Over bekering en verwante woorden

1981-12-18
  • Jaargang 25
  • nummer 46
Het spreekt vanzelf, dat in dit artikel slechts enkele kanttekeningen geplaatst kunnen worden. Ik ga er vanuit, dat algemeen bekend is, dat het woord bekering betekent: terugkeer of omkeer. Als iemand merkt dat hij op een verkeerde weg is of in een verkeerde richting gaat, gaat hij haastig terug op z'n schreden. Anders bereikt hij immers zijn doel niet. Zo gaat dat tenminste in het dagelijkse leven. Maar zo moet het ook toegaan in onze wandel met God en met de naaste. Of het werkelijk zo toegaat, is een andere vraag. Als ik bij het licht van Gods Woord en Geest tot de gevolgtrekking kom: m'n gedachten of m'n woorden of m'n daden zijn verkeerd, dan moet ik m'n gedachten veranderen. En verbeteren wat ik miszegd heb. En m'n daden richten naar aanwijzing van het Evangelie.

Onder het Oude Testament is het oude volk telkens weer afgeweken van de weg, die de HERE had gewezen. Telkens diende men afgoden. Men boog zich neer voor zon en maan. Vereerde de Baäls of vruchtbaarheidsgoden.
Verviel tot heidense godsdiensten. En dan traden profeten in naam des HEREN op, die het volk opriepen tot bekering, d.w.z. tot terugkeer naar de in de wet voorgeschreven tempeldienst. En heel de dienst van de HERE, die daarmee samenhing. Onder leiding van een vrome richter of koning bekeerde zich soms heel het volk. Maar dat was vaak meer schijn dan werkelijkheid. Men keerde wel terug tot de oude vormen. Men offerde wel als vanouds, riep vastendagen uit enz. Maar het ging niet van harte.
Dan vermaanden profeten het volk om met gebroken harten en verslagen geest echt tot de HERE terug te keren. Om zich te bekommeren om slaven en armen en onderdrukten, weduwen en wezen. Om dus niet maar oude vormen te herstellen, doch naar alle inzettingen van de HERE te leven. Zoals we lezen in Micha 6: 6-8: "Waarmede zal ik de HERE tegemoet treden en mij buigen voor God in de hoge? Zal ik Hem tegemoet treden met brandoffers, met éénjarige kalveren? Zal de HERE welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn schoot voor de zonde van mijn ziel? Hij heeft u bekend gemaakt,o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God". En waarschuwing voor alle tijden. Er is nog een vormen dienst, een zich houden aan aloude gewoonten, die met de werkelijke dienst van de HERE weinig of niets te maken hebben.

Als in de dagen van Johannes de Doper Israël tot een leven uit de wet is vervallen en het onder leiding van Schriftgeleerden en Farizeeën zich aftobt om door middel van menselijke inzettingen Gods gunst te verdienen, dan roept hij op tot verootmoediging en bekering. En wie aan zijn oproep gehoor geven, doopt hij in de Jordaan met de doop der bekering tot vergeving der zonden. En wijst z'n leerlingen op het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Die. met de Heilige Geest en met vuur zal dopen. En dan roept de Heiland de scharen weg van achter de Schriftgeleerden en Farizeeën. Zij immers leggen lasten op die te zwaar zijn om te dragen.
Hij roept tot zich allen, die moe zijn van het dragen van die zware lasten, Zijn juk is zacht en zijn last is licht.

Bekend is verder de bekering van Paulus. Hij werd door een bijzondere ingreep van de Here van vervolger van de gemeente tot een ijveraar voor het Koninkrijk Gods. Er zijn, wie weet hoevelen, die van mening zijn dat zulk een ingreep door de Here voor allen nodig is. Maar dat heeft Paulus nooit verkondigd. Noch aan Joden noch aan heidenen. Hij heeft Christus gepredikt, de levende Heiland, die dood is geweest, maar leeft in eeuwigheid.
En in Zijn naam heeft Paulus aangedrongen op geloof. Het Evangelie was volgens hem een kracht Gods tot zaligheid, voor ieder die gelooft.
Eerst voor de Jood maar ook voor de Griek (Rom. 1 : 16). Hij verkondigde het Evangelie voor alle schepselen, met bevel van geloof en bekering.
En zo komt het Evangelie nog tot alle creaturen. De Geest dringt door het Woord tot geloof en bekering, maar wij zullen geloven en ons bekeren. God geeft het, geloof en bekering zijn Gods gaven. Maar die gáven zijn voor ons ópgaven!

Joden en heidenen werden en worden opgeroepen tot een radicale bekering van ongeloof tot geloof, van een heidens of joods leven tot een christelijk leven. Moeten nu alle leden van een kerk opgeroepen worden tot zulk een radicale omzetting van hun leven, groot en klein? Er zijn voorgangers en volgelingen die het zo voorstellen en zo doen. Een bekende evangeliste in Kampen vroeg aan iedereen, die haar passeerde: zijt gij bekeerd? En zij bedoelde daarmee vermoedelijk: zijt ge radicaal veranderd?
Als iemand heidens geleefd heeft en leeft, dan moet hij of zij zich radicaal bekeren. En als iemand joods heeft geleefd. d.w.z. naar menselijke inzettingen, om zo Gods genade te verdienen, dan is zulk een grondige omkeer ook nodig. En beide kan gebeuren met hen, die een christelijke opvoeding hebben gehad. Maar geldt dat van allen? Als iemand van jongsafaan de HERE heeft gevreesd en naar aanwijzing van het Evangelie heeft geleefd in oprechtheid van hart, moet die verontrust worden door de gedachte
dat hij zulk een grondige omkeer niet beleefde? Maar Timotheus dan?
Die van kindsbeen af in de Schriften was onderwezen door Moeder en Grootmoeder? Het antwoord is wel duidelijk. En zulke Timotheussen zullen er toch nog wel zijn? Als zulke broeders en zusters worden opgeroepen om zich radicaal te bekeren, dan gebeurt dat ten onrecht. (Tegenwoordig zegt men: onterecht. Ten onrechte, dunkt mij.) Als iemand door een bijzondere belevenis of ingreep van de HERE is geroepen uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, dan zal ik niet zeggen dat dit niet waar is. Maar als iemand dat tot een "wet" verheft en beweert dat iedereen zo iets moet beleefd hebben, dan zeg ik hartgrondig neen!

Maar kan het niet voorkomen dat "vrome" voorgangers en hun volgelingen zich grondig moeten bekeren? Een radicale omkeer moeten maken?
Naar mijn overtuiging kán dat niet alleen wel eens voorkomen, maar komt het voor. Ook in onze tijd. Daar moeten we niet van schrikken, want de Here Jezus deed het in Zijn dagen met Schriftgeleerden en Farizeeën.
Dat waren "vrome" mensen, door hele scharen vereerd. Maar de Heiland heeft hen bestreden op een felle manier. Hij noemde hen huichelaars en witgepleisterde graven en volksverleiders, die anderen zware lasten oplegden, maar ze zelf met geen vinger verroerden.
Nu bedoelde de Heiland met "huichelaars" niet, dat zij tegen beter weten in zo handelden als zij deden. Dat woord had een andere betekenis dan wij er onder verstaan. Nicodemus deed zich niet anders voor dan hij was en dat hoeven we van andere Schriftgeleerden niet aannemen. Maar erg was het wel, wat zij deden. Hun vroomheid was verziekt. Zo is er ook vandaag naar mijn overtuiging nog verziekte vroomheid. Die is er m.i. wanneer men leeft, niet naar aanwijzing van het Evangelie, maar naar menselijke inzettingen en overlevering, waar niet de prediking van het Evangelie voorop staat, maar waar met banbliksems wordt geslingerd.
Wat de hoorders ook nog graag zo horen. Een broeder zei indertijd tegen mij, dat hij graag naar zulk een dienst ging, waar hij kon griezelen. Ik stel mij voor, dat men zo in de bioscoop kan zitten griezelen als er een griezelige oorlogsfilm wordt gedraaid. In die kringen leeft men naar strakke regels: een zondagsviering, die meer een last dan een lust is.
Daar leeft men naar menselijke wetten: geen T.V., geen nieuwe berijming.
Liefst geen eigentijdse vertaling van de bijbel. Een wet van: alles moet bij het oude blijven. Naar mijn overtuiging moet zulk een verziekte vroomheid zich grondig bekeren. Natuurlijk niet om nu naar een wet te leven van: wél een T.V. en wél een N.V. enz. Wat mij betreft mag men best de T.V. uit z'n huis houden enz. Maar als men daarvan een wet maakt, dan staat men niet in de vrijheid die Christus ons gunt. Nu ben ik mij wel bewust dat anderen van mij zullen zeggen, dat ik mij grondig moet bekeren. Een jongeman van 16 jaar zei eens tegen mij, dat hij niet naar mij wilde luisteren, omdat ik nog onbekeerd was. Dat was die jongen vanzelf voorgezegd. Toch houd ik vol, dat elk "leven uit de wet" in de trant van Schriftgeleerden en Farizeeën, een leven van "raak niet en smaak niet en roer niet aan", een leven naar menselijke inzettingen en overleveringen ziek is en grondige bekering nodig heeft. En dat gevaar bedreigt ons allen.

Maar nu dan nog iets over de voortgaande of dagelijkse bekering. Die duurt ons leven lang. De afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens is niet een zaak van éénmaal. We zullen ons telkens bezinnen op ons leven. En strijden tegen al wat onze zondige natuur ons ingeeft, strijden tegen een leven naar het vlees en ons beijveren om te leven naar de Geest Er schijnen volmaaktheidsdrijvers te zijn, die beweren dat zij alle zonden, ook zondige neigingen hebben overwonnen. Ik vertrouw dat niet Paulus zegt ergens: niet dat ik de volmaaktheid heb bereikt, maar ik jaag er wel naar. Hij jaagt er naar om te grijpen dat doel, waartoe hij door Christus gegrepen is. Als we dat doen, mogen we aan het einde van ons leven zeggen: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop beëindigd, ik heb het geloof behouden. En nu is voor mij weggelegd de krans des levens, Die klaar ligt niet alleen voor mij. Maar voor allen, die de verschijning van de Here Jezus hebben lief gehad".
Dat we de volmaaktheid in dit leven niet bereiken, daarover zullen we het allen wel eens zijn. Maar dat mag en moet ons niet verhinderen ons best te doen haar te bereiken. In preek en gesprek wordt het m.i. wel wat al te vaak gezegd. Als een verontschuldiging voor een vrij slordig leven. Alsof het niet heerlijk zou zijn, als wij het wél bereikten. Het is toch te ·prijzen als we het op die weg naar de volmaaktheid ver hebben gebracht? Daar moeten we toch niet bang voor zijn. Het bevel van de Here is er toch: weest gij dan volmaakt, gelijk uw Vader in de hemel volmaakt is!
Van herhaalde bekering spreekt de Schrift David viel diep, maar stond weer op. Petrus evenzo. Hij verloochent z'n Heiland. Maar Jezus zei tot hem: "Als gij eenmaal tot bekering zult gekomen zijn, versterk uw broeders".

Maar kúnnen wij ons wel bekeren? Een mens is toch onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? En we zijn dood door zonden en misdaden?
En er staat toch, dat Esau de bekering met tranen zocht, maar niet verkreeg? Dat staat er m.i. niet Hij wilde later de verkochte zegen toch nog van Izaäk krijgen. Die zocht hij onder tranen. Maar het lukte hem niet z'n vader tot andere gedachten te brengen.
En als er op andere plaatsen in Hebr. gezegd wordt dat het onmogelijk is sommigen die afgevallen zijn, tot inkeer te brengen, dan schrijft Hebr. dat om ons te waarschuwen het zover niet te laten komen. Wie eens verlicht is geweest en hemelse gaven gesmaakt heeft en deel kreeg aan de Heilige Geest en de goedheid van Gods woord en de kracht van de toekomende eeuw ondervond en dan toch nog afvalt, die kan niet weer tot nieuw leven komen. Het kan dus zo ver komen, dat iemand zo verhard is, natuurlijk door eigen schuld, dat er geen redden meer aan is. Het is mogelijk schipbreuk te lijden van het geloof en te vervallen van de genade.
Blijft ver van die mogelijkheid af.
En wat dat kunnen of niet-kunnen betreft, herinner ik alleen maar aan de geschiedenis van de verlamde uit Marcus 2. Kon die man opstaan?
Maar toen Jezus zei: "Sta op, neem uw matras op en ga naar huis", stond hij op en ging naar huis. Als die man had geredeneerd: "Maar dat kan ik toch niet", dan was hij blijven liggen. Maar daarover heeft hij niet gepiekerd. Maar hij zal gedacht hebben: "Als Hij het mij beveelt, dan doe ik het". Laten we maar niet piekeren over wat kan of niet kan, maar als we de stem van de Heiland horen, die ons beveelt op te staan tot een nieuw leven, laten we het dan doen. Anders blijven we doorgaan met het oude leven.

Boven dit artikel staat: over bekering en verwante woorden. Ik liet dit maar staan. Mogelijk had ik beter kunnen zeggen: Over bekering en andere woorden, met dezelfde betekenis. Want daar is het Nieuwe Testament vol van. Enkele van die woorden wil ik aanhalen.
We zullen ingaan door de enge poort en gaan op de smalle weg.
We moeten de hand afkappen, die ons tot zonde verleidt en het oog uittrekken dat ons ergert (d.w.z. ons erger maakt, neer wil halen).
'k Zou heel de Bergrede kunnen aanhalen. Leest maar Matth. 5 e.v.v.
We moeten het leven verliezen om hét leven te behouden.
We zullen het kruis op ons nemen (d.w.z. onze oude mens veroordelen).
We moeten doden de werkingen van ons lichaam (onze zondige werkingen).
We zullen zoeken de dingen die boven zijn en niet die op aarde zijn.
De oude mens aandoen en de nieuwe aantrekken.
Onze roeping en verkiezing vast maken door een godzalig leven. Dán zullen we nimmer zo struikelen dat we vallen. En een ruime ingang hebben in het koninkrijk Gods. Is dat niet de moeite waard? En dat alles is een gave Gods, maar Gods gaven zijn voor ons opgaven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief