De rechtvaardige zal door zijn geloof zingen

1981-01-30
  • Jaargang 25
  • nummer 4
"Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE, jubelen in de God van mijn heil."

Habakuk 3: 17, 18

Als je zonder werk kwam te zitten; ernstig ziek werd; je partner verloor; ondanks keihard werken zou zakken voor je examen - zou je dan toch nog juichen in de HERE? Dat lijkt even veel gevraagd en overdreven als de oproep van Paulus: verblijd u in de Here te allen tijde! (Fil. 4 : 4) Zo laat de hierboven aangehaalde uitspraak van de profeet Habakuk niet na, prikkelend te werken op christenen, die overweldigd worden door tegenslagen. "Dat zeg ik hem zo makkelijk niet na!"

Vijgeboom, wijnstok, olijfboom, landbouw en veeteelt: zij vormen tezamen de welvaart, waarin Israël de zegen van de HERE onderkende. Let wel: nooit vindt de. bijbel materiële dingen op zichzélf waardevol; zij ontlenen hun belang voor de gelovigen aan hun teken-karakter. Een goed vijgenjaar en een overvloedige wijnoogst waren voor de Israëlieten signalen: God is goed op ons. Als het leven gedijt, ontvang je een teken van Gods gunst, Zijn zegen.
Omgekeerd: als alles tegen zit, is dat voor de gelovige aanleiding tot het bange vermoeden, dat de HERE tegen hem is. Gezien tegen deze achtergrond, mag de uitspraak van Habakuk helemaal verbazingwekkend heten. Hij spreekt dan uit: al ontbreekt het totaal aan zegeningen van God, tóch ben ik ervan overtuigd dat Hij het goede met mij voorheeft.

Hoe kan Habakuk zo iets zeggen? Vooropgesteld: het is niet toevallig dat deze woorden aan het einde van zijn boek hun plaats hebben. Daarin komt tot uitdrukking, dat hij een lange weg doorlopen heeft voor hij zover was. Daarover het volgende: Habakuk heeft geleefd in een tijd dat het erop leek, dat de HERE Zijn volk totaal aan zijn lot overliet.
Een tijd, waarin goddeloze mensen ongestraft het heft in handen hadden, en de vrome gelovigen in een hoek werden getrapt (1: 2-4). Habakuk verwachtte toen, dat de HERE orde op zaken zou stellen; dat Hij de goddelozen zou straffen, en de rechtvaardigen zegenrijk in het gelijk zou stellen. Maar wat gebeurde er? De wanorde werd er alleen maar groter op. De HERE maakte Juda tot vazal van de Chaldeeën, de Babyloniërs (1 : 6), en die maakten het nog veel bonter. In plaats van dat er aan de goddeloosheid paal en perk werd gesteld, nam ze alleen maar toe. Dat heeft Habakuk onbegrijpelijk en onverdraaglijk gevonden. Hij wist als Israëliet van de orde, die God handhaaft: wie naar de HERE luistert, zal daar wel bij varen; wie de HERE de rug toekeert, zal daaraan tenonder gaan. Maar hij maakte mee, dat daar niets van terecht kwam; het was een wanorde.
Er was zo bar weinig van de HERE te merken (vgl.
1 : 2). Het leek wel alsof de duivel de baas was.

Dat deze profeet zijn boek met zo'n stralende belijdenis beëindigd heeft, komt dus niet voort uit wereldvreemdheid.
Het is niet uitgesloten dat de tegenspoed die vers 17 noemt, voor hem werkelijkheid geweest is - met even veel recht is de zin als een konstatering te vertalen (vgl. de Willibrord-vertaling: de vijgeboom bot niet uit, de wingerd draagt geen vrucht, enz.). En wanneer wij dus de ervaring hebben, dat het leven chaotisch in elkaar zit, dat de duivel het voor het zeggen heeft en de HERE pijnlijk afwezig is, dan délen wij die ervaring met Habakuk. Maar - laten wij dan ook delen in de vreugde die hij beleefde aan het antwoord dat de HERE hem gaf, toen hij Hem zijn nood klaagde.
Dit antwoord, dat de HERE wel degelijk een God is die het voor de vromen zal opnemen en de goddelozen zal straffen; dat Hij niet de Afwezige is, maar de Komende!

Hoofdstuk 3 beschrijft de imposante komst van God met beelden, die ons aan de Openbaring van Johannes doen denken. En inderdaad, dát is de boodschap: God komt vast en zeker orde op zaken stenen, maar dat zal pas gebeuren aan het einde van de geschiedenis. Als Hij komt, zal het heelal op zijn grondvesten staan te trillen. Dán zal het eindelijk gebeuren, dat God Zijn bedreigde volk tehulp zal snellen, en afrekening zal houden met de goddeloze (vers 13). Welnu, deze verzekering van de HERE heeft het bij Habakuk gewonnen van zijn ontmoedigende levens-ervaring.
Gesterkt door de belofte van God; laat hij zich uiteindelijk niet uit het veld slaan door de feitelijkheid, dat de goddelozen ongestraft hun gang kunnen gaan, en de vromen allesbehalve zegen op hun weg vinden. Hij weet nu, dat hij daarin geen teken hoeft te zien dat de HERE Zijn volk aan zijn lot overlaat. Doordat de HERE Zich geopenbaard heeft als de komende, vindt deze profeet weer grond onder de voeten.

Zo mogen wij van Habakuk leren, dat wij niet onherstelbaar van slag hoeven raken, wanneer de toegezegde zegen over een leven dicht bij de HERE, in haar konkrete verschijningsvormen uitblijft. Toegegeven: wij ervaren het menigmaal zo, alsof de duivel heer en meester is. En het is een vals optimisme om te denken, dat de geschiedenis zich zelf zal korrigeren. De bijbel zegt: de wereld zal hoe langer hoe verder uit het lood worden geslagen. Maar weet goed: dat is er geen aanwijzing van dat God van het toneel is verdwenen. Laat ook bij ons de belofte het winnen van welke ontmoedigende levens-ervaring dan ook - de belofte, dat de HERE Zichzelf in de toekomst terdege zal doen ge gelden als de Beschermer van godvrezenden en de Wreker van de ongerechtigheid.

Het is deze belofte, die ons de weg ontsluit van het nochtans blij zijn in God. Van Habakuk is het bekende Schriftwoord: de rechtvaardige zal door zijn geloof leven (2 : 4).
Hoe anders dan door zijn gelóóf, zou de rechtvaardige dan kunnen zingen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief