Géèn ondergangsstemming

1981-01-16
  • Jaargang 25
  • nummer 2
"Want zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël:
er zullen weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit Zand."

Jeremia 32 : 15

Een zweedse minister heeft in de Verenigde Staten gezegd, dat de kans van de mensheid om het jaar 2000 te bereiken één op vier is. Oorzaak? De grote kans op een vernietigende kernoorlog. Dit sombere toekomstbeeld roept bij tallozen een ondergangsstemming op. Aan de ene kant uit die zich in negativiteit. Kinderen ter wereld brengen? Ik peins er niet over, bij zoveel doodsdreiging. Een zaak beginnen? Mij niet gezien; véél te onzeker. Welke zin heeft het leven nog, nu een katastrofe onafwendbaar lijkt? Aan de andere kant uit die ondergangsstemming zich in een kolossale behoefte aan pret en plezier. De mensen rollen van het ene feest in het andere, want, zeggen zij, nu kan het nog. De ernst van de tijd wordt weggespoeld door het lolmaken. Mogelijk is dit ook een achtergrond van de hardnekkige onwil van veel mensen in Neder land om het mes van de bezuinigingen in eigen vlees te zetten. De welvaart werkt als een zoete verdoving tegen de pijn van een naderend wereldeinde. Die verdoving mag tot geen prijs verbroken worden.

Nu is de boodschap van Jeremia 32 deze: de reële dreiging van ondergang moet door christenen wèl serieus genomen worden, maar mag persé niet leiden tot een ondergangsstemming.
De gebeurtenissen van dit hoofdstuk spelen zich af aan de vooravond van de ondergang van Jeruzalem. Het leger van Babels koning Nebukadnezar ligt als een wurgkoord om Juda's hoofdstad heen; nog ongeveer een jaar, en de stad zal vallen. De profeet Jeremia heeft in die dreiging het oordeel van God over Juda's zonden herkend, en zijn boodschap was dan ook: probeer deze dreiging niet af te wenden, maar verootmoedig je onder het oordeel van God.
Die boodschap werd hem niet in dank afgenomen; men betichtte de profeet van landverraad. Vandaar dat hij in de gevangenis terecht kwam, zoals vers 2 bericht.

Onder die troosteloze omstandigheden krijgt Jeremia van God de opdracht een akker te kopen. Een opmerkelijke opdracht!
In een tijd waarin alles op alles moet worden gezet om het vege lijf te redden, vindt met kalme nauwgezetheid, geheel volgens de regels, een handelstransaktie plaats.
Waarom? Vers 15 geeft Gods verklaring ervan: "Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: er zullen weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land."
De koop van de akker is dus een profetie: het leven in Juda zal niet doodbloeien; er zal straks weer van een levendige handel sprake zijn. Terwijl alles verwoesting en ondergang ademt, moet Jeremia vooruitlopen op een tijd, dat er in Juda weer volop geleefd zal worden. Deze handelstransaktie is een getuigenis van een opgewekte toekomstverwachting, en staat daarin haaks op een veel passender lijkende ondergangsstemming.

Haalt de HERE hiermee nu een streep door de eerdere profetieën van Jeremia, dat het oordeel over Juda onafwendbaar was? Beslist niet; Hij staat daar nog pal achter. Maar, zo zegt Hij (vers 42): "Zoals Ik al deze zware rampspoed over dit volk gebracht heb, zó breng Ik over hen al dit heil, dat Ik over hen verkondig." Toekomst voor Juda dus uit handen van dezelfde God, die het eerst ten onder laat gaan.
Zoals het Nieuwe Testament ons leert hopen op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde uit handen van dezelfde God, die de tegenwoordige hemelen en de aarde ten vure bewaart tegen de dag van het oordeel (H Petrus 3 : 7).

Het is goed als wij met Jeremia doordrongen zijn van de ernst van het oordeel, van de gerechtvaardigdheid van het oordeel ook. De moeite, die onze wereld heeft om te overleven, moet die ons niet doen denken aan het woord van Paulus in Romeinen 6: het loon, dat de zonde geeft, is de dood? De ondergang, waarmee wij nu zo dreigend gekonfronteerd worden, is het eindresultaat van de zondige oerdrift om als God te willen zijn. Openbaren de toorn en het oordeel van God zich niet hierin, dat Hij de mensen overgeeft aan hun zonde? (Romeinen 1) Welnu, zo beleven wij het als een angstige realiteit van oordeel, dat de meris in zijn duivelse opgeblazenheid zichzelf en de schepping dreigt op te blazen. Wij moeten als christenen de vreselijke ernst van de situatie maar onder ogen durven zien, zónder verdoving: de wereld, die God verwerpt in een als God willen zijn, loopt daarmee een keer op een einde. Dat is geen tragische ontsporing, maar de uitbetaling van het loon op de zonde. Laat de ondergang van deze wereld u niet al te vreemd voorkomen. Misschien is ze nog af te wen:den, en halen we het jaar 2000 wèl. Maar dan zijn we er nog niet. De tijd moet echt komen, dat de tegenwoordige hemelen en de aarde zullen vergaan, ondergaan. Dat loon levert de zonde hoe dan ook op. Dat is vastgelegd als Gods oordeel.

En toch - GEEN ONDERGANGSSTEMMING! Wij mogen leven, door Gods genade, als mensen die een stralende toekomst hebben. En daarvan moeten wij getuigenis afleggen; er moet een profetische kant aan ons leven zitten, ook in dit opzicht. Hoe? Door toekomstgericht te leven. Door heel vrolijk kinderen groot te brengen. Door dingen op te bouwen. Niet vanuit een vals optimisme: het zal zo’n vaart wel niet lopen. Maar vanuit een vast geloof en vertrouwen: de HERE zal het leven opnieuw vestigen. Zo mag je ook als je oud wordt, vitaal het leven genieten zolang dat gaat. Als een getuigenis: ik wacht niet op mijn dood, maar ik verwacht het leven van de toekomende eeuw. En als het u soms aanvliegt, de donkere schaduw van het eind van de twintigste eeuw; als u de toekomst niet in durft kijken, vanwege dat donkere gat - bedenk dan dat antwoord van de HERE aan de verbijsterde profeet Jeremia: zou voor Mij iets te wonderlijk zijn? (vers 27).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief