Voor de opperzangmeester

1981-01-23
  • Jaargang 25
  • nummer 3
Van de dichteres Hieke de Jong, geboren in 1926, is weer een bundel gedichten verschenen. Ze zijn, om een mededeling op het kaft te citeren: van een overrompelende oorspronkelijkheid van zienswijze en zegging.
Nu, ik ben het daar helemaal mee eens. De gedichten zijn buitengewoon knap, zeggen onvoorstelbaar veel in weinig woorden.
Ik wil twee gedichten uit de bundel, die de naam kreeg: VOOR DE OPPERZANGMEESTER, doorgeven en trachten te verklaren, althans te zeggen wat ze mij zeggen.

Eerst dan:

Orkest

Een vogelverschrikker op zijn rug gezien
met vlugge mouwen en met fladderende panden
zwaait voor een groot strijkstokkenveld.
Hij jaagt een zwerm van gele kelen
op uit de hagen.
De stemmen stuiven tierend in de ruimte.
Ook woeden monden voort in instrumenten,
de lippen worden groot en hevig
en met een snuit, een lange en warme,
blazen zij verhaaltjes uit en aan.
Hun handen hippen lenig over fluiten,
houden de gaten plagend en om beurten dicht
voor dingen, die onafgebroken juichend
naar buiten willen glippen.

Om het begrijpen van dit kostelijke gedicht iets te vergemakkelijken, moet U weten dat uit een ander gedicht uit de bundel blijkt dat de dichteres op het land is grootgebracht. Haar moeder ziet ze nog op het bouwland, liggend op haar knieën, aardappelen poten, en haar vader op het weiland ernaast de koeien melken. Als ze dan ook in de zaal naar het orkest kijkt en de dirigent op z'n rug ziet, is ze ogenblikkelijk weer op het land. Daar zag je ook van die figuren met een lange pandjesjas en de armen gespreid, met de rug altijd naar je toe, in de wind staan. Vogelverschrikkers, met waaiende mouwen en fladderende jaspanden.
De vogelverschrikker die ze nu ziet, zwaait voor een groot strijkstokkenveld, bestaande uit violisten, gitaristen en bassisten, kortom allen die een strijkstok hanteren ..
Maar dat niet alleen. Er achter staan, keurig opgesteld, de zangeressen en zangers. Net zo als hagen van struikgewas.
Door een gebaar van de dirigent gaan de kelen open en stuiven de stemmen galmend de ruimte in, zoals opgejaagde vogels ook tierend hun stemmen laten horen.
Maar niet alleen de stemmen jaagt de "vogelverschrikker" de ruimte in, ook de blazers zet hij aan het werk. Heftig gaan hun wangen op en neer en bewegen hun lippen zich over de mondstukken van hun instrumenten.
Dat geeft muziek te beluisteren waarbij de dichteres voelt opkomen, herinneringen, de één na de ander. Ze worden immers aan- en uitgeblazen.
Maar de fluitisten gebruiken niet alleen hun mond, nee ook hun handen gebruiken zij. Die hippen lenig over hun fluiten. De dichteres weet dat er oneindig veel moois uit zo'n instrument te halen is en het wil, meent ze, ook allemaal juichend naar buiten. Maar de gaten worden door de vingers van de kunstenaar, plagend en om beurten dicht gehouden. Prachtig gezegd.
Plagend en om beurten.
Door het gebruik van dat woord "plagen" krijgt het spel iets guitigs, iets onverwachts, iets verrassends. En ook zegt het dat de blazers zelf het heft in handen houden. Zij bepalen de klanken die aan de beurt zijn.
Nu eerst het gedicht nog eens lezen.

Klaar? Dan gaan we nu apart letten op de:

Blazers

Opeens is de muziek uit allen
al tegelijk vertrokken van
de basis van hun bloed vandaan,
via hun rode tunnels, in één adem
overgegaan in kronkelwegen
van klarinetten en trompetten.
Niet meer te stuiten breekt zij uit
de openingen van het koper
en maakt een wiek van wind.

Een vogelzwerm begint boven mijn hoofd
te gillen en te fluiten
en blijft daar roepend hangen.
Ik gooi ze van mijn luisteren
het brood toe, dat ze feilloos vangen.

Op het gebaar van de dirigent zijn ze allen begonnen. De muziek, die ze als 't ware in hun bloed meedragen, gaat via hun blazende rode mond de kronkelwegen van de instrumenten in. Als dat proces begonnen is, is die muziek niet meer tegen te houden. Zij breekt naar buiten en maakt een wiek van wind, in dit geval, van geluidsgolven. Er komt beweging in de lucht.
En dan is het geluid als een vogelzwerm die gilt en fluit boven de hoofden van de luisteraars. Dat zij, de dichteres aan haar trekken komt, drukt ze uit, door te zeggen: ik gooi ze van mijn luisteren het brood toe, dat ze feilloos vangen.
Prachtig mooi vind ik ook dit gedicht. Hoe vaker je het leest, hoe sprekender het wordt. 'k Hoop dat U er ook van genoten hebt. Als 't U direkt al helemaal duidelijk was, vergeet dan mijn "uitleg" maar snel.

Tenslotte: De bundel is een uitgave van Bosch & Keuning n.v. Baarn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief