Tussen twee vuren

1981-01-30
  • Jaargang 25
  • nummer 4
In hoofdstuk twee van het synodaalgereformeerde rapport over het Schriftgezag wordt hoofdzakelijk een boekje open gedaan over wat nu eigenlijk Schriftkritiek is. Deze vraag wordt vooral historisch behandeld.
We krijgen een overzicht voor ons van hoe in de loop van de tijd de wetenschappelijke bestudering van het Oude en Nieuwe Testament zich ontwikkeld heeft.
Ik kan me voorstellen dat iemand zegt: spreekt een synode zioh daarover uit? Dit is toch theologie? Een kerkelijke vergadering is toch niet het geëigende orgaan voor theologische uitspraken? Hoewel ik voor deze bedenking gevoelig ben, kan ik er toch ook wel een pastorale handreiking in zien, dat een kerkelijke synode over de geschiedenis van de Schriftbeschouwing en -uitleg een en ander vertelt. Zeker, het is de roeping van Christus' kerk om belijdend te spreken over de waarheid van de openbaring die haar is toevertrouwd. Maar juist met het oog op dat be1ijdende spreken kan het nuttig zijn dat daaromheen wat zakelijke informatie geboden wordt, opdat de portee van dat belijdende spreken des te beter verstaan zal worden. Wie spreekt vanuit de bijbel kan er niet omheen dat hij dat vanuit een binnen de christenheid druk bediskussiëerde bijbel doet. De gemeente weet daar inderdaad te weinig van af. Daarom neem ik het deze synode niet kwalijk dat zij hier belerend en informerend optreedt. Je kunt niet enerzijds als kerk tot wetenschapsbeoefening (op allerlei gebied) stimuleren - hetgeen we als gereformeerde kerken toch altijd bewust of onbewust hebben gedaan - en anderzijds, als daar moeilijkheden van komen, zeggen: mijn naam is haas. Geen moeite dus met het feit dat dit wat technisch-theologische onderwerp in een synodaal rapport in verband met andere dingen (bijvoorbeeld de belijdenis-vraag hoe onze houding tegenover de Schrift moet zijn) ter sprake komt. Maar wel heb ik bezwaar tegen de manier waarop dat gebeurt. Het gebeurt m.i. te optimistisch.
Kort samengevat is de voorstelling deze dat er weliswaar in de vorige eeuw een bijbelkritische wetenschap was, waartegen we als gereformeerden stelling moesten nemen vanuit de belijdenis dat de bijbel Gods Woord is, maar dat in onze tijd de lijnen van de moderne en de gereformeerde bijbelwetenschap zich meer en meer naar elkaar toe buigen, waardoor vandaag de bestudering van de bijbel in gereformeerde kring minder geïsoleerd is dan vroeger.
Dit is m.i. veel te zonnig voorgesteld. Te onkritische wordt hier over de bijbelkritiek gesproken. Had het niet meer profetisch, meer doorlichtend gekund? Ik ga wat ik bedoel aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken. onder het kopje ‘Bijbel – een boek van mensen’ lezen we ergens in het rapport: “Uitgangspunt voor dit historisch-kritische onderzoek van de Bijbel is wetenschappelijke twijfel aan de betrouwbaarheid van de traditie”. Dus, je moet niet zomaar voor zoete koek alles aannemen wat de overlevering zegt. Akkoord, daar kun je het mee eens zijn. Als de overlevering zegt, dat de psalmen van David zijn, dat de spreuken van Salomo zijn en dat de wetten van Mozes zijn, dan is daar, ook met de Schrift in de hand, best wat op af te dingen. Toch is er evenzeer reden om de traditie tegen een al te gretige kritiek in bescherming te nemen. Dat deed bijvoorbeeld Jan Woltjer (t 1917) de eerste classicus aan de Vrije Universiteit, van wie ik ooit eens deze opmerkelijke uitspraak gelezen heb: "Grondslag der kritiek is de betrouwbaarheid van de overlevering". Een uitspraak die haast tegengesteld klinkt aan de hierboven geciteerde. Wat bedoelde Woltjer? Dat als de criticus het mes van de kritiek in de overlevering zet, hij wel moet bedenken dat de overlevering de tak is waarop hij zit.
Ik wil dat illustreren met wat in het rapport gezegd wordt over de Leidse kritische bijbelwetenschapper Kuenen uit de vorige eeuw: "Volgens onze landgenoot Kuenen was de taak van het historisch-kritisch onderzoek het gebouw van de geschiedenis van Israël, dat wij in het Oude Testament voor ons zien, steen voor steen af te breken en met het aldus verkregen materiaal een nieuw gebouw op te trekken zoals 't werkelijk geweest is." Volgens deze Kuenen klopte er van het geschiedenis-beeld dat ons in het Oude Testament geboden wordt, praktisch niets. Hij wilde derhalve die geschiedenis herschrijven. Zijn geestelijk nageslacht, ongelovig en gesekulariseerd, zou hem echter over de afstand van een eeuw heen de vraag kunnen stellen: waarom wou u eigenlijk die geschiedenis van Israël herschrijven? Dacht u ons daarmee te stichten of zo? Die geschiedenis van Israël interesseert ons echt niet meer dan de geschiedenis van welk ander volk ook. Deze Kuenen zag dus (wil ik zeggen) het geweldige feit over het hoofd dat het Oude Testament, zo onbetrouwbaar als het z.i. was, het toch maar gepresteerd had om na twintig eeuwen een mens (Kuenen geheten) er toe te brengen zijn hele leven aan de bestudering ervan te wijden – wat van Kuenens eigen herschrijving ervan maar afgewacht moest worden. M.a.w. als je deze Kuenen gevraag had: en hoe komt het nu dat zo’n slecht boek als het Oude Testament het al twintig eeuwen uitgehouden heeft en gedurende al die eeuwen miljoenen mensen geïnspireerd en gezegend heeft?, dan zou hij met de mond vol tanden hebben gestaan. Deze Aarts-kritieker ging van dit feit kritiekloos uit. de grondslag van zijn kritiek was de betrouwbaarheid van de overlevering, - precies wat die Woltjer zei. En deze betrouwbaarheid van de overlevering berust op het juiste besef dat het Oude Testament Woord Gods is en als zodanig zijn eigen lezerspubliek met gemak schept – “wat mensen ook verzinnen”, gez. 305:2. Zo laat zich ’t best verklaren dat ook na Kuenen het Oude Testament nog gewoon door gelezen wordt, in plaats van de herschrijving van Israëls geschiedenis, zoals Kuenen die inderdaad beproeft heeft.

Wel, ik zou willen dat in een gereformeerd stuk dat over de bijbelwetenschap spreekt, door zulke kritische overmoed als van die Kuenen heengeprikt werd. Dat gebeurt veel te weinig. In plaats daarvan wordt van het werk van een David Friedrich Strauss, ook zo'n bijbel-vijand uit de vorige eeuw als Kuenen, gezegd dat het van groot belang geweest is voor de Nieuwtestamentische wetenschap. Ik moet zeggen dat ik een bijbelwetenschap met zulke verdachte vaders ten diepste wantrouw. Al is het ook nog zo waar dat zij mij geattendeerd heeft en nog attendeert op dingen die ik uit mijzelf niet zag. 't Gaat mij dan ook niet tegen het scherpe intellect van die geleerden, maar tegen hun overmoed.
Ik zeg niet dat het rapport kritiekloos over die modernistische bijbelwetenschap van de vorige eeuw schrijft. Alleen dat 't te weinig kritisch gebeurt. En zeker ook met te weinig verontwaardiging. En dan verder, is het wel zo dat de kritische bijbelwetenschap na die wilde haren van het begin langzaamaan voor ons, voor de gereformeerde bijbelstudie, steeds bruikbaarder begint te worden? Die suggestie gaat van de voorstelling in het rapport uit.
Ik ben evenwel van een tegenovergestelde mening.
In de kritische bijbelwetenschap zou ik van drie periodes willen spreken. De periode van Wellhausen, die van Gunkel en Bultmann en dan de periode van onze tijd waaraan ik niet zo goed de naam van een zeer grote kan verbinden.
In de tijd van WeHhausen stond het verhaalde in het centrum. De strijd ging erover of wat de bijbel vertelde voor waar, voor betrouwbaar gehouden kon worden. Toen kwam de bijbelgeleerde Gunkel en zijn school en de aandacht verschoof van het verhaalde naar de verhaler.
In wat voor wereld leefde de verteller die in de bijbel aan het woord is? Bij Bultmann is die verteller of verhaler een groep: de jonge christelijke gemeente die over Jezus maar moeilijk uitverteld raakte. De jongste ontwikkeling is nu dat de bijbelwetenschap geboeid raakt door het verhaal zelf, hoe dat in elkaar zit en als geheel gestructureerd is. Het verhaalde, de verhaler, het verhaal - ik zie hier deze fatale lijn in dat de bijbelwetenschap zoals deze in kritische zin bedreven wordt, zich steeds verder van de werkelijkheid verwijdert. Tegen Wellhausen vocht de belijdende gemeente nog om de vraag of wat de bijbel over de werkelijkheid zegt, waar en betrouwbaar is. Die strijd was zwaar, maar duidelijk. Bij Gunkel echter is dat verwijzingskarakter van de bijbel naar de werkelijkheid gedeeltelijk verdwenen. Slechts de werkelijkheid van de verhaler en zijn sprekende en duidende wereld is daarvan nog over. Terwijl in de moderne bijbelwetenschap die werkelijkheid helemaal uit het gezicht verdwenen is. Er is nog slechts de papieren werkelijkheid van het verhaal zelf. Ik zie dus een proces van verliterarisering van de bijbel in de geschiedenis van de kritische bijbelwetenschap.
Terwijl ik juist dit van de bijbel zo opvallend vind, dat ze zo hartstochtelijk en uit alle macht naar de werkelijkheid verwijst: de werkelijkheid van de geschiedenis van Gods daden, de werkelijkheid van Zijn verbond met ons, de werkelijkheid van onze omgang met Hem. Alle middelen die de Schrift gebruikt, staan in dienst van deze verwijzing naar de werkelijkheid.
Zodat de Schrift als een goede boodschapper eigenlijk weinig aandacht voor zichzelf opeist. Natuurlijk wel enige aandacht. Dat is vanzelfsprekend bij een boek dat over zo verre afstand tot ons spreekt.
Maar juist als je bedenkt hoe groot die afstand is, moet je je verbazen hoe gering de aandacht is die de bijbel door zijn eigenaardigheden op zichzelf vestigt. "En zie!" - dat is het woord waarmee de bijbel in duizendvoudige herhaling van zichzelf afwijst. Dat geeft aan de Schrift een werkelijkheidsdienend karakter.

Daartegenover vind ik het eigenlijk een dekadente trek in de moderne kritische bijbelwetenschap dat de aandacht zich zo verschoven heeft van het verhaalde via de verhaler naar het verhaal. Zoals het in een moderne film (een goed voorbeeld: La Terrazza van Ettore Scola) kan gebeuren dat iemand die kwaad wordt niet meer serieus genomen wordt vanwege de dingen waarom hij zich kwaad maakt, alleen het psychische feit van het boos worden wekt bij de omgeving nog interesse, zo luistert de tegenwoordige bijbelwetenschap voorbij aan wat de bijbel zegt om slechts te letten op hoe hij het zegt. Ja, dat is dekadent, nog afgezien ervan dat 't verschrikkelijk irritant is.
Het is ook aan deze fatale ontwikkeling toe te schrijven dat de studie van de theologie zo werkelijkheidsvreemd is geworden en zo los is komen te staan van de gemeente. Ik weet wel, daar wordt iets tegen gedaan.

De theologie laat aan de Heilige Schrift niet langer de centrale plaats en stort zich in bijvakken als philosophie, psychologie en sociologie om zo dichter bij de werkelijkheid te komen. En voorzover de theologie dan nog bijbelwetenschap is, is ze in handen van literaturisten die zelf zeggen dat ze geen theologen zijn. En inderdaad, gaat het om kwesties van geloof en leven, dan wagen ze zich aan geen enkele uitspraak op grond van wat de Schrift zegt en hullen zij zich in voorzichtig wetenschappelijk stilzwijgen. Ik doe met dit sombere beeld zeker geen recht aan alle theologen-exegeten aan de nederlandse faculteiten, maar het geheel overziende spreek ik toch rustig van een impasse waarin de bijbelwetenschap steeds meer geraakt. Het is waar dat zij zich niet meer zo kras-kritisch uitspreekt als in de dagen van Kuenen en Wellhausen, maar daarin een verbetering en een opheffing van het gereformeerde isolement te zien is een van de argeloosheden waaraan dit rapport zo rijk is.
Om des tijds wille moet ik hier afbreken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief