Wederdoper, Menisten, Doopsgezinden

1982-05-21
  • Jaargang 26
  • nummer 20
Wederdoper, Menisten, Doopsgezinden
Uitgave: De Walburg Pers, Zutphen, 1980
288 blz. - Prijs f 36,50

Ruim een jaar geleden herdacht de Doopsgezinde Broederschap in ons land haar 450-jarig bestaan. In het kader van de feestelijkheden werd een vrij kleine, maar overzichtelijke en interessante tentoonstelling gehouden, in het Rijksmuseum Catharijneconvent in Utrecht.
Een groot deel van de informatie die op die tentoonstelling geboden werd, en nog heel wat meer stof, wordt ook aangeboden in het boek dat dezelfde titel draagt als de expositie.
Om maar meteen een zeer lovend eindoordeel uit te spreken, zelden zie je in deze tijd een boek van deze kwaliteit en uitvoering voor zo'n lage prijs. Ik zou wel wensen dat er over onze reformatorische gezindte een boek bestond dat in woord, beeld en overzichtelijkheid kan wedijveren met dit werk, maar het is er niet, geloof ik. Hulde dus aan de Walburg Pers, die (waarschijnlijk met subsidie) dit kloeke gebonden boek op de markt heeft gebracht.
Wat meer over de inhoud. De eerste 3 (van de 13) hoofdstukken behandelen de Wederdopers van de 16e eeuw. Na deze summiere beoordeling van het totaal wat aandacht voor details.
De eerste 3 (van de 13) hoofdstukken behandelen de groeperingen rond de vroegere Dopers.
Van de 16e eeuwse vertegenwoordigers van de "radicale vleugel der reformatie" komen met name Melchior Hoffhann, David Joris en Menno Simons voor het voetlicht.
In volgende hoofdstukken wordt gesproken over de ontwikkelingen in de zeventiende eeuw (o.a. over de "Lammerenkring") en de vorming van Sociëteiten in de 18e eeuw. Interessant is het te lezen over tegenstellingen in Doopsgezinde kring, over de vraag of predikanten wel of niet een formele opleiding dienden te hebben, te horen hoe de geweldloosheid van de doopsgezinden zich manifesteerde.
Ook is het nooit weg te weten dat Jan van der Heyden (o.a. uitvinder van de brandspuit en grondlegger van het brandbluswezen) doopsgezind was, en dat b.v. ook Betje Wolff en Agje Deken in dit milieu zeer goed bekend waren. Verder informatie over Vondel en Jan Luyen, alsook over de Teylersstichting en de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die in deze kring ontstonden.
Aan de laatste twee eeuwen wordt uiteraard ook ampel aandacht geschonken.
We lezen over "doopsgezinden, de economie en de demografie" (hoofdstuk 11), de "wisselwerking tussen de doopsgezinden en de omringende wereld" (hoofdstuk 12) maar ook over "het dopers vredesgetuigenis" in verleden en heden, een steeds weer actuele zaak.
Het gaat te ver om een uitvoerige inhoudsopgave te doen of veel te citeren. Mijn eigen respons als maatstaf nemend, meen ik dat heel wat lezers aan dit boek veel plezier zouden kunnen beleven, mits ze in de vaderlandse kerkgeschiedenis geïnteresseerd zijn én niet al behoorlijk bekend zijn met de doopsgezinde inbreng op het kerkelijke en culturele erf. Voor mensen die zulke kennis wél bezitten, zal het boek inhoudelijk weIIicht niet veel nieuws te bieden hebben, al blijven de zeer talrijke illustraties ook voor hen zeker de moeite waard. Is men, zoals deze recensent, niét bijzonder goed in doopsgezinde kring ingevoerd, dan is lezen van dit boek een uiterst plezierige en (relatief) goedkope manier om deze gemeenschap beter te leren kennen.
Ik heb wel enige kritiek. Zo vind ik het jammer dat de verschillende scribenten niet allemaal dezelfde "schaal" hanteren. De eerste drie hoofdstukken geven veel meer detail over de personen en groepen dan de erop volgende hoofdstukken. Zodat ik meen de ontwikkelingen in die eerste tijd veel beter te kunnen volgen dan gebeurtenissen
in de zeventiende en achttiende eeuw, die soms (te?) globaal behandeld worden. Zo had ik graag meer inzicht willen hebben in de neiging tot rationalisme die de doopsgezinde sociëteiten, naar eigen erkenning, in die tijd heeft gekenmerkt.
Wat is de continuïteit tussen die radicale 16e eeuwse dopers en de veelal gegoede en wat liberaal denkende doopsgezinden van twee eeuwen later? Ik heb daar niet zoveel antwoorden gevonden en dat spijt me. Als ik lees (pagina 78) dat "de Geest van de Verlichting zich (bij vele leden) doorzette", maar er ook "een tegenstroming van het Piëtisme bestond", dan zou ik graag vernemen wat toentertijd dan precies het samenbindend element in de doopsgezinde kring vormde. Ik lees daarover echter weinig. Of is de opmerking, op dezelfde pagina, "in beide stromingen kwam dus 'accent te liggen op de subjectiviteit, op de vrijheid van de enkeling en niet meer op het geheel van de gemeente en de daarin bewaarde confessies en gebruiken" het antwoord?
Dan had ik dat graag uitgewerkt gezien. Mis ik hier en daar wat zicht op de continuïteit van de doopsgezinde historie - al is "het vredes getuigenis" in deze bijvoorbeeld wel genoemd - dat neemt niet weg dat er in elk hoofdstuk heel wat informatie geboden wordt over de doperse tak van het Nederlandse christendom. Ik herhaal het nog eens, ik heb het boek met plezier gelezen en bekeken en al doende heel wat geleerd. Ik herhaal het: een compliment voor schrijvers en uitgever.
Wat die laatste betreft, er zullen meerdere lezers zijn die de Walburg Pers niet kennen. Een bijgeleverde brochure leerde me dat deze uitgeverij zich vooral specialiseert in regionale geschiedenis en aspecten van de geschiedenis. Ik denk dat degenen die meer inlichtingen over uitgaven wensen, zeer welkom zijn.
Het adres: Postbus 222 - 7200 AE Zutphen Tel. 05750 - 1 05 22

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief