekomen tot zo'n kerkelijk leven? (... ) het belijden in de zin van de klassieke belijdenis is duidelijk op retour gekomen". (202) We verstaan dat en herinneren ons de in 1967 verschenen "Open brief" en het in 1971 gegeven "Getuigenis", stukken waarin grote zorg tot uitdrukking komt over de koers, die de synodale organisatie uitzet. Beide stukken zijn niet specifiek uit de Gereformeerde Bond afkomstig, maar wel met medewerking van velen uit die Bond opgesteld.
De "richtingen" zijn in 1951 verdwenen; de situatie is niet gewijzigd, want "modaliteiten" kwamen er voor in de plaats. Sindsdien is ook de zgn. midden-orthodoxie opgekomen en zij ontwikkelt grote kracht. Zij is "een vermenging van confessionalisme, barthianisme en vrijzinnigheid (... ) en predikt volgens de schrijvers van de Open Brief een algemene genade, geen genade als vrijmachtig soevereine daad Gods. Zij wil niet weten van een spanning tussen ware en valse kerk, van strijd tussen waarheid en leugen, van een prediking, die averechts staat op het levensgevoel van de moderne mens". (205/6). De schrijver concludeert ten slotte: "Ziende op de feiten, zijn onze verwachtingen van een voortgaande reorganisatie niet hooggespannen.
Maar ziende op onze overste Leidsman Jezus Christus, hebben wij verwachtingen van een doorgaande reformatie en zo ook van een voortgaand herstel van de kerk in haar geheel en in haar georganiseerde vorm. (... ) Zolang de Nederlandse Hervormde Kerk leefruimte is voor allen, die het drievoudig 'sola' van de Reformatie willen belijden (alleen de Schrift, alleen de genade, alleen het geloof) zolang hebben wij hoop voor haar, dat zij ook meer en meer wordt, wat zij naar haar wezen is: een heilige vergadering van ware christgelovigen... " (215).
Een verantwoord idealisme? Of beter gezegd: een geloof naar de Schriften? Wél een motief voor het voortbestaan van "De Bond", dat wel. Maar of het trouw, beproefde trouw is, lijkt op z'n zachtst gezegd, ter discussie gesteld te kunnen worden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief