De theosofie
1981-12-18
Alle zelfzucht, ijdelheid, geldingsdrang waren bij hem weggebrand in het vuur van de geest. Zijn werk was het eerherstel van de mens als alzijdig geestelijk wezen, de mikrokosmische concentratie van alle scheppende krachten in het heelal . .. Hij liet zien, dat mens-zijn niet betekent: zwak-zijn, eenzijdigzijn, maar dat het betekent: leven in .het evenwicht van elkaar dragende uitersten: het hoogste Idealisme verbonden met de meest nuchtere zin voor het alledaagspraktische; de allerdiepste ernst gecombineerd met een milde, bevrijdende humor; grootheid van visie tegelijk met een minitieuze zorg voor het kleine; rust en zekerheid naast een ongelofelijke snelheid van handelen en een onuitputtelijke energie.- Jaargang 25
- nummer 46
Veltman
(Rudolf Steiner - pag. 16)
"Toen ik Rudolf Steiner voor het eerst zag, had ik de indruk voor het eerst een mens te zien".
Dr. Zeylmans van Emmichoven
Het moet me van het hart: Steiner is, als ik zijn biografen geloven mag, een veel innemender en aantrekkelijker persoonlijkheid geweest dan mevrouw Blavatsky. Een verbluffend veelzijdig mens, een man die - anders dan mevrouw BIavatskyniet zo vanwege een nogal dubieus geachte levenswandel over de tong is gegaan.
Zijn biografen geven hoog van hem op. Zozeer zelfs, dat ik na het lezen van levensbeschrijvingen tot de konklusie moet komen dat het literaire genre van de "heiligenlevens" niet met de Middeleeuwen verdwenen is. VeItman spreekt in zijn gezaghebbende biografie over Steiners "grote mildheid en tolerantie", zijn "buitengewone kracht" (13); zijn blik is "doordringend, maar warm", zijn gebaren "zeer expressief". Hij spreekt over "de ongehoorde vuurkracht van zijn woorden", die "niets demagogisch of suggestiefindringends" hadden (14). We lezen van de "volkomen uitgebalanceerde alzijdigheid van zijn wezen" (15).
Meer zou te noemen zijn.
Men kan niet om een figuur als Steiner heen, als men de Antroposofie wil bestuderen. Nog steeds is hij de onbetwiste meester; de grote aktiviteit die men op velerlei gebied ontplooit, wordt door Antroposofen nog steeds gezien als uitwerking en ontvouwing van Steiners oorspronkelijke ideeën.
VeItmans boek, dat ik hier voornamelijk citeren zal, lijkt mij het beste boek, als men de gedachtenwereld van de Antroposofie wil leren kennen.
Het boek is zijn (tamelijk forse) prijs daarom zeker waard.
Intellektuele ontwikkeling
Steiners eerste vijfentwintig jaar worden gekenmerkt door een grote intellektuele ontwikkeling. De zoon van een gewone spoorwegbeambte, zelf een vrijdenker, komt in aanraking met dorpspastoors en vooraanstaande theologen, met mensen uit allerlei kring en uit de meest uiteenlopende milieus. Steeds opnieuw, lees ik in de biografieën, blijkt Rudolf niet alleen innemend en leergierig, hij is ook in staat om zich aan elk milieu aan te passen en er de juiste dingen te leren nooit verloochent hij echter zijn eigen opvattingen.
Het moet worden erkend dat Rudolf een zeer veelzijdige jongeman is. Naast het gewone onderwijs ontvangt hij al op jeugdige leeftijd extra les in muziek, tekenen en schilderen. Al op lagere schoolleeftijd mag hij op een (rooms) kerkkoor. De leer van de Kerk en ook de preken interesseren hem feitelijk niet erg; hij is echter gefascineerd door het welluidende latijn en de gewijde liturgische gebaren.
Van een pastoor ontvangt hij nader inzicht in de sterrenkunde, terwijl een bezoekend arts hem gevoel voor de schoonheid van de taal bijbrengt. Al vanaf zijn vroegste jeugd bevinden zich twee belangrijke componenten in Steiners belevingswereld: een grote interesse in de grotendeels nog ongerepte natuur rond zijn woonplaats en een gefascineerd-zijn door de wonderen van de techniek; de nabijheid van seinapparatuur, wissels, stoomlokomotieven etc. zal daar wel veel mee te maken hebben.
Op zijn elfde jaar gaat Rudolf naar de "Realschule" (vergelijkbaar met onze H.B.S.). Naast het bepaald niet geringe studiepakket dat hij daar volgen moet, verwerft hij zich door zelfstudie kennis van analytische meetkunde, trigonometrie, differentiaal- en integraal-rekenen. In dezelfde tijd leert hij latijn en grieks, maar heeft van zijn spaargeld ook het werk van de filosoof Kant aangeschaft.
Tijdens de saaie geschiedenislessen leest hij diens "Kritik der reinen Vernunft"; hij heeft zich boekbinden aangeleerd en zijn geschiedenisboek met Kants bladzijden "doorschoten". Als hij van de Realschule afkomt, krijgt hij de aantekening "met lof". Kanttekening nog: hij besteedt veel aandacht aan de godsdienstles. Met name kerkhistorie en liturgiek interesseren hem zeer: "Rudolf Steiner interesseerde zich bijzonder sterk voor dit gebied. Voor hem was de geestelijke wereld geen geloofsovertuiging, maar een ervaringsfeit" (pag. 33).
Daarna de Technissche Hochschule in Wenen: Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde en Biologie. Grote interesse voor colleges filosofie, en in het bijzonder colleges over het denken van de literator-filosoof-geleerde Goethe. Hij ervaart een diepe verplichting om "langs filosofische weg de waarheid te zoeken" (39).
Hij heeft ontmoetingen met zeer uiteenlopende mensen: met een dichteres, die herleving van het Roomskatholicisme voorstaat, maar ook met een voorvechtster van vrouwenemancipatie enz. Steiner toont grote openheid om een debat aan te gaan. Zo heeft hij bijv. een duidelijk onbevredigende gedachtenwisseling met een katholiek theoloog over zijn (gnostische) visie op Christus. Hij ontwikkelt gedachten over reïncarnatie, de "wederbelichting" van de ziel. Hij heeft die gedachten al ontwikkeld voordat hij -met de theosofie in aanraking komt, meldt Veltman nadrukkelijk.
Als ik de schrijver geloven mag, heeft Steiner in zijn denken zelden iets aan anderen ontleend.
Hij is steeds zelfstandig zijn weg gegaan. "Tussen dit alles door (liep) de strakke lijn van zijn eigen geestelijke ontwikkeling" (47).
Na zijn studie aan de Technische Hochschule ontvangt Steiner een aanstelling bij het Goethe-Schiller instituut in (het Duitse) Weimar.
Hij is inmiddels wat bekend geworden door een opmerkelijke studie over Goethes denken. Hij werkt ook mee aan een uitgave van Goethes verzamelde werk.
Vele jaren is Steiner daarna in Berlijn woonachtig. In 1899 trouwt hij met een weduwe die al vier kinderen heeft. Na enige tijd verlaat Anna Eunike Steiner weer. "Het huwelijk was niet door echtscheiding te ontbinden" (105).
Steiner is in die tijd ook aktief in arbeidersmilieus. Hij, de intellectueel, doet zijn best om (veelal marxistisch-georiënteerde) arbeiders een andere kijk op het leven te geven. Hij geeft lessen in spreekvaardigheid, die velen aantrekken en die ook geanimeerd toegaan, vaak tot het middernachtelijk uur.
Voor een gehoor van- zo'n 7000 mensen uit de drukkerswereld houdt Steiner de officiële feestrede bij de Gutenberg herdenking. Vijf jaar later neemt hij afscheid van dit werk - zijn niet-marxistische gezindheid heeft zijn positie erg moeilijk gemaakt; hij vertrekt overigens tegen de zin van de arbeiders zelf.
In diezelfde Berlijnse tijd is hij ook eindeloos druk met het redigeren van zijn periodieken, het schrijven van artikelen, het geven van cursussen dit alles vaak tot diep in de nacht. "Onder de steeds aanzwellende stroom van activiteiten' en parallel daarmee liep echter de verborgen innerlijke stroom van zijn geestelijke ontwikkeling" (112).
In die jaren groeit ook zijn verbondenheid met het Christusmysterie, waarover binnenkort meer.
Geestelijke ontwikkeling
Was Steiner slechts een hoogbegaafde en filosofisch unieke verschijning geweest, hij zou niet aan de wieg van een geestelijke stroming gestaan hebben, zoals nu het geval is. Hij was echter ook een okkult begaafd (zo men wil "behept") mens. Die kant van zijn persoon en ontwikkeling moeten ook heel nadrukkelijk aan de orde komen.
Al op. zijn zevende jaar maakt de jonge Rudolf onderscheid tussen "de dingen die iedereen ziet" en "de dingen die hij alleen zag".
"Reeds heel vroeg openbaarde zich bij hem een spontane helderziendheid".
Hij zag een tante, die hij niet goed kende, op het moment van haar overlijden. Hij zag "levende gedachtevormen, die verwant waren aan de glanzende vormen en -gestalten van die "andere wereld" (allemaal pag. 23). Iets verderop lezen we: "een concreet geestelijke wereld was hem door directe aanschouwing toegankelijk. Hij "zag" het werken van wezens in deze wereld" (37).
Tijdens zijn studententijd vond hij het haast onmogelijk om naar dit soort "geestelijke kennis of aanschouwing" te verwijzen. Hij ontmoette een soort kruidenzoeker, evenzeer okkult begaafd als hij, die hem in. zijn visie op de dingen bevestigt. Steiner ontmoet in die tijd ook zijn enige "werkelijke Meester" (41). Over diens identiteit bestaat geen enkele zekerheid.
Voor Steiner gaat het aanschouwen van die "geestelijke wereld" hoe langer hoe meer leiden tot afwijzing van zowel materialisme als ook van spiritisme, dat hij smakeloos en oppervlakkig vindt. Opmerkelijk is de parallel op dat punt met mevr. Blavatsky's geestelijke ontwikkeling.
In zijn studietijd ontwikkelt hij, zoals al gezegd, zijn opvatting over reïncarnatie, die hij zijn hele leven heeft behouden. Ook openbaart zich hier voor het eerst een sterk van het christelijk geloof afwijkende Christologie. "Steiner sprak als zijn overtuiging uit dat Christus als kosmisch-geestelijk wezen in de mens Jezus van Nazareth was neergedaald en dat Hij sinds het Golgotha-gebeuren met de mensheid verbonden leeft" (47).
Dat laatste zal in een apart artikel nader worden uitgewerkt. Hier vermelden we ook dat hij "geestelijke individualiteiten" zelfs over de grens van de dood in een geestelijke toestand kon volgen".
In een uiterst merkwaardig hoofdstuk "de bekende onbekenden" maakt Veltman gewag van het feit dat Steiner "de geestwezens van ... onbekenden in hun postmortale bestaan kon volgen en daaraan diep ingrijpende ervaringen opdeed" (69).
Ik citeer wat gedeelten: "De geestelijke vermogens waarover hij beschikte stelden hem in staat in nauwe verbinding te treden met de zielen van deze "onbekenden" nadat ze door de poort van de dood waren gegaan . . . In de geestelijke regionen verschenen de beide gestorvenen als glanzend lichte gestalten.
Hun ziele-inhoud was vervuld van de beelden die de geestellijke wezens in welke het bestaan van de wereld gegrondvest is, daarin opriepen ... ". Door het lot werkten de "onbekende bekenden"
in RudolfSteiners ontwikkelingsgang als twee lichtbakens die hem direct uit de geestelijke wereld de betekenis van de natuurwetenschappelijke denkwijze openbaarden" (pag. 70, 71). Steiner hoeft niet, zoals spiritistische mediums, zulke wezens op te roepen - hij ziet hen spontaan. Antroposofen wijzen elk verband met spiritistische ervaringen dan ook af.
Steiner is dus een filosofisch en wetenschappelijk hoogbegaafd mens, die tegelijkertijd een stuk van zijn inspiratie opdoet in "geestelijke regionen", waartoe wij gewone mensen geen toegang hebben.
Waar wij als christenen ook van zullen zeggen dat we er waarschijnlijk geen toegang mógen hebben.
De verschillen met de Antroposofische gedachtengangen zijn levensgroot, zoals we nog later zullen uitwerken.
Voor ons is met name interessant dat hij, met gedachten van reïncarnatie bezield en met kennis van onzichtbare werelden begiftigd, meende tot een aantal zeer stellige uitspraken over Christus te kunnen komen. Met name in vier commentaren, op de vier Evangeliën, komt een visie op Christus naar voren, die inderdaad "christocentrisch"
mag heten, maar wel buitengewoon afwijkt van wat onder ons gangbaar en aanvaard is. Naar mijn indruk zullen Antroposofen in hun bejegening van buitenstaanders deze zaken niet gauw noemen. Desondanks lijkt het me toe dat we in het volgende artikel eerst die wijze van denken over onze Here moeten bekijken. In onze beoordeling daarvan ligt al heel wat besloten van wat we verder van de Antroposofie zullen vinden.
Besproken: W. F. Veltman - Rudolf Steiner, een biografie. Uitgeverij Vrij Geestesleven te Zeist, 279 blz., prijs f 29,50. Verlucht met foto's.
Een onontbeerlijk werk over Steiners leven en denken. De stijl is soms wat moeizaam: ettelijke Germanismen etc.