Politieke kerkgeschiedenis

2011-12-09
  • Jaargang 55
  • nummer 24
Ewout Klei schreef met ‘Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek’ de geschiedenis van het GPV. Het proefschrift waarmee hij dit voorjaar aan de Theologische Universiteit in Kampen de doctorstitel verwierf, leest als een trein. Het biedt veel totnogtoe onbekende informatie (zoals het voor mij verrassende feit dat de kiesvereniging-van-buitenverbanders in Wezep in 1973 zelf bij de partijleiding aankaartte, of men wel in het GPV kon blijven), trekt kraakheldere lijnen die de lezer in de veelheid van feiten en personen stevig houvast geven en is met vaart en verve geschreven.

Geestelijk klimaat
Wie zelf een flink deel van de door Klei beschreven periode bewust heeft meegemaakt, kan een boek als dit niet afstandelijk lezen. Hoezeer het ook over een politieke partij gaat, ‘dit boek is voor mij kerkgeschiedenis’, zei een Nederlands Gereformeerd kerklid tegen me na lezing ervan. Zo is het mij ook vergaan. Kerk en politiek waren immers volgens de meerderheid in GPV en GKV één. Al gaat het boek over de jaren waarin ik politiek actief in het GPV was, ik ben toch vooral gepakt door de schets van het geestelijk klimaat in mijn kerk tussen 1944 en 1970. Een klimaat waarin verschillen met andere christenen, buiten én binnen de eigen kerk, werden geduid in termen van geloof en ongeloof, waar en vals, God en satan, waarin persoonlijke conflicten een diep religieuze lading kregen en waarin de broeder of zuster die anders dacht over politieke samenwerking met andere christenen of over wat dan ook, al snel geen broeder of zuster meer was.
Dat is niet maar alleen wij tegenover zij. Hebben sommige Nederlands-Gereformeerden-van-nu zich als vrijgemaakten-van-toen, zeker in de eerste tien, vijftien jaar na de Vrijmaking daaraan ook niet bezondigd? Ik las Klei’s boek in dat opzicht ook als een spiegel.

Onnauwkeurig
Klei schreef een gedegen studie, maar is hier en daar onnauwkeurig. Los van wat foute naam-spellingen, zelf word ik aangeduid als fractiemedewerker van Jongeling, terwijl ik in werkelijkheid Verbrugh assisteerde.
De GS van Rotterdam-Delfshaven zette niet zelf ds. A. van der Ziel af, zoals Klei schrijft, maar keurde diens afzetting door de kerken in Groningen goed. Dat ik in 1973, kort voor de uitstoting uit het GPV, de kiesvereniging in Voorthuizen ‘nieuw leven’ heb ingeblazen, klopt niet. Net zo min als de typering van zendingslector D.K. Wielenga in de crisisjaren aan de Theologische Hogeschool als eensgezind met de hoogleraren Kamphuis, Doekes en Schilder tegenover de andere docenten. DKW liet zich – onafhankelijk en eigenzinnig als hij was – ook in Kampen bij geen enkele partij indelen, zoals zijn bezwaarschrift aan de GS van Hoogeveen duidelijk maakt.

Onnauwkeurigheid is één ding, maar gebrek aan objectiviteit is andere koek. Te vaak laat Klei zich in zijn geschiedschrijving meeslepen door zijn eigen opvattingen en komt hij met niet wetenschappelijk onderbouwde kwalificaties als demagogisch, triomfalistisch en totalitair.
En wie de GPV-toogdagen van de jaren zestig anno 2011 als autoritair, nationalistisch en militaristisch bestempelt en zegt dat ze associaties met het ‘fascisme’ opriepen, negeert compleet de maatschappelijke setting van die tijd waarin dit soort manifestaties heel wel pasten.

Leemten
Met zijn proefschrift heeft Klei een belangrijke leemte in de geschiedschrijving van de vrijgemaakt gereformeerde zuil gedicht. Maar andere leemten blijven en dus blijven er wensen voor verdere geschiedschrijving.
Terecht signaleert Klei dat Jongeling en het Gereformeerd Gezinsblad in de kerkstrijd ondubbelzinnig partij kozen voor Trimp en Kamphuis.
Maar wat de rol van de vrijgemaakte krant in de kerkscheuring van de jaren zestig precies is geweest en welke invloed het nieuws- en commentaarbeleid op de scheuring heeft gehad, daarover is totnogtoe geen publicatie verschenen. Toch is voor zo’n publicatie alle reden, nu de krant die op de Oudejaarsdag van het scheuringsjaar 1969 zijn binnenkerkelijke jaaroverzicht de kop ‘Het jaar van Gods vredesoffensief ’ (!) meegaf, vijftig jaar later een compleet andere koers vaart.

Er is nog een onderwerp dat me in verband met de kerkstrijd intrigeert.
In zijn eerste hoofdstukken schetst Klei de rol van vrijgemaakte prominenten als Visee, Den Boeft, Bremmer, Van der Stoel en Veenhof die tot begin jaren vijftig qua opvattingen diehards waren. Een paar jaar later zijn ze verschoven naar de ‘rekkelijke’ hoek en geven ze leiding aan het verzet tegen de hun mede-diehards-van-vroeger.
Maar wat is er in die paar jaar met hen gebeurd? Waardoor zijn ze zo van opvatting veranderd? Zijn dat allemaal individuele, onderling verschillende verhalen of hebben die een gemeenschappelijke noemer? Die vragen intrigeren mij mateloos en kunnen, nu een aantal van hun kinderen nog leeft, wellicht nog beantwoord worden.

Maar terug naar het boek van Ewout Klei. Het is over het geheel een doorwrochte studie, soms te subjectief getoonzet, maar niettemin zeer het lezen waard.

Klei, E. (2011), ‘Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek’. Een geschiedenis van het gereformeerd politiek verbond, 1948-2003. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. 454p. € 29,95. ISBN 978903513609.

Ad de Boer is redacteur van Opbouw.
Hij was actief in het GPV tot hij in 1973 samen met de andere leden van zijn kiesvereniging in Voorthuizen als lid geroyeerd werd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief