Dit nu zijn de namen

1981-02-06
  • Jaargang 25
  • nummer 5
Van vogelvrij tot vrij als een vogel
Na 444 dagen is de gijzelingsactie in Iran beëindigd. De aya-tolla Khomeini is de grote verliezer. Hij beurde alleen Irans eigen geld en dat nog niet eens helemaal.
Voor de operatie Exodus, bevrijding van een in zijn geheel gegijzeld volk, had God niet meer dan één man nodig vergezeld van een helper, een "mond" (Ex. 4: 16). Bovendien vertrokken de gijzelaars op dringend verzoek en overladen met goud en zilver: hun achterstallig loon (12 : 31-36). Farao's nagezonden keurtroepen werden aan de grens tot de laatste man vernietigd zonder dat er een wapen aan te pas kwam. Israël bevrijd van het klapnet dat over hen was neergedaald (Ps. 91 : 3, vgl. Ps. 124: 7) was niet langer vogelvrij verklaard, maar trok vrij als een vogel naar het beloofde land. Egypte's land en volk bleef achter in een desolate toestand: economisch, militair en politiek geruïneerd.
Tot in Jericho had men van deze actie gehoord een huis als van Rachab leende zich daar ook toe (Joz. 2 : 10, 11) - en dat zonder ónze media. Niet alleen door de pascha-viering werd de exodus onder Israël in gedachtenis gehouden. Het thema keert duizendvoudig terug bij psalmisten en profeten, tot in de boeken van het nieuwe verbond toe. Het behoeft nauwelijks te verbazen, dat iemand (D. Holwerda) dé vraag heeft gesteld: Zag Israël zijn uittocht als schepping? Er is m.i. reden te over die vraag bevestigend te beantwoorden.

Familiekroniek
Een vergelijking met Iran-Amerika mag aardig zijn, maar God geeft in de bijbel meer dan een opsomming van (zijn) heldenfeiten. We krijgen niet maar een brokje nationalistische, joodse vaderlandse geschiedenis en evenmin een stukje geschiedenis van de oud-oosterse wereld. Het gaat om openbaring, om onthulling. 't Is alsof God een vergrootglas houdt boven het oude Egypte en tegen ons zegt: kijk eens even mee - zie je hoe Ik met vaste hand ook tóen mijn plannen verwerkelijkte?
Welk licht valt er op die eerste verzen van het boek Exodus (in het hebreeuws genoemd naar het verhalend begin "Dit nu zijn de namen ... " - kan het droger?)?
Op het eerste gezicht lijkt het niet meer dan een simpele herhaling en samenvatting van Gen. 46. Een aanstippen hoe Jacob en zijn zonen (gerangschikt naar hun moeders), naar Egypte zijn getrokken - zeventig man in totaal (vgl. Gen. 46: 27). Met de "kroniek-matige" mededeling, dat Jozef er al was en dat ze allemaal - "dat gehele geslacht" - inmiddels gestorven zijn. Het doet denken aan het familie-register in een oude statenbijbel, waar je weemoedig nog eens in bladert. Maar daar houdt de vergelijking ook op. Want opeens is er geen sprake meer van een "geslacht" waartoe ieder met zijn huis(gezin) behoorde.
Opeens, lijkt het wel, is er sprake van een volk.

Het wonder van een volksgeboorte
Opeens valt het licht op dat oorspronkelijk handje-vol mensen in Gosen, in die uithoek van het oppermachtige Egypte.
En de verteller weet niet hoe hij het vertellen moet: tot vijf keer herhaalt hij dezelfde mededeling in steeds andere bewoordingen. Luister maar: "De Israëlieten nu waren vruchtbaar (1) en breidden zich snel uit (2); zij vermenigvuldigden zich (3)en werden uitermate talrijk (4), zodat het land met hen vervuld werd" (5).
Dat handjevol mensen ging in die uithoek van Egypte niet ten onder. Ze groeiden ongedacht en wonderlijk uit tot een heel volk: ze vulden het land!
De uitbundigheid van de verteller is te begrijpen. Die van de nieuwe farao -- van Jozef weet hij niets meer af evenzo. 't Is alsof hij zijn ogen opendoet en verbaasd constateert: kijk nu toch eens: het volk der Israëlieten is groter en talrijker dan wij ... En samen met zijn onderdanen kijken ze er naar, met grote, niet begrijpende, ongelovige ogen. Maar dan is het voor hèn eigenlijk al te laat. Opeens staan ze voor een onplezierig maar voldongen feit. Dat is voor hèn, voor buitenstaanders, het verrassingselement.
Voor Israël zelf zo goed als voor de verteller is er ook een.
Niet dat van het fait accompli, maar van de herkenning.
Zodat ze gaan zeggen na die zevenvoudige herhaling (de woorden van de farao inbegrepen: nu zie ik het - ik zie dat dit wonder der vermenigvuldiging eenvoudig de vervulling is van Gods belofte, van Gods gegeven woord. "Ik zal u tot een groot volk maken", zo talrijk als "het stof der aarde . . . als de sterren aan de hemel . . . als het zand der zee" (Gen. 12 : 2; 13 : 16; 15 : 5; 32 : 12).Hoe vaak stelt God niet zijn tegenstander en de wereld bij verrassing voor voldongen feiten, die niet meer ongedaan te maken zijn! Maar voor wie naar Hem luistert en Hem gelooft, licht de historie op. Ogenschijnlijk gebeurt er jaren, eeuwen lang niets in Egypte. God zegt niets. En ogenschijnlijk dóet Hij ook niets: de tijd schijnt stil te staan. Toch is het geen verloren tijd: Hij vult hem geheel, gebruikt hem volledig om Zijn plannen ten uitvoer te brengen. God drukt ons met de neus op de Schrift en op de feiten. Zodat we opeens kunnen zeggen: in uw licht zie ik weer (het) licht!

Soortgelijk en toch eigensoortig
In Gosen is een volk geboren. Niet zomaar: de verteller weet zijn verbazing op ons over te brengen in de vorm van het wonder der vermenigvuldiging. Ook niet zomaar een volk: ze zijn uniek. Ze zijn dat niet omdat ze bijzondere, opvallende mensen zijn, een soort apart. Juist in het kader van die snelle bevolkingstoename is het van belang naar Mozeste luisteren: "niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE zich aan u verbanden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken.
Maar, omdat de HERE u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had ... " (Deut. 7 : 7, 8). Hetzelfde nog eens verderop: "alleen aan uw vaderen heeft de HERE zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volkeren -uitverkoren ... " (Deut. 10: 15). De nadruk valt op Góds keuze, eed, daad. Ze waren, zoals ik eerder eens schreef, ook als volk religieus gekwalificeerd.
Dat is het enige plus dat zij hebben boven alle andere volken.
En dáárom staan ze in de Heilige Schrift in het centrum van de belangstelling tot in Paulus' brieven toe.
"De Israëlieten", de kinderen Israëls (St. Vert.) noemt de verteller hen achteraf (Ex. 1 : 7, 9; vgl. Gen. 36 : 31). Maar niet dan nadat hij de eerste zeventig had getypeerd als "de afstammelingen van Jacob".
Hij rekent het ons nauwkeurig voor. Van zeventig tot een heel volk.
Daar is tijd, veel tijd overheen gegaan - zo'n 400 jaar.
Dat laat enig licht vallen op het zinnetje: "toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had" (1 : 8). Jozef was al gememoreerd als woonachtig in Egypte voordat Jacob met zijn familie zich daar vestigde (1 : 5). Ook zijn dood was vermeld. Die nieuwe koning, zou je zeggen, kón Jozef dus ook niet gekend hebben daar lagen eeuwen tussen.
Maar blijkbaar wordt met die nieuwe farao gedoeld op een nieuwe dynastie - welke dan ook. Egypte heeft oudtijds heel wat wisselingen van dynastiën beleefd. Dat sluit dan ook in, dat deze "nieuwe" farao geen verplichtingen, geen boodschap heeft aan Jozef, die indertijd zoveel voor de toenmalige dynastie èn voor Egypte had betekend.
Daarom behoeven wij die nieuwe farao ook niët al te serieus te nemen als hij tot zijn volk zegt: Zie, het volk der Israëlieten is groter en talrijker dan wij - ze vormen een mogelijk gevaar. De man is een goede demagoog.
En onderdrukking van minderheden is beslist geen nieuwtje van onze tijd. Bovendien behoefde hij niet bang te zijn voor actie- en priestergroepen. De zaak leek simpel. Maar hij had dan ook nog geen kennis gemaakt (zoals de dynastie ten tijde van Jozef) met de Gód van de kinderen Israëls!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief