De golfbeweging van het diaconaat

1982-05-21
  • Jaargang 26
  • nummer 20
(Tekst van de toespraak, gehouden op de diaconale conferentie te Wezep, 12 december 1981)

Inleiding
De kans is groot, dat anderen in de beklaagdenbank komen te zitten. Dat gevaar is niet denkbeeldig, als je met diakenen gaat praten over de verhouding tussen het diaconaat en het pastoraat.
Dat kan tegenwoordig heel makkelijk nu het diaconaat de laatste - zeg maar 15 jaar - in een periode van heroriëntatie zit. Proef ik het goed bij diakenen, dan voelen ze zich soms in een hoekje gedrukt; en ze willen daaruit. Ik heb als taak opgekregen wat van die verhouding tussen het diaconaat en het pastoraat in de geschiedenis te laten zien. Ik hoop, dat u met mij ontdekt, dat het met het diaconaat als met de golven van de zee op en neer is gegaan.
Het zat soms in een diep dal; dan weer steeg het tot grote hoogten. Maar beweging zal er altijd al in.
Ook mag duidelijk worden uit de kerkgeschiedenis, dat een goed diaconaat altijd voortkomt uit het leven bij het Woord van God in al zijn aspecten. De reformatie èn de deformatie van de kerk heeft ook zijn invloed op het diaconaat.

Nog een inleidende opmerking hier min of meer mee verbonden: je zou de oorzaak voor het gevoel, dat je met je diaconale werk niet zo goed uit de verf komt, óók bij jezelf kunnen gaan zoeken. Ik zeg niet, dat je dat nooit moet doen. Maar ik denk, dat het dieper zit. Niet het diakenambt op zichzelf is in het geding: het diaconaat van de gemeente staat op het spel.
Het diaconale gevoel van de gemeenteleden is niet sterk. En wij zijn zelf ook gemeenteleden.
Wij delen daarin. Het diaconaat wortelt in het algemeen niet zo best in de gemeente.

Dat nu zie je ook in de kerkgeschiedenis. Daarom zal ik me niet beperken tot het diakenambt in verhouding tot het pastorale ambt in de kerkgeschiedenis. Natuurlijk ook vanwege de fundamentele reden, dat je "het ambt" nooit op zichzelf mag zien, omdat dat de leden heeft toe te rusten tot dienst. Ik hoop dan ook veel meer de blik te richten op het diaconaat en het pastoraat van de gemeente. Er is altijd een wederkerigheid tussen ambt en gemeente.

Ik moet nog een beperking maken: ik ben geen kerkhistoricus. Ik ben alleen iemand, die hevig in het diaconaat geïnteresseerd is. Mijn verhaal heeft daarom geen kerkhistorische pretenties.
Bovendien zal het beknopt moeten: ik zal met zevenmijlslaarzen door de kerkgeschiedenis draven en zo af en toe op markante punten blijven stilstaan.

1. De tijd na de apostelen: "De diaken naast de bisschop"

100-300 na Christus

Vanuit het Nieuwe Testament kun je met een gerust hart beweren, dat het diaconaat een nauwe band heeft met het pastoraat. Alleen al vanuit de eenheid van het werk in de gemeente, wat weer wortelt in de eenheid van het werk van Christus. Toch is er onderscheid tussen diaconaat en pastoraat.
Dat is ook in de eerste tijd nog duidelijk te zien. De kerk brengt de boodschap van de verlossing in de wereld. Overal komen er nieuwe gemeenten. En overal moet men het gemeentelijke leven opbouwen. In "Het onderwijs van de Twaalf Apostelen" (begin 2e eeuw) wordt aangedrongen om "opzieners en diakenen" te kiezen.
En hun dienst wordt gezamenlijk "die van profeten en leraren" genoemd.
Hier is de eenheid dus ondanks onderscheid nog aanwezig. De samenwerking staat voorop. Ignatius schrijft in deze tijd, dat er alleen maar een bisschop kan zijn samen met presbyters en diakenen. In bijna elke gemeente waren er diakenen. Hun voornaamste taak was de zorg voor de armen. Met verloop van de tijd kwam de diaken echter steeds dichter bij de bisschop te staan. Ignatius b.v. (die ca. 117 na Chr. gestorven is) noemt de diakenen kenmerkend "mijn mededienaars" . De taak van de bisschoppen is preken en dopen; de ouderlingen of presbyters moeten het woord uitleggen; maar de diaken wordt steeds meer de dienaar van de bisschop.
Eerst is dat alleen het helpen bij de viering van het Avondmaal. Zoals we daarvoor ook de wortels in het Nieuwe Testament vinden (Hand. 6). Clemens schrijft in het begin van deze 2e eeuw, dat de diakenen ook voor de zieken, vreemdelingen, wezen en weduwen moeten zorgen. Ze moeten zelf opsporen waar nood is.
Daarbij hebben ze zich niet beperkt tot de leden van de gemeente.

Tot ca. 150 blijven de verhoudingen goed. Het onderscheid blijft bestaan. De ambtsdragers hebben elk hun eigen verantwoordelijkheid. Maar daarna kom je uitdrukkingen tegen, die te denken geven. De diaken wordt b.v. "mond, hart en ziel van de bisschop" genoemd. De diaken wordt dus ondergeschikt aan de bisschop.
Dit zijn de eerste tekenen van de kerkelijke hiërarchie, waarbij de ambten niet meer gelijk zijn; maar de een hoger dan de ander. Justinus zegt b.v., dat de bisschop de leiding heeft over de diakenen en hun werk van verzorging van de behoeftigen. Zo is ook bij de viering van het Avondmaal de diaken ondergeschikt: de diaken mag niet dopen, zegenen en offeren, schrijft de "Apostolische Constitutie"; nee, "als een bisschop of een presbyter geofferd heeft, dan mag de diaken het sacrament aan het volk geven, niet als een presbyter, maar als een die hen dient." Die onderschikking gaat ook opvallen bij de inwijding van de diaken: alleen de bisschop legt de handen op en niet de presbyter, want de diaken is de dienaar van de bisschop. De diakenen mogen ook niet meer deelnemen aan de vergaderingen van de geestelijken; hij moet aan de bisschop melden, als hij nood geconstateerd heeft. Kortom, het diakenambt is in gevaar.

2. De diaken als leviet van de priester

300-500 na Christus

Van Dongen (Diakonia/Charitas) zegt, dat de kerk koos voor het dubbele spoor van de "dienst der liturgie" en de "dienst der liefde"; dat is dus een verstrengeling van de liturgische en de praktisch-sociale onderdelen van het diaconaat. Maar - vervolgt hij - dit spoor "werd helaas spoedig verlaten voor de monorail van de liturgie, waarop het diaconaat al spoedig strandde, zodat de zorg voor de naaste een geïsoleerd bestaan ging leiden." (p. 34).
Dit nu zien we in de volgende eeuwen gebeuren. De diaken gaat steeds meer lijken op de leviet in het Oude Testament, die de priester "helpt" bij de offerdienst. U weet, dat het voor de kerk van groot belang is geweest hoe men de verhouding tussen de ambten zag. De ontwikkeling is helaas geweest, dat de bisschop de heerschappij ging voeren over de andere ambten. Op het Concilie van Nicea (325 na Chr.) wordt besloten, dat de diakenen hun werk moeten doen in gehoorzaamheid aan de bisschop, van wie zij de dienaren waren; de bisschop bepaalde de grenzen van het werk van
de diakenen. Men gebruikte daar ook voor de diakenen het woord "levieten".
Dat zou allemaal nog niet zo erg geweest zijn, als er daarnaast geen andere ontwikkelingen hadden plaatsgevonden. Offers b.v. zag men steeds minder als de vruchten van een dankbaar hart voor de redding van Christus. De gedachte van de "verdiensten" om het heil te ontvangen kwam op. De preek was niet langer het centrum van de eredienst. Het altaar nam steeds meer de plaats in van de avondmaalstafel. De bisschop werd een priester, die in de kerkdienst geholpen werd door de diaken.

Op het 4e Concilie van Carthago is veel aandacht besteed aan het diakenambt. Hun taak werd heel nauwkeurig omschreven: ze waren in de eerste plaats assistenten van de bisschop in de eredienst; in tegenstelling tot vroeger werd er niet meer gesproken over hun recht om de doop te bedienen; ze mochten catechisanten onderwijs geven, maar niet in het openbaar; als de bisschop niet preekte dan mochten ze een preek van de "vaders" lezen; ze moesten de offers van de gemeente in ontvangst nemen en die aan de bisschop presenteren; ook moesten ze voor de behoeftigen zorgen.
En dat alles in opdracht van de bisschop. Weer later gaat men zelfs bij de ambtsaanvaarding van de diaken bidden om zijn promotie tot priester, wat natuurlijk opnieuw "een bedenkelijke verschuiving" is (Van Dongen, Diakonia/Charitas, p. 35). Het diakenambt wordt tot een soort laagste sport op de ladder. Hij verwordt tot leerling-priester. U moet hieruit niet concluderen, dat er niet meer voor de armen gezorgd werd. Er is in deze jaren veel gegeven. In de rijkskerk komt ook steeds meer de gedachte van de askese op: men geeft gaven aan de armen; duizenden worden geholpen.
Chrysosthomos vertelt, dat in zijn tijd niet minder dan 3000 weduwen in het district van Antiochië worden ondersteund. Alleen, het diaconaat krijgt een ander motief èn daarmee ook een ander doel: men doet het ter wille van de verdienste voor God; en men poogt dus niet de armen er bovenop te helpen; de armen bleven arm óf zij wilden arm blijven, want als je arm was had je een verdienste, zodat je vergeving van zonden ontving. Dat de dienst van de diakenen zo intussen fundamenteel anders is geworden, dat begrijpt u. Er is geen greintje zelfstandigheid meer over.
Hij is achter de brede rug van de bisschop verdwenen.

3. De middeleeuwen: Ook het kerkelijke diaconaat deformeert!
Omdat de volmacht van de priester/bisschop steeds groter werd, bleef er voor de diaken slechts de eredienst over. Het is heel typerend, dat ook de diaconale zorg van de kerk steeds meer gaat ontbreken. Want u mag daaruit niet concluderen, dat er geen zorg aan de armen besteed wordt. Die zorg was er zeker wel. Alleen, dat werd iets van de privésfeer. Er ontstaat een soort particuliere liefdadigheid (Paul Philippi, p. 20). Men hielp de armen niet alleen uit liefde tot de naaste, maar omdat er verdiensten nodig waren om zalig te worden.

In de 6e eeuw zijn er nog een paar concilies die oproepen om de armen te verzorgen. Daarna komen de oproepen tot dienstbetoon van een andere kant: Karel de Grote en zijn direkte opvolgers b.v. Weer later komen de "leken" op voor de armenzorg. Daarna openden de kloosters op vele plaatsen ziekenhuizen e.d. Religieuze ordes namen de zorg voor de behoeftigen op zich. Er is erg veel gedaan in deze barre jaren met grote ellende en veel armoede. Maar de diaken deed er niet meer aan mee.

In de late Middeleeuwen krijgen de "steden" steeds meer betekenis. De rijke burgerij gaat voor de armen zorgen. De kerkelijke diaconie wordt op het "raadhuis" bestuurd. De wereldkerk met het pausdom aan het hoofd heeft afstand gedaan van de kerkelijke diaconie. De diaken is helemaal uit het zicht verdwenen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief