Gedachten van Jan Wit

1981-01-23
  • Jaargang 25
  • nummer 3
In augustus jl stierf Jan Wit. In het Liedboek voor de Kerken staan een aantal liederen van hem, waaronder verschillende berijmingen van bijbelgedeelten.
Hij was een dichter die bij het Woord wilde blijven.
God immers heeft het eerste woord (Lied 1), maar ook het laatste.

'God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde,
Zijn woord is van het zijnde
oorsprongen doel en zin'.

Gods woord heeft hem gegrepen.
Hij wist dat dat woord vlakbij is en in Lied 7 (berijming van Deut. 30 : 11-16) zegt hij:

'Het woord dat u ten leven riep
is niet te hoog, is niet te diep
voor mensen die 't zo traag beamen.

Het is een teken in uw hand,
een licht dat in uw ogen brandt,
Het roept u dag aan dag bij name.

Het woord van liefde, vrede en recht
is in uw eigen mond gelegd,
is in uw eigen hart geschreven.

Rondom u klinkt de stem van God:
vrijspraak, vertroosting en gebod,
vlak vóór u ligt de weg ten leven'.

Als God met Zijn woord komt gebeurt er iets (Lied 305), 'daar wordt de mens van dwang gered, weer in het licht geheven'. Dat 'onweerstaanbaar woord drijft rusteloos de eeuwen voort wat mensen ook verzinnen'.

Het lijkt soms wel eens dat God er niet is. Dan komt de vraag naar boven (Lied 233):

'Heer, gaat Gij van ons heen, in deze tijd?
Vermaakt Gij ons alleen uw dienstbaarheid?'

Het antwoord is er ook:

'Uw woord doet telkens weer de harten branden
Gij blijft nabij,o Heer, met zegenende handen.'

Ontroerd is Lied 83, dat geschreven werd naar aanleiding van Johannes 21: 15-23:

'0 Heer, blijf toch niet vragen.
Gij weet dat ik U haat,
dat ik geen kruis wil dragen,
niet gaan waarheen Gij gaat.

O Heer, blijf toch niet vragen,
Ten derde male vraagt Gij.
Gij laat niet van mij af.
Mijn haat, mijn opstand draagt Gij,
begraaft ze in uw graf.
Ten derde male vraagt Gij.

O Heer, vraag altijd verder.
Uw Iiefde triomfeert.
Huurlingen worden herder.
Het offerlam regeert.
o Heer, vraag altijd verder.'

Jan Wit was blind, maar over Gods aarde kon hij schrijven alsof hij die zag (Lied 479). Hij weet van het 'jonge leven', van de 'halmen op de akker', de 'bloemen op de velden' en hij bidt of God hem door de wereld wil poen gaan 'met open ogen, open oren'. Die aarde die aan God toebehoort is door God aan de mens gegeven (Lied 480). Het is immers Gods welbehagen die de mens zijn woonplaats geeft. De mens mag op de aarde werken, hij kan veel bereiken, maar het moet erkend:

'0 God, wij bouwen als ontheemden,
wij wonen en wij blijven vreemden,
bestemd voor hoger burgerrecht.'

In 1 Cor. 15 : 51-58 schrijft Paulus over het lichaam dat we straks bij de wederkomst van de Here Jezus zullen ontvangen. Jan Wit dichtte hierbij (Lied 93):

'Dit broze mensenleven,
verloren in de tijd,
zal God een lichaam geven
van onvergankelijkheid.
Dan is geheel geschied
het woord van den beginne:
het doodsrijk zinkt in 't niet;
Gods rijk zal overwinnen.'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief