De engel van Amersfoort

1981-01-16
  • Jaargang 25
  • nummer 2
terloops

In de delen 7 en 8 van 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog' vertelt Dr. L. de Jong van de hulp die tijdens de tweede wereldoorlog aan gevangenen werd geboden.
Ik wil enkele regels citeren:

"De gevangenen in de gevangenissen in Nederland ontvingen tot begin '43 slechts heel af en toe pakketten, maar nadien verscheen in de meeste gevangenissen regelmatig een zuster van het Nederlandse Rode Kruis, mevrouw Van Overeem (de 'Blonde' of de 'Witte Engel'), die, van cel tot cel gaand, pakketten kon uitreiken waarin zich o.m. een aantal gesmeerde en dikbelegde boterhammen bevond. Die regelmatige pakketten waren de gevangenen even welkom als de incidentele voordien ... "
Het lijkt allemaal zo eenvoudig, maar deze hulpverlening kostte heel wat moeite. Niet alleen wat betreft het krijgen van vergunningen voor dit werk, maar vooral ook het ermee doorgaan. Bij deze hulpverlening nam mevrouw Van Overeem een belangrijke plaats in. Ze werd in 's-Hertogenbosch geboren en hertrouwde in 1942 na een mislukt huwelijk met de in Zaltbommel geboren Haagse arts Van Overeem.
Het is goed elkaar van tijd tot tijd eens aan de vaak stille werksters en werkers uit de oorlog te herinneren.
Els van Overeem-Ziegenhardt is een aantal weken geleden gestorven en in Zaltbommel begraven. Op zulke momenten herinner je je opeens weer van alles.
Ze werd een 'engel' genoemd en dat was niet voor niets. Ze was in de oorlog lange tijd de enige die dit hulpverlenend werk voor gevangenen deed, ze heeft zich er volledig voor ingezet. In het jaar 1944 b.v. bracht ze elke donderdag 1350 pakketten naar de gevangenis in Scheveningen, Ze kwam ook in Amersfoort. De Eindhovense journalist S. H. A. M. Zoetmulder vertelde hierover onlangs het volgende:

"Dat was ze dus: mevrouw Van Overeem - we hadden al veel van haar gehoord, maar haar nog nooit gezien en nu kwam zij opeens door het prikkeldraadhek naast de beruchte Rozentuin het Häftlinggedeelte van het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort binnen.
Niet groot van gestalte, een donkerbruin mantelpakje met dito baret, klare en onderzoekende ogen in een gezichtje met een opvallend mooie teint. Ook dáár had het clubje gijzelaars wel oog voor.
Commandant Berg wist niet goed wat hij met het gezelschap aanmoest, maar hij liet het met rust.
Mevrouw Van Overeem trachtte Berg te bewegen de grote auto vol boterhammen van de "smeerstations" uit te delen aan de Häft-Zingen, maar dat weigerde hij. Heel de zending moest naar de nog amper ingerichte kop barak van de gijzelaars met de vooringang aan de appèlplaats. Die barak had evenwel ook een achterdeur, niet zoin het gezicht liggend, en daar hebben de nieuwe bewoners toen maar zoveel mogelijk hongerige gevangenen aan voedzame boterhammen geholpen. Mocht dit een materiële "versterking van de inwendige mens" heten, de mentale versterking was toen al een paar jaar eerder begonnen, doordat mevrouw Van Overeem kans had gezien tot bepaalde gevangenissen door te dringen. Bij het uitreiken van de goede gaven (waarbij spreken streng verboden was) zag zij wel kans langs de bewaker heen een veelzeggend-bemoedigende blik de hulpeloze ontvanger toe te sturen.
Dat deed me vaak nog meer dan het welkome pakje, zouden later gevangenen dankbaar verklaren.
Niet overal werd zij met haar helpers toegelaten, maar daar waar het wel kon, bracht zij een dienst van
zekerheid: er wordt nog aan jullie gedacht!"

Zoetmulder besloot als volgt:

"In de moeilijkste bezettingsjaren heeft zij gedaan wat haar hand vond te doen en haar inventieve geest kon bedenken: voor honderden hulpe- en rechtelozen. In de herinnering van hen en hun gezinnen aan deze tijden - waarvan de jongere generatie zich geen voorstelling kan vormen - neemt zij een blijvende plaats in van dankbaarheid en bewondering!"

Doen wat je hand vindt om te doen.
Zó zijn velen in de oorlog bezig geweest en het is goed om dat te onthouden èn door te geven aan de jongeren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief