Géén heimwee naar vroeger
1981-01-23
"De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de HERE der heerscharen."- Jaargang 25
- nummer 3
Haggaï 2: 10a
Oudere gereformeerde mensen denken nog wel eens met heimwee terug aan de tijd voor de oorlog. Toen stelde de kerk, en niet in de laatste plaats de gereformeerde kerk, nog iets voor. Toen werden de straten, bij het klokgelui 's zondags in de vroegte, vol met kerkgangers, en ging je ten onder in de grote massa, die bij een dreunend orgel de lof van God krachtig de wereld in zond. Die tijd is voorbij.
Nu ben je een eenling als je naar de kerk gaat; de grote gereformeerde stadskerken worden achter elkaar afgebroken; het silhouet van een stad wordt niet langer bepaald door omhoog wijzende kerktorens, maar door potige torenflats.
Is het niet om heimwee naar te krijgen?
De profeet Haggaï spreekt zijn volksgenoten aan op een soortgelijk terugverlangen naar vroegere grootheid. Haggaï 2 : 4: "Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Hoe ziet gij het nu?
Is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen?" Ze zijn bezig de tempel weer op te bouwen. Een klein groepje mensen, het overblijfsel van het volk zoals vers 3 zegt. Het is de tijd na de ballingschap, waarin een zielig restantje van Israël eenmaal teruggekeerd in eigen land, er met Zerubbabel, de landvoogd, en Jozua, de hogepriester, wat van probeert te maken. Haggaï had hen al eerder moeten aanvuren de wederopbouw van de tempel ter hand te nemen; hoofdstuk 1 verhaalt dat ze meer interesse hadden in de bouw van eigen huizen dan in de bouw van Gods huis.
Maar nu is het werk dan toch ter hand genomen; op het moment dat Haggaï het woord des HEREN tot hen richt, zijn ze drieënhalve week bezig. Een zo korte tijd, dat misschien alleen het fundament voor de nieuwe tempel nog maar zal zijn gelegd. Maar daaruit viel al af te leiden dat deze tempel veel en veel kleiner, eenvoudiger, onaanzienlijker zou worden dan de vorige. Haggaï brengt in het aangehaalde vers 4 de teleurstelling onder woorden, die af te lezen viel op de gezichten van hen die de tijd voor de ballingschap nog hadden meegemaakt. Zij wisten van de glorie en de grootheid van de tempel van Salomo. Wat is, vergeleken bij die heerlijkheid, dit nieuwe begin onbeduidend en armetierig!
Het kontrast tussen de simpele tempel die ze aan het bouwen zijn, en de indrukwekkende tempel van Salomo, is hetzelfde als het kontrast tussen het soms nietig aandoende kerkelijk leven van nu, en de gereformeerde grootheid van vroeger. Maar daarom raakt het ook ons, als Haggaï het verbiedt, heimwee te hebben naar die glorie van vroeger. Hij keert de zaken om, vers 10: "De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de HERE der heerscharen." De heerlijkheid van de tempel van Salomo zal verre overtroffen worden door de heerlijkheid van deze, nu zo gering lijkende tempel.
Vers 7 en 8 beschrijven de gebeurtenissen die zullen leiden tot die komende heerlijkheid. Er is sprake van dat hernel en aarde zullen beven. "Een ogenblik nog", zegt de vertaling van het NBG; beter is de Statenvertaling met "nog eens". Bedoeld wordt: het is al een keer gebeurd, maar het zal nóg een keer gebeuren. Zo wordt de tekst ook aangehaald in Hebreeën 12 : 26: "Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven." Wij moeten dan ook niet aan een aardbeving denken, zoals er zoveel geweest zijn, maar aan twee heel bijzondere gebeurtenissen van natuurgeweld, waarmee de openbaring van de HERE gepaard is gegaan en zàl gaan. De eerste keer was op de
Sinaï, na de uittocht uit Egypte; volgens Exodus 19 : 18 (vgl. Richteren 5 : 5) beefde de gehele berg door tot in het laatst van het Oude Testament. Maar ook hiervan zegt Haggaï: heb er geen heimwee naar, want de HERE komt nóg een keer in hemel en aarde bewegende majesteit tot u.
En dan zal Hij, vers 8, alle volken doen beven, en zullen de kostbaarheden van alle volken komen "en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HERE der heerscharen."
Was bij die eerste openbaring op de Sinaï alleen het volk Israël bevend getuige (Exodus 19 : 16),bij de volgende komst van de HERE zullen alle volken van eerbied voor Hem buigen. En niet alleen Israëls schatten en rijkdommen zullen in de tempel gebracht worden, zoals ten tijde van Salomo, maar ook die van de andere volken. Daarom zal de toekomstige heerlijkheid van dit huis groter zijn dan de vorige. Het zal glinsteren van de rijkdommen van àlle volkeren.
Wanneer is deze profetie in vervulling gegaan? Wij moeten zeggen: haar definitieve vervulling staat nog uit. De aarde en hemel schokkende komst van de Here God hebben wij nog te verwachten in de komst van de Here Jezus. Van het nieuwe Jeruzalem staat in Openbaring 21 : 26, dat de heerlijkheid en de eer der volkeren in haar gebracht zullen worden. Ook Hebreeën 12 zegt: wij hebben dat beven van hemel en aarde nog tegoed. Dat betekent, dat Gods volk in afwachting daarvan genoegen moet nemen met haar gestalte van onaanzienlijkheid. De heerlijkheid en de glorie zijn de gaven van de toekomst. Nu is het nog de tijd van het kruis. De gemeente van Christus zal geen andere weg gaan dan haar Heer, voor Wie de heerlijkheid kwam ná het lijden (I Petrus 1 : 11).
Steeds weer heeft de gemeente bloot gestaan aan de verleiding, om die kruisweg te ontlopen, en vooruit te lopen op de komende heerlijkheid.
Het binnendragen van fabelachtige rijkdommen uit alle delen van de wereld in Rome, pralende hoofdstad van de R.K. kerk, is niets anders geweest dan een ongeduldig grijpen naar de beloofde glorie.
En heeft ook het trotse gereformeerde verleden van voor de oorlog daar niet iets van? Laten wij ons erin voegen, dat de Here die schijnheerlijkheid van ons heeft afgenomen, en ons weer in toenemende mate het stempel van onaanzienlijkheid opdrukt.
Daar zit ook genade in. In tijden dat de gemeente zich voor haar gevoel half en half meester gemaakt heeft van de haar toegezegde heerlijkheid, heeft zij zich niet zelden schuldig gemaakt aan een uitdoven van het verlangen naar de vervulling van de belofte. God zet ons, nu wij ons in kleinheid en geringheid soms angstig afvragen wat er van de kerk worden moet, op het spoor van de verwachting van een toekomst, vergeleken waarbij de heerlijkheid van het verleden als niets zal zijn in onze ogen!