Tussen twee vuren

1981-01-09
  • Jaargang 25
  • nummer 1
Op twee tafeltjes in mijn werkkamer liggen al een paar weken twee stapeltjes paparassen. Het ene is een van een vriend geleende overdruk van het nog niet helemaal officiële rapport van de synodale synode over de aard van het Schriftgezag; het andere is een artikelenserie van ds Tj. Boersma in het Gereformeerd Kerkblad, wekelijks orgaan van de vrijgemaakte kerken in het midden des lands, getiteld 'Hoe gaan we om met de Bijbel?' (de nrs. van 4-25 oktober j.l.) waarin hij een kritische bespreking wijdt aan de artikelen die ik in ons blad van 25 juli en 8 augustus j.l. schreef over de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift. Beide stukken heb ik gelezen en herlezen en bij het ijsberen door mijn studeervertrek wandel ik er telkens tussendoor. Vandaar de titel hierboven: tussen twee vuren.
Bedoel ik te zeggen dat ik met mijn mening precies midden tussen de twee genoemde studies in sta? Ach nee, ik voel me met de artikelen van mijn studiegenoot in Kampen, ds Boersma, veel meer verwant dan met het synodale rapport, Bovendien, het is een subtiele vorm van egocentrie jezelf altijd op een tussenstandpunt te stellen tussen twee uitersten in. Het gevaar is dan dat je jezelf altijd de deugd in het midden vindt. Nee, moet er gekozen worden, dan val ik het standpunt van ds Boersma toe. Dat ik zijn kant dan toch een 'vuur' noem (tussen twee vuren), is omdat hij mij in zijn overigens rustig en zakelijk gestelde artikelen krachtig van zich afduwt. Hij verwijt mij namelijk dat ik bij mijn Schrift-uitleg (de lezer herinnert het zich misschien nog wel: die zeven gevalletjes van oneffenheid in de bijbel waar ik het over had), een methode hanteer die bij de oudere en modernere Schriftkritiek in gebruik is. Daar til ik natuurlijk zwaar aan, want ik heb zelf tegen die Schriftkritiek de grootste bezwaren, zoals ik in die eigenste artikelen van mij ook geschreven heb.
Ik wil nu in deze reeks van beide stukken, ds Boersma's artikelen en het synodale rapport, iets zeggen.
Ik doe dat in het besef dat ik ooit van elk van beide kerkgemeenschappen waarbinnen deze studies geschreven zijn, deel heb uitgemaakt.

In beide gevallen is daar voor mij een onvrijwillig einde aan gekomen. Zodat ik van mijn kant mij nog steeds verantwoordelijk voel voor de gang van zaken in deze beide kerken, zeker op dit aangelegen punt van de omgang met het Woord van God, Ik hoop zo te schrijven dat ze er aan beide kanten iets aan hebben.

Wanneer ik de artikelen van ds Boersma lees, zijn er momenten dat ik bijna voor zijn argumentaties zwicht. Ik had zeven gevallen genoemd en uitgewerkt waarin het m.i. onweerlegbaar is dat er in de Heilige Schrift kleine onjuistheden voorkomen, Ds Boersma bespreekt elk .van die gevallen en, zoals gezegd, niet zonder dat 't indruk op mij maakt. Toch moest ik sterk denken aan wat ik in mijn artikelen schreef: "Bij elkaar zijn ze (die zeven gevallen) voor ons een signaal, dat wij de leer van de Schrift niet helemaal 'rond' krijgen. Waarom beklemtoon ik hier de woorden 'bij elkaar'? Omdat wij meestal dit soort dingetjes afzonderlijk tegen komen, De dominee houdt over een tekst waarin zo'n oneffenheid voorkomt, een preek en praat met enige waarschijnlijkheid de moeilijkheid weg (als hij er al de vinger bijlegt). Maar wanneer zo. iets zeven keer achter elkaar gebeurt, vat ook de meest goed gelovige argwaan op. Daarom is het goed eens een aantal van zulke gevallen op een rijtje te zien."
Nu, in de stukken van ds Boersma gebeurt 't inderdaad zeven keer achterelkaar, dat de (kleine) moeilijkheden worden gladgestreken. De schijn van gelijk, die in elk geval afzonderlijk nog opgehouden kan worden, verdwijnt als sneeuw voor de zon, wanneer je tot zeven maal toe uitgenodigd wordt iets zeer weinig voor de hand liggends aan te tonen. Men kan dan bewondering hebben voor het vernuft dat er aan ten koste is gelegd, maar ik vind toch dat in zulke vertogen meer de spitsvondigheid van de uitlegger dan het gezag van de Heilige Schrift schittert.

Laat ik op één voorbeeld wat nader ingaan. Ik had gewezen op een diskrepantie tussen het bericht in Gen. 50 : 13 en dat van Hand. 7 : 15 en 16 ter zake van de plaats waar vader Jakob begraven ligt. Genesis noemt Hebron en Handelingen Sichem.
"Niet beide kunnen tegelijk waar zijn". Ik zeg hierbij nog eens met nadruk dat ik me bij het signaleren van zo'n oneffenheid stel op het standpunt van de krentenweger.
Maar dat doe ik omdat het woord 'onfeilbaar' daartoe opwekt. Van de krentenweegschaal aïstappend kan ik me heel best vinden in de uitleg die ds Boersma van prof. Grosheide overneemt: "Wij kunnen Stephanus' woord het best verklaren, indien we aannemen dat Stephanus, bezig met de geschiedenis van Jozef, diens begrafenis beschreef naar de Schrift, doch omdat ook Jakob in Kanaän werd begraven, het meervoud bezigde, 'werden overgebracht', al gold dat eigenlijk alleen van Jozef". Maar natuurlijk!
Dit is geschikt, welwillend bijbellezen, waartoe wij altijd verplicht zijn en dat we, waar het zulke kleinigheden betreft, ook niet zelden nodig hebben. En wanneer dezelfde prof. Grosheide ten aanzien van de dan nog overblijvende moeilijkheid, dat volgens Genesis niet Abraham maar Jakob het stuk grond bij Sichem kocht, opmerkt: .Voor deze moeilijkheid is nog geen goede oplossing gevonden", wel, dan zal ik daar niet van wakker liggen.
Wie dat wèl doet is ds Boersma: "Er móet een oplossing zijn voor datgene wat wij als tegenstrijdigheid in de Bijbel ontdekken. We zullen alles in het werk stellen om te trachten die oplossing te vinden. Zolang we die niet gevonden hebben, zullen we wachten op meer licht". Ds Boersma overweegt dan deze oplossing dat 't zit in 'n fout die bij 't overschrijven van de handschriften gemaakt is. "Daarbij moeten we wel bedenken dat de oorspronkelijke handschriften verloren zijn gegaan.
Er kunnen fouten zijn gemaakt bij het overschrijven van die handschriften". Met dit argument wordt door hem telkens gewerkt.
Toch is het niet een sterk argument.
Ook hier niet. Want 't gaat hier over een onjuistheid die goed verklaard kan worden omdat ze het resultaat is van het samentrekken van gegevens. In Handelingen 7 wordt samenvattend gesproken en vandaar. Maar fouten, ontstaan bij 't overschrijven van de handschriften, kenmerken zich juist doordat ze zonder zin zijn. Daarom is het willekeurig om zich bij voorkomende moeilijkheden in de tekstzin te beroepen op onzuiverheid in de tekstgestalte. Bovendien, als wij door fouten die bij 't overschrijven gemaakt zijn de onfeilbare bijbel niet meer bezitten, noch in de grondtekst noch in de vertalingen, wat heeft 't dogma van de onfeilbaarheid, in de krentenwegere zin van 't woord opgevat, dab nog voor zin? Of ligt de onfeilbare bijbel, dank zij de noeste vlijt van onze theologen met hun historische navorsingen, nog in het verschiet Maar al die voorgaande geslachten dan, die het daar zonder hebben moeten doen?
Onder ons gereformeerden is 't altijd zo geweest dat Schriftkritiek niet mocht en tekstkritiek (rekening houden me fouten in.de handschriften) wel. Daar ben ik 't globaal mee eens, maar we moeten wel oppassen (het synodale rapport signaleert dat ook), dat we onder 't mom van tekstkritiek toch bezig zijn met Schriftkritische kwesties. Als dat gebeurt, moet de vraag op tafel komen of die onderscheiding wel zo waterdicht is als ze lijkt. Anders houden we elkaar en onszelf voor de mal.
Maar ds Boersma heeft nog een pijl op zijn boog voor de moeilijkheid van het verschil tussen Genesis en Handelingen. Hij zegt prof. Schilder na: "Volgens gereformeerde opvatting wat wèl Lucas geïnspireerd, toen hij Stephanus' rede weergaf, maar niet Stephanus toen hij ze uitsprak. Lucas kan zich dus niet vergissen in de mededeling der feiten, maar Stephanus kan dat wel in zijn improvisatie." En dat terwijl de Schrift juist beklemtoont dat Stephanus een man was, vol van geloof en heilige Geest (Hand. 6 : 5) en dat niemand bij machte was de wijsheid en de Geest waardoor hij sprak te weerstaan (6 : 10). Metterdaad is Stephanus' rede een geweldig stuk betoning van Geest en kracht, een woord dat zo doorstoot tot de kern van de oudtestamentische Godsopenbaring, dat je moet zeggen: hier spreekt de Geest, de eigenlijke auteur van de Schrift, zelf! Ik houd 't er voor dat heel Paulus' plaats en werk in de christelijke gemeente zonder de rede van Stephanus een ondenkbaarheid is.
Moet dan deze rede een improvisatie heten? Noem haar liever een korte samenvatting van heel Stephanus' machtige Schriftgeleerdheid.
Daarom zeg ik: als dit woord van Stephanus, vol van de Heilige Geest, de kleine onjuistheden kan bevatten als welke ik aangaf, dan is dat in perfekte overeenstemming met wat ik in de héle Schrift tegen kom: woorden vol van de Heilige Geest, maar met aan de randen kleine tekenen van menselijke onvolkomenheid.

We kunnen natuurlijk niet alle ze ven gevallen opnieuw in bespreking gaan nemen. Ik moet immers ook voor mijn aandacht houden wat ik bij de vorige gelegenheid schreef: "De kleine oneffenheden aan de rand van de Schrift zijn voor mij een aanwijzing dat er aan die rand voor ons niet veel te halen valt."
Dat verplicht mij om bij dit soort détails niet al te lang stil te staan.
Dit zeg ik echt niet omdat ik me in het nauw gedreven voel. Daarvoor zijn de aangevoerde verklaringen te onwaarschijnlijk. Zoals gezegd, stuk voor stuk afzonderlijk kunnen ze even indruk maken, maar van het geheel moet je zeggen: het voldoet niet. En gesteld al, dat je 't met elkaar over één geval eens zou worden (voor wat 't eerste voorbeeld, Abraham's roeping betreft, acht ik dat zeker niet uitgesloten) dan blijft 't mogelijk daar één of meer andere voorbeelden voor in de plaats te stellen.
Maar waar haalt ds Boersma 't nu vandaan dat ik te werk ga volgens de methoden van de Schriftkritiek?
Daar wil ik nog wel iets van zeggen.
Ik had een opmerking gemaakt over Gen. 35: 19, 20 en 1 Sam. 10 : 2, alwaar twee verschillende plaatsen worden opgegeven voor 't graf van Rachel. Ik schreef: "De ene of de andere traditie is juist; Rachel kan niet op beide plaatsen begraven liggen." Nu antwoordt ds Boersma daarop: "Het is een merkwaardig taalgebruik van de schrijver in Opbouw, als hij zegt: "De ene of de andere traditie is juist".
We hebben dan twee lijnen in de Schrift, twee soorten traditie ...
Maar dit spraakgebruik is hoogst bedenkelijk. Het stamt uit de Schriftkritiek en is door de Gereformeerden steeds afgewezen." Hoe nu? Ik begrijp dat ds Boersma 't er moeilijk mee heeft dat er op 'n bepaald punt(je) tweeërlei traditie in de Schrift te vinden zou zijn, maar hij schijnt zich hier tegen 't spreken over traditie in de Schrift in 't algemeen te verzetten, getuige nog de zin even verderop: "Wij hebben hier geen traditie, maar openbaring van God." Maar deze twee kunnen toch niet tegenover elkaar worden gezet? In de Heilige Schrift, die Gods Openbaring is, vinden we toch óók tradities? Dingen, die van geslacht op geslacht overgeleverd zijn? Bijvoorbeeld de geslachtsregisters, daarvan kun je toch niet zeggen wat de Here tot Petrus zei: vlees en bloed hebben jou ze niet geopenbaard? Integendeel, vlees en bloed hebben die registers goed onthouden. Ik sluit daarbij de werkzaamheid van Gods Geest niet buiten, maar deze werkzaamheid kan niet met 't woord 'openbaring' worden getypeerd. Als psalm 125 zegt dat er rondom Jeruzalem bergen zijn, is dat een voor iedereen waarneembaar gegeven. God hoeft dat ons niet te openbaren. Wat wèl het geval is met wat daarop volgt: Zó is de Here rondom zijn volk. Stellig is er veel in de bijbel dat door traditie, overlevering, tot ons is gekomen.
Dat heeft niet geopenbaard, op bovennatuurlijke wijze voor ons ontsloten, behoeven te worden.
Daarom geloof ik ook niet dat ik me hier heb schuldig gemaakt aan een hoogst bedenkelijk spraakgebruik dat uit de Schriftkritiek stamt.
Veel minder is dit door de gereformeerden steeds afgewezen.
De volgende keer hoop ik ten opzichte van collega Boersma tot een afsluiting te komen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief