Ons nieuwe kerklied (1)
1981-01-23
"Onze kerkzang komt in beweging. Langzaam maar zeker. De Heer van ons lied zij geprezen, met telkens nieuwe zangen". Zo begonnen we ons artikel "Ons nieuwe lied" in dit blad van 20-4-'79. Wij kondigden aan, dat de Landelijke Vergadering (LV) van 1978 aan een commissie had opgedragen: na te gaan, wat plaatselijk en regionaal ten aanzien van een uitbreiding van ons kerklied reeds is overwogen en besloten; alsmede aanbevelingen te doen om tot verbetering en vermeerdering van onze gezangen te komen. Het (interkerkelijke) Liedboek mocht daarbij uitgangspunt zijn; de mogelijkheid van een eigen bundel mocht tevens worden onderzocht.- Jaargang 25
- nummer 3
Wij hebben onze blijdschap niet weggemoffeld. Integendeel - wij zagen in deze commissie alsmede in de begeleidende discussies veel dat onze kerken vooruit zal helpen. Daarbij herinnerden wij aan mannen als Bezaleël en Aholiab, die toegerust waren met de Geest der wijsheid om schone dingen te vervaardigen; dit om aan persoonlijke geïnspireerde initiatieven volle kansen te laten, die nimmer onder de last van kerkelijke organisaties mogen worden weggedrukt.
Welnu, de commissie heeft goed gewerkt en dat is een dankzegging waard. Zowat veertien personen, die anderhalf jaar lang bijna wekelijks een dag vergaderden – staan we daar wel bij stil? In onze kerkelijke stijl waren wij gewoon, duputaten te “benoemen”, met de “opdracht” en zo voort. Deden ze hun werk goed dan mochten ze niet klagen. Deden ze iets verkeerd dan werden ze ter verantwoording geroepen, moesten hun werk overdoen, of werden weggestuurd. Geen werkgever kan zich zo iets nog permitteren. Maar onze kerken durfden het: onbetaalde arbeid opdragen, over vrije dagen beschikken (ten koste van gezinnen) en verantwoording eisen. Het is te hopen dat we ook dit geleerd hebben uit de hiërachische mallemolen: dat we elkaars vrijheid respecteren en elkaars arbeid waarderen. Dus liever geen “opdrachten” – maar gewoon christelijke verzoeken.
Het rapport van de commissie voor de gezangen verscheen in juni 1980.
Het is overzichtelijk, begrijpelijk, zelfs helder. Het dient clc kerken door haar gedachten over normen voor de kerkzang te ordenen; door die normen aanvankelijk toe te passen en door verdere inlichtingen te geven.
Schriftuurlijke inhoud en gezond taalgebruik van gezangen zijn voorop gesteld.
Het streven was: uit het Liedboek-1973 een selectie van aanbevelenswaardige liederen op te stellen en te onderzoeken of een aanvullende bundel, respectievelijk een geheel eigen bundel, zou kunnen worden gevormd.
De commissie is met de selectielijst niet klaar gekomen - maar maakte goede vorderingen. Ze maakte een begin met een "aanvullende" bundel.
Aan een eigen bundel kwam zij nog niet toe.
Wij hebben al eens gezegd: een bundel van 500 liederen, die door hervormden en gereformeerden (in alle variëteiten), door luthersen, doopsgezinden en remonstranten aanvaard is, zal nooit door een der groepen lied voor lied worden gezongen. Elk maakt een eigen selectie; niemand is verplicht, alle liederen voor zijn rekening te nemen.
Maar een gemeenschappelijke bundel voor kerkelijk Nederland betekent wel: de economische mogelijkheid van een betaalbare uitgave; de oecumenische vrucht van een "zien op wat van de naaste is"; en de geestelijke winst, dat alle zingende kerkmensen in ons land de psalmen en een schat aan goede Schriftuurlijke gezangen in huis hebben. Nu de eigenares niet de aparte uitgave van een selectiebundel toestaat, kunnen onze kerken een aanbevelingslijst in haar boekjes leggen en gebruiken; hetgeen niet in strijd komt met de auteurswet of met enige fasoensregel.
Aangezien er al voorbereidend werk op dit punt gedaan was (u kent de regelmatige publicaties van Eindhoven in dit blad) kon de commissie vlot beginnen. Er waren al normen gevormd en uitgewisseld, er was al routine in de beoordeling verkregen. Waarschijnlijk om die reden brengt het rapport ons met sprongen verder.
Wij volgen nu de beoordeling van een aantal gezangen, waar die als voorbeelden van enige norm zijn aangereikt. Met nadruk zegt de commissie, dat het om illustraties gaat, aan het Liedboek ontleend, maar dat de normen uiteraard op elke andere bron slaan. Daarom zullen wij ook de normen bespreken. Maar vooraf dit: of ons inzioht samenvalt met die van de commissie, of daar min of meer van afwijkt - wij hebben grote waardering voor het werk en de resultaten; en hopen ook op onze manier de discussie in onze kerken te dienen.
Waar de LV de Schriftuurlijke inhoud van elk kerklied vooropstelde, heeft de commissie aangevoeld dat sommige criteria absoluut - maar andere relatief gehanteerd moeten worden. In het laatste geval moeten de voors-en-tegens worden afgewogen. In haar rapport maakt de commissie geen duidelijke grens tussen absolute en relatieve criteria - en ook dat is wijs.
Maar de commissie begint met de namen, die aan de drie-enige God worden toegekend; die moeten beantwoorden aan het Bijbels spraakgebruik.
Het prachtige Lied 422 (Nijhof's verwerking van Vondel's eerste reizang uit Lucifer) wordt dan ook afgewezen. De commissie valt zodanig met de deur in huis, dat het wel even pijn doet. Maar ons aan het denken zet.
Want al zou deze verheven reizang, die drie maal gelezen om eenmaal begrepen te worden, ooit bij een bizondere samenkomst worden gebruikthij is geen kérkzang.
Aan de andere kant zouden we voorzichting willen opmerken, dat onze liefde tot God de Heere ons wel nieuwe namen of aanduidingen zou kun-
-nen ingeven, die niet vooraf veroordeeld kunnen worden. Dichterschap vraagt zekere vrijheid. Zo is "vogel Gods" (L 250) als naam voor de Heilige Geest, door de commissie afgewezen, naar onze mening wél in overeenstemming met de Schrift, die de Geest beschrijft als een duif. (Matth. 3:16).
De “Drievuldigheid”(L 165) wordt onaanvaardbaar geacht. Waarom? Er wordt niets anders mee bedoelde dan Drie-eenheid, al zijn het meest onze R.K.-broeders, die het eerste woord gebruiken. Laten we dan mogen opmerken, dat ook Drie-eenheid een theologisch, geen Bijbelwoord is. En dat zowel Augustinus als Calvijn beleden: dat ons spreken over de Drie-eenheid uiterst gebrekkig is; hetgeen door art. 9 NGB onderstreept wordt. De drie onderscheiden Personen, die samen de enige God zijn, worden in de Bijbel maar eenmaal samen genoemd – en dan nog in een tekst, die tussen teksthaken staat! (1 Joh. 5:7)
De uitspraak van de commissie: dat beeldspraak en symboliek zo gehanteerd moeten worden als de Bijbel het doet, ligt ongeveer op hetzelfde vlak. Ook hier zouden we, hoewel instemmend, de opmerking willen maken over dichterlijke vrijheid. Er zijn Oosterse beelden, die in ons land niet vlot verstaan worden. Bovendien gaat het niet om Schriftberijming, maar om liederen.
Dat L 116 (Daar komt een schip) door de zeef valt, wekt dus onze weerstand niet. Dat lied gaat veel te ver. Ook wanneer het beeld van bruidegom-en-bruid genoemd wordt (L 295, 263) mogen er geen misverstanden worden geschapen. De bruid is de gemeente; de bruidegom is niemand anders dan Christus, als we de Schrift geloven.
Een geheel ander hoofdstuk echter vormen de opgeworpen vragen ten aanzien van de pericopen, Schriftfragmenten. Gevraagd wordt: is de keus van pericopen wel juist? Is de pericoop juist afgebakend, of is er iets uit weggelaten? Is de pericoop getrouw gevolgd?
Die vragen zijn naar onze mening wat zwaarwichtig. Ten eerste is de indeling in pericopen mensenwerk, niet door de Geest gegeven. Ten tweede hebben de pericoop-indelers te goeder trouw vele vergissingen gemaakt, die in latere Bijbeluitgaven gecorrigeerd werden. Ten derde moeten we, meer dan de commissie deed, ons realiseren dat diverse dichters voor een goed begrip van hun liederen naar Schriftplaatsen verwezen - maar deze Schriftplaatsen niet letterlijk of woordelijk in hun gedicht verwerkten.
In verschillende gevallen (L 108, 24, 37, 19, 33 en andere) wordt de Schriftplaats genoemd, maar voorzien van het voorzetsel "naar". De psalmliederen van Luther zijn op soortgelijke wijze náár enige psalm gemaakt, maar pretenderen niet psalmberijmingen te zijn. Ein feste Burg is náár psalm 46 gedicht, maar is geen psalmberijming. Aus der Tiefe rufe ich staat dicht bij psalm 130 bijvoorbeeld. Sommige Luther-liederen staan zelfs verrassend dicht bij de Schrifttekst - maar zonder die te willen berijmen.
Hier volgen wat voorbeelden uit het rapport. Gevraagd wordt: kan men L 108 wel zingen? Ons antwoord luidt: jazeker en met veel stichting. Want dit lied is weliswaar geen berijming van 1 Joh. 3 : 11-18, maar geeft wel een beste troost, geput uit de Schrift. En niet alleen troost - ook vermaning: om door de liefde het leven in te gaan. Dat mag ons aangezegd worden.
Is het juist, wordt gevraagd, om een verhaal "zonder meer" te zingen, als L 24 of 37? Het eerste is een vertaling van Luther's Jesaja dem Propheten das geschah, waarin hij het visioen uit Jesaja 6 bezong. Aangrijpend, de tegenstelling tussen Gods heiligheid - en onze menselijke onheiligheid, de "onreine lippen". Geen Schriftberijming maar een stichtende vermaning, naar aanleiding van dit visioen. Het lied eindigt met een kyriëleison, ons beste antwoord.
Ook L 37: kunnen wij Jer. 29: 4-14 wel "zonder meer" zingen, vraagt men. Het lied van ds Barnard heeft de boodschap van Jeremia (geldig voor een langdurig verblijf in Babel) in vier coupletten voor ons vertolkt; het vijfde couplet maakt duidelijk, dat wij deze wereld niet moeten mijden - maar bewonen, bebouwen en bewaren; wetende dat ze onder zal gaan maar ook vertrouwend dat wij gelovigen, op Gods tijd en naar Gods beloften, straks zullen worden uitgeleid. Ook dit lied is geen poging tot een Schriftberijming; maar bevat een troostrijke boodschap aan alle gelovigen, die het hier niet zien zitten.
De vraag volgt, of ds Barnard in L 31 iets essentieels uit de Schrift (Jes. 49 : 8-13) heeft weggelaten? De commissie antwoordt: dit gedeelte is ten onrechte losgehaakt van de voorgaande profetie over de Knecht des Heeren.
Weer wijzen wij er op, dat dit lied geen woordelijke Schriftberijming voorstelt, maar een boodschap "naar aanleiding van". Het staat er boven. De inhoud van het lied is geladen met de Schrift, maar élke caesuur moet mogelijk zijn voor een dichter, al is hij predikant. Zulk een lied kan, na een preek over de Knecht des Heeren, geen enkel misverstand wekken; kan een opbouwende toepassing geven. En de uitdrukking "de mensen van nacht en nevel brengt Hij naar het heilige land" (wie denkt niet aan "Nacht und Nebel", de smeltkroes waarin tallozen onder gingen?) is een vrije verwoording van Christus' wederkomst.
Onze voorlopige conclusie is: de commissie stelde een aantal normen op, maar deze moeten nader bezien worden. Ook voor hun toepassing.
(wordt vervolgd)