Geeft de HERE de hand*)

1981-01-09
  • Jaargang 25
  • nummer 1
Laat ik beginnen u te zeggen waar ik de titel van deze middagpauzedienst vandaan heb. Geeft de HERE uw hand.
Dat is genomen uit een boodschap van koning Hizkia tot geheel Israël. Hij heeft daar zijn volk mee opgeroepen de HERE te dienen. Je zou kunnen zeggen, dat koning Hizkia een soort Luther is geweest, een hervormer, een man die na een lange tijd van ingezonkenheid en zonde zijn volk weer voorging in het rechte dienen van God. Geeft de HERE uw hand. Dat had hij eerst zelf gedaan en vervolgens riep hij daar ook zijn volksgenoten toe op. Ik gebruik deze boodschap nu van koning Hizkia en geef die aan u door op één van de eerste dagen van het nieuwe jaar.
Wij hebben het kerstfeest weer gevierd. Kerstfeest: dat betekent, dat de Here ons zijn hand gegeven heeft. Hij heeft aan deze zondige wereld het liefste, dat Hij had, gegeven: zijn eigen Zoon. In onbegrijpelijke goedheid is de Here heengestapt over alles, wat wij Hem hadden aangedaan.
Kijkt u er deze wereld en kijkt u er uw eigen leven maar op aan. Hebben wij Gods genade verdiend? Op geen enkele wijze. En toch dat allergrootste geschenk van God.
over ook verwonderd? Als het goed is, neemt met elk kerstfeest deze verwondering toe. Want het wordt steeds onbegrijpelijker: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. God heeft u zijn machtige vaderhand gegeven. En nu we na de feestdagen de draad weer oppakken, zeg ik u: geef Hem nu uw hand. Dat betekent niet: doe iets terug.
Mensen, die na een ontvangen weldaad iets terugdoen, willen meestal van hun weldoener af. Ze willen quitte staan en vervolgens uiteen gaan.
Nee. Geef de HERE uw hand, dat betekent: verbind u aan deze God, die u zijn Zoon heeft gegeven. Verbind u aan Hem met uw hele leven. Breek met de vrijblijvendheid.
Reageer hartelijk op het heil. Ieder weet, hoe pijnlijk het is, als iemand naar een ander zijn hand uitsteekt en die ander laat hem staan met. uitgestoken hand. Nu, ik ben bang, dat de Here God dat ook overkomt van onze kant. En weet u waar dat toe leidt? Dat u uzelf gaat verachten, dat u uzelf' een mispunt gaat vinden, omdat u zo onaandoenlijk op het heil reageert. En dan bent u op een kruispunt aangekomen.
Dan kunt u daarvandaan terug. Maar het gevaarlijke is, dat u vandaar ook verder kunt gaan en God *) Middagpauzedienst te Amsterdam op 2 januari 1980.
kunt gaan haten, zoals er veel mensen zijn, die hun weldoener haten. Op dit punt zie ik velen in onze westerse kultuur staan, op het punt dat ze in een plotselinge, blinde woede het hele kerstfeest met de kerstboom mee de straat opgooien en er niets meer mee te maken willen hebben.
Vooral dié mensen zoek ik nu met mijn woord te bereiken en zeg u, dat u in een bepaald opzicht gelijk hebt.
Je kunt niet jaar in jaar uit de boodschap van Gods allergrootste liefde over je heen laten komen, zonder er op te reageren. Dat loopt uit op vloeken. Daar ligt de wortel van wat ik waarneem als een groeiende weerzin tegen kerst.
Geeft de HERE uw hand om uws menszijn wille. God de Here met uitgestoken hand laten staan, daar houdt u een onoverkomenlijke kater van over. U gaat dan denken: als ik God was, dan had ik mij allang in de vuilnisbak gedaan.
Veel ongeloof en veel ontkerkelijking gaat op deze zelfverachting terug.
De zaak heeft trouwens een keerzijde, naar de kerk toe.
Die moet ophouden de genade van God vrijblijvend te prediken.
Want daarmee kweekt ze ongelovigen en werkt ze de zelfverachting, en in vervolg daarop de haat tegen God in de hand. En hoe verder die vrijblijvende genadeprediking gaat, des te meer is dat het geval. Als de preek alleen maar genadeverkondiging is, dan ontaardt ze in een slap gepraat. En daarom moet de prediking terug naar het oude doopsformulier, dat zegt, dat in alle verbonden twee delen begrepen zijn. De twee delen van Gods verbond met ons zijn: belofte en eis. Wat de belofte is, dat hebben we op het kerstfeest weer gehoord: Immanuël, God met ons. En de eis is, dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest aanhangen, vertrouwen en liefhebben van ganser harte,' van ganser ziele, van ganser gemoede en met al onze krachten". Ik zeg het expres in deze ouderwetse bewoording, omdat u zich die nog wel herinnert, toen u daar vóór in de kerk stond, om uw kind te laten dopen. Nu, deze v.erbondseis, die vat ik nu samen in die boodschap van koning Hizkia: Geef de HERE de hand. Laat dat uw verlangen, laat dat uw gebed-zijn voor het komende jaar, om dat te mógendoen.

En dan staat er nóg iets in die boodschap van koning Hizkia dat ik u niet wil onthouden. Koning Hizkia leefde in de tijd, dat de eerste wegvoering in ballingschap voor Israël al begonnen was. Machteloos moest Israël het aanzien, dat een deel van zijn broeders en zusters in onvrijheid leefde. En ze zullen, als ze daaraan dachten, dezelfde gevoelens hebben gekend als die wij ook kennen, wanneer wij nadenken over de kerk op zo menige plek in de wereld in vervolging, in onvrijheid. Wat kunnen we voor ze doen?
Het is waar! We kunnen niet helemaal niets doen en we hebben iets meer armslag dan de Israëlieten van toen in de tijd van Hizkia. Ik denk aan Amnesty International bijvoorbeeld.
En verder kunnen we voor hen bidden.
Maar nu horen we Hizkia hier zeggen: "Want wanneer gij wederkeert tot de HERE, dan zullen uw broeders en zonen erbarming vinden bij degenen, die hen als gevangenen hebben weggevoerd en dan zullen ze naar dit land wederkeren.
Want genadig en barmhartig is de Here uw God". De konklusie, die ik hieruit ga trekken, is voor het niet-geloof een slag in de lucht. Maar ik spreek ook niet voor het niet-geloof. Ik spreek voor wie gelooft of die dat willen. En zeg dan dit: wanneer u de HERE, uw God, uw hand geeft en wanneer u uw leven hartelijk, dankbaar en eerbiedig wijdt aan God, God die u met kerst, met Christus, zo begenadigd heeft, dan helpt dat voor de vervolgde christenen, wáár ook ter wereld. Hoe? Dat moet u niet aan mij vragen. Dat weet ik niet. Maar wanneer u met beslistheid en vreugde de HERE de hand geeft, dan let Hij daarop. Hij krijgt zo weer plezier in christenen en zegt: ze doen daar in de vrije landen zó fijn hun best: Ik zal zorgen, dat het de anderen in de onvrije landen wat beter gaat. Want dat is voor de Here een klein kunstje. Het hart der koningen - zegt de bijbel - is in de hand des Heren als waterbeken. Hij wendt het, waarheen Hij wil.
God kan zo maar maken, dat christenen onder moeilijke overheden het makkelijker krijgen. En daar heeft óns leven mee te maken. U bent daarom minder machteloos dan u denkt.
En zo is het dus niet alleen voor uzelf, maar ook voor anderen, voor vele anderen, voor verre anderen, goed, wanneer u de HERE de hand geeft. We willen toch in Gods koninkrijk graag iets doen voor anderen? Welnu, hier ligt een mogelijkheid. En het mooie is: hieraan kan ieder meedoen. Zelfs voor zieken en ouden van dagen ligt hier een taak met een belofte.
Wát een reden dus nog des te meer, om de HERE uw hand te geven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief