Armoede
1981-01-30
In de tijd van het kerstfeest wordt er in lied en preek gewezen naar de armoede van het Kind en Zijn ouders. “Zo arm werd Hij, voor U en voor mij”. Jozef en Maria behoorden tot de min-vermogenden. Het blijkt uit Lucas 2:24 en Leviticus 12:8. Een paar duifjes, dat kon er nog net af.- Jaargang 25
- nummer 4
Je denkt daar over na: vanwaar die armoede. Zeker, het “Huis van David” was geen regerende dynastie meer, maar daarom kon er nog wel een behoorlijk bezit zijn in de familie. Hoeveel vorstenhuizen verloren de kroon en de troon, maar de familie behield iets van de vroegere grandeur en bezit nogal wat aan onroerend goed. Niet alzo het nageslacht van David. Bij je bezoeken hoor je familieverhalen. De verteller spreekt van een gegoede familie; grote zakenmensen, veel bezittingen. Opeens is er dan één van het geslacht, die het fortuin te gronde richt; door wanbeheer van het vermogen en door een slecht beleid in zaken.
“Dat was geen beste”, zegt de verteller. “Hij heeft de familie in de afgrond gestort, die doorbrenger “.
Maar in het huis van David doet het feit zich voor, dat de armoede over het geslacht gebracht is door één van de besten uit de familie. Hiskia, die vrome koning. En het gebeurde, toen hij z’n familiebezit toonde aan de gezanten van de Heer van Babel. Dan staat de profeet vóór hem en kondigt de armoede aan, de grote vernedering voor Davids huis.
Zodat Jozef, wanneer hij het krap had, aan Hiskia denken moest, aan Hiskia nog wel… wie had dat gedacht. Gods volk zondigt niet goedkoop, zeggen de zeer oude mensen. Wie op rijkdom roemt en dank zij have en goed zich veilig noemt….en denkt, mijn huis houdt altijd stand…hij raakt aan andren eens zijn schatten kwijt… (Ps. 49).