Dit nu zijn de namen (Exodus 1) (2)

1981-02-13
  • Jaargang 25
  • nummer 6
Jozef overtroefd
Ogenschijnlijk is er niets bijzonders aan de hand. Vergelijkingen laten zich dan ook makkelijk trekken. Wanneer de sjah verdreven is, grijpt Khomeini naar de macht. Niets beter om het hele volk achter zich te krijgen dan het aanwijzen van een gemeenschappelijke vijand. Tweeënvijftig Amerikanen betalen de tol aan de ayatollah.
Het script zou ook meer dan drieduizend jaar geleden geschreven kunnen zijn. Een nieuwe man komt aan de macht in Egypte - de zoveelste troonswisseling en dynastie.
Maar ook Egypte is geen solide eenheid: boven- en beneden-
Egypte zijn bijna even onverenigbaar als de zuidelijke en noordelijke Nederlanden in de vorige eeuw. Dus wijst de farao "die Jozef niet gekend had" een gemeenschappelijke vijand aan. Die is gemakkelijk te vinden en tegelijk met zorg gekozen. Nu speelt hij de kaart uit die Jozef eens als troef gebruikt had, of liever: hij overtroeft Jozef. Destijds had Jozef zijn vader en broers goed geïnstrueerd: "En wanneer Farao u roept en zegt: wat is uw bedrijf? zegt dan: uw knechten zijn veehouders geweest van onze jeugd aan tot heden, zowel wij als onze vaderen - opdat gij in het land Gosen moogt wonen, want al wat schaapherder is, is den Egyptenaren een gruwel" (Gen. 46 : 33, 34). Jozef maakte destijds handig gebruik van farao's ijdelheid: wat is een stinkende veeboer vergeleken bij de hoog ontwikkelde Egyptenaar die "alle wijsheid" (Hand. 7 : 22) in pacht heeft en met het grootste gemak de ene pyramide na de andere laat verrijzen - een volk dat baadt in weelde (Hebr. 11 : 26)?
Welnu, het klapnet valt dicht. Hoor de nieuwe machthebber in de toespraak tot zijn volk: "Zie!, het volk der Israëlieten is groter en machtiger dan wij." Enige overdrijving kan geen kwaad in de politiek en er blijft altijd wel iets van hangen: daar moet iets aan gedaan worden! Er wórdt iets aan gedaan: "Welnu, laten wij(!) met beleid (practische wijsheid) tegen hen optreden, opdat zij zich niet vermenigvuldigen (alweer dat woord) en zich - als wij in oorlog komen - bij onze tegenstanders aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken."

Boerenbedrog
Volksverlakkerij werkt op z'n best als je er een democratisch tintje aan verleent. Of beter nog, als je kans ziet het volk tot medeplichtige te maken: "laten wij met beleid tegen hen optreden."
Door te attenderen op het hoge geboortecijfer kun je speculeren op de angst voor minderheden. Wat zeggen en denken wij als het gaat om Ambonezen, Surinamers, Turken en Marokkanen? Ik weet dat de vergelijking hier en daar mank gaat, maar het element van de angstpsychose speelt wel degelijk een rol.
Met de eerlijkheid behoef je het ook niet zo nauw te nemen.
Het ene moment heet het volk der Israëlieten "groter en talrijker dan wij." Maar even later komt de aap uit de koninklijke mouw: ze mogen vooral niet wegtrekken - ze zijn als slaven goed bruikbaar.
Hoe verkoop je dat? Met een beroep op de ervaring en de geschiedenis: "als wij in oorlog komen ... ". De suggestie is even duidelijk als bruikbaar. Egypte hád nogal eens last van binnenvallende volken en stammen. Die werden uiteraard aangetrokken door Egypte's rijkdom. Onderdrukte groepen - wie anders dan slaven bouwden de pyramiden - waren uiteraard geneigd de invallers bij de vallen.
Máár: de Israëlieten wáren geen slaven, de farao wilde ze juist slaven maken. Ook zulke politieke drogredenen vol pseudo-logica zijn ons niet onbekend. Het wapen van de omgekeerde waarheid (een land binnenvallen om het te beschermen tegen agressie, tegen invallen van buitenaf) wordt bijna ononderbroken gehanteerd. Zélfs als je het doorhebt - wat lang niet voor ieder het geval is - ben je vrijwel machteloos. In deze wereld geldt bijna altijd het "recht" van de sterkste!

Koehandel voor een troon
In nuchtere woorden wordt ons het resultaat verteld: "daarom (!) stelde men opzichters van herendiensten over hen aan om hen door de hun opgelegde dwangarbeid te onderdrukken". De slavernij is een feit geworden. De voorzegging van Abrahams God óók: "weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar ... " Góds overweging: " ... want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten (Kanaäns bewoners) niet vol" (Gen. 15: 13-16). Let wel: de Enige van wie kan gelden: "volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal ...
alle volken zijn als niets voor Hem" (Jes. 40: 15-18)- juist dié onvergelijkbare God geeft de Amorieten alle tijd en alle kans ten koste van Zijn uitverkoren volk. Maar een farao die met kunst en vliegwerk moet proberen de twee delen van zijn rijk (Boven- en Beneden-Egypte, met aparte residenties) bijeen te houden, grijpt naar het wapen der onderdrukking . . . Hij weet er ook heel strategisch voordeel van te trekken: "zij moesten voor Farao voorraadsteden bouwen, Pithom en Raämses."
Een goocheme zet: het zijn voorraadsteden, steden waarin voedsel en oorlogsmateriëel kon worden opgeslagen. Maar ook: steden, die ommuurd als vesting kunnen dienen. Naar alle waarschijnlijkheid in het Noord-Oosten van Egypte, het enige grensgebied zonder natuurlijke bescherming en gelegen bij de weg die naar Egypte voert, via Kanaän, vanuit Mesopotamië. Een natuurlijke invalspoort. De nieuwe farao geeft blijk van strategisch inzicht: het volk Israël zit nu opgesloten hun bijdrage aan de economie (hun vee) blijft voor Egypte behouden - ze zijn ongevaarlijk gemaakt - en ze moeten Egypte tegen gevaren beschermen.
Het enige waarmee hij niet rekende, was Gods hand in de geschiedenis: ondanks alles kon hij de exodus niet voorkomen. Zelfs massale gijzeling blijkt straks zinloos.

Meer dan het gewone
De eerste waarschuwing krijgt hij meteen al: "maar hoemeer men hen onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en breidden zij zich uit, zodat men bevreesd werd voor de Israëlieten"!
Uit die mededeling kun je om te beginnen al afleiden, dat de slavernij langer heeft geduurd dan je op het eerste gezicht (gehoor) zou denken.
Het tweede is, dat farao's maatregelen een averechtse uitwerking hebben. Opnieuw komt het thema van de wonderbare vermenigvuldiging aan de orde. Dat geeft de Egyptenaren te denken. En meer dan dat: ze worden bang. Dingen, gebeurtenissen die je niet begrijpen kunt, zijn angstwekkend. Zeker in een wereld waarin men nog gelooft aan de macht van goden.
De farao uit Abraham's dagen waagde het niet Sara of Abraham met een vinger aan te raken. De farao van de nieuwe dynastie is driester.
Maar zijn volk wordt bang ...
Bang voor de Israëlieten bang voor die vreemde slaven, die niet in het normale patroon passen. De verharding van de farao begint al in een vroeg stadium. Maar een farao geldt zelf als een godheid.
En dus laat hij het aankomen op een machtsstrijd: wie is de sterkste? De antithese, de vijandschap naar Gen. 3: 15 is er en neemt steeds nieuwe vormen aan.
Het "zaad van Abraham" is de inzet. Omdat wij dat weten, lezen en horen we de geschiedenis anders dan die van willekeurig een ander volk.
De heilsgeschiedenis is door God aan de orde gesteld, Maar de strijd tussen God en zijn tegenstander speelt zich merendeels af in het menselijk vlak. Tot de gevangenis gevangen is genomen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief