Tussen twee vuren
1981-02-13
Nu ik ten slotte nog iets wii zeggen over het lange vierde hoofdstuk dat tegelijk het titelhoofdstuk is van het rapport (De Aard van het Schriftgezag), kom ik nog even terug op een zin uit mijn vorige armkei die bedoelde de Schriftleer van professor Berkouwer te typeren: "Dat wil zeggen dat hij de menselijkheid der Schrift tot in het centrum van de bijbel willaten oprukken."- Jaargang 25
- nummer 6
Deze werkelijkheid van de te pas en te onpas ter sprake gebrachte mens dringt zich telkens en telkens weer aan mij op bij het lezen en herlezen van het rapport en ook van dit Ihoofdstuk ervan. "Daar is die mens weer!" - heb ik ergens in de rand gezet. Een wat geprikkelde uitroep van iemand met een religieuze honger die in deze geestelijk zo schrale tijd ook via een synodestuk God wil ontmoeten, maar het dan steeds weer moet doen met de firma 'God & Co.'. En deze God van 'God & Co.' is geen God. Het is de vermenselijkte god wiens keerzijde de vergoddelijkte mens is. Het eerste hoofdstuk van het rapport u weet wel: God is God niet meer werkt in alles door.
Luister eens mee naar enkele uitspraken in het 'rapport over die rol van de mens. "De Bijbel is het product van een bijzondere relatie tussen God en uitverkoren mensen"
(pg 36). "God en wereld horen sinds de schepping onlosmakelijk samen ... Hij heeft Zich die aardse mens tot verbondspartner gekozen om samen goede, nieuwe dingen te scheppen" (pg 73). "Wij zijn de werktuigen waarmee Hij in deze wereld gerechtigheid tot stand wH brengen (Rom. 6: 13)" (pg 54, 55)"
"Ook hier blijkt het beginsel te geiden, dat God zijn werk op aarde gewoonlijk in bondgenootschap met uitverkoren mensen heeft verricht" (pg 38). "Wij hebben ook gezien, dat in deze formulering een wat minder passieve rol aan de mens wordt toegekend dan wij gewend waren in de Gereformeerde traditie die alle nadruk legde op het werk van de Geest" (pg 65).
Inderdaad is hier een beginsel. aan het woord, zoals in één van de aanhalingen staat, een hermeneutisch principe, een vooringenomenheid, een mal waarin de teksten gewrongen worden, waardoor tot in het binnenste heiligdom van de Schrift, waar alles je toeroept: doe de schoenen van je voeten ... , er luidop over de mens en zijn mogelijkheden gekwekt moet worden. Hoe komt men daar toch bij? Spreekt de Schrift niet heel anders? Juist als het om echte openbaring van echte verlossing gaat? "Ik die van den beginne de afloop verkondig en van ouds wat nog niet geschied is; die zeg: mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen" (Jes. 46: 10).
"Ik ben de HERE, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven .. ." (Jes. 42: 8).
"Maar de HERE zag het en het was kwaad in zijn ogen, dat er geen recht was. Hij zag dat er niemand was en Hij ontzette zich omdat niemand tussenbeide trad. Toen bracht zijn arm Hem hulp 'en zijn gerechtigheid ondersteunde Hem .. ."
(Jes. 59: 15b, 16). "En Ik zag rond, maar er was geen helper; Ik ontzette Mij maar - niemand bood steun. Toen verschafte mijn anti Mij hulp en mijn grimmigheid ondersteunde Mij" (Jes. 63 : 5). "En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende .. ." (Matth. 26 : 40). "Waar blijft het roemen dan?
Het is uitgesloten" (Rom. 3 : 27a).
Ik weet wel dat nadat de mens op deze diepe wijze verzoend is (zonder hem - voor hem) hij daarna door God in dienst wordt genomen, zodat hij zelfs 'medearbeider Gods' genoemd kan worden (1 Cor. 3 : 9).
"Het verbond is eenzijdig in z'n ontstaan, maar tweezijdig in z'n bestaan", leerden we op de catechisatie.
Zeker. Maar dat zeer wonderlijke ontstaan zal het bestaan, het functioneren van het verbond blijvend beheersen. Anders wordt dat begin zoiets als de aftrap in een voetbalspel. Die komt ook van één kant maar dat speelt al gauw geen enkele rol meer.
De dogmatische mensmiddelpuntigheid stoort mij eigenlijk het allermeest in het rapport. Dogmatisch in de slechte zin van het woord, omdat die over-aandacht voor de mens niet uit de teksten zelf opkomt. Het is waar dat je een keer leest: "Maar in het centrum van de Schrift staat niet de mens - in het centrum staat God die aan 'al het bestaande zijn en zin gaf". Maar deze zin wordt onmiddellijk daarop weer dialectisch ontledigd. "De theologische methode berust op de vooronderstelling, dat de hele waarheid alleen onthuld kan worden als er een nauw verband gelegd wordt tussen subject en object, tussen de gelovige uitlegger en Gods openbaring" (pg 70). Het blijft toch 'God & Co", tot in het binnenste centrum toe. En dat begrijp ik niet van een kerk die er in de veertiger jaren van onze eeuw een scheuring voor over had om een vermeend remonstrantisme buiten de deur :te houden. Dit rapport immers is niet vermeend maar echt remonstrants: de mens als medefirmant in het openbarings- en heilsgebeuren.
Als dit erge niet behoefde gezegd te worden, zou het veel gemakkelijker zijn om over de onderdelen van het rapport in broederlijke zin te discussiëren. Dan zouden er echt ook dingen toegegeven of zelfs geprezen moeten worden. Zo is het een goede zaak dat het rapport de Schrift in relatie brengt met de oudoosterse literatuur zoals we die kennen uit de opgravingen. Daardoor is de bijbel inderdaad in zeker opzicht uit z'n isolement gekomen.
Ook doet het rapport goed werk als het waarschuwen tegen goedkope bij het vergelijken van de literatuur van Babel en bijbel; het al te snel Babel laken en de Bijbel prijzen (zoals in kritische kringen wel eens omgekeerd gedaan is).
Toch zou ik ook op dit punt met het rapport best in kritische discussie willen gaan. Bijvoorbeeld ter zake van de bewering dat niet alleen de bijbel in een vroeg stadium van de geschiedenis 'objectieve' geschiedschrijving gekend heeft (me de boeken Samuël en Koningen over David en Salomo), maar dat ook bij de volken rondom op dezelfde levendige wijze zowel de positieve als de negatieve kanten van de regering van bepaalde koningen worden beschreven, zodat men aan Israël niet langer een vroege uitzonderingspositie op dit gebied kan toeschrijven.
Toegegeven! Toch een opmerking hierbij, omdat ik ook hier, zoals op zo menig detail, die humanistische geest die alles doortrekt, weer proef. Niet dit is volgens mij het eigene van Israëls geschiedschrijving dat er ook negatieve kanten van regerende personen naar voren worden gebracht. Want inderdaad, dat vind je ook elders, in zelfs nog vroegere tijd. Maar het unieke van de bijbel is hier, dat aan een man als David en zijn huis eerst alle heilsverwachting wordt opgehangen (de belofte van 2 Sam. 7), waardoor David en de Davidszoon 'Israëls lamp' (H Sam. 21 : 17) en 'onze levensadem' (Klaagl. 4: 20) kunnen worden genoemd, terwijl dan toch de profetische kritiek op het Davidshuis zo sterk is dat je deze trotse boom en z'n sierlijke loverkroon met vervaarlijke kracht geveld ziet worden (vgl. Jes. 10: 33, doorlezen tot 11 : 1). Hier zaagt een volk de tak door waarop het zit. Dat vind je nergens in de omringende literatuur. En geen wonder!
Zoiets doet een volk niet uit zichzelf. Dit kan alleen in een sfeer waarin het Woord heerst: "Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af, maar het Woord des Heren blijft in der eeuwigheid" (Jes. 40: 6-8; I Petr. 1 : 24, 25). In die sfeer kan van de mens radicaal afgezien worden.
Ook van de mens op wie eerst alle schijnwerpers der verwachting worden gericht. Dat gaat veel verder dän dat naast de positieve ook de negatieve kanten aandacht krijgen.
Hoop en heil gaan in de bijbelse geschiedenis altijd weer opnieuw door het menselijke nulpunt heen. "Opdat geen vlees zal roemen voor God".
We blijven nog even bij Israëls geschiedschrijving.
Op pg 40 van het rapport (waar trouwens ook het hierboven aangesnedene te vinden is) wordt tegenover een al te grote prijslustigheid t.o.v. het bijbelse bericht de Schrift een gebrek aan objectiviteit (wel niet verweten maar toch) toegeschreven, "Blijkens buitenbijbelse bronnen stonden koningen als Omri en Achab politiek en militair tot ver buiten de grenzen van Israël in hoog aanzien.
Maar de bijbel schenkt meer aandacht aan hun goddeloosheid dan aan hun verdiensten. De religieuze betekenis van de koningen van Israël en Juda staat hier centraal; voor het overige moet men de kronieken maar opslaan." Ik meen dat men zo geen recht doet aan de bijbelse bedoeling. Die wil wel degelijk de politieke werkelijkheid van het Israël van die dagen beschrijven, maar doet dat vanuit het inricht dat de profeten van die tijd, Elia en Elisa, politiek toch meer relevant waren dan de internaticnaaI bekende Omri en Achab. Vandaar dat die profeten beiden aangesproken worden als 'wagens en ruiters van Israël' (2 Kon. 2 : 12 en 13 : 14). Bij hen berustte Israëls kracht en weerbaarheid. Wij horen tegenwoordig nog wel eens het verwijt dat de jaartallen- en geschiedenisboekjes alleen maar regerende vorsten noemen als belangrijk voor het politieke gebeuren. Inderdaad is dat eenzijdig. Maar aan de bijbelse geschiedschrijving kan dat verwijt niet gedaan worden.
Nog steeds in hetzelfde gedeelte van het rapport komen we op pg 41 de volgende bewering tegen: "Het historisch-
kritisch onderzoek heeft ons ook geleerd te letten op de vormgeving van de verhalen. Daarbij is gebleken, dat niet alle literaire genres, die wij in de bijbel aantreffen, hetzelfde soortelijk gewicht hebben wat betreft de historische betrouwbaarheid. In een volksverhaal komt het er niet zo op aan, wie de held geweest is die Goliath versloeg, David (1 Sam. 17) of EIhanan (2 Sam. 21 : 19)". Het is inderdaad een interessant gegeven dat de Schrift op de laatst aangehaalde plaats vermeldt dat Elhanan, de zoon van de Bethlehemiet Jaäre-Oregim, de Gathiet Goliath versloeg.
Daar heb ik zo gauw geen verklaring voor en ik wil op zo'n punt best met het rapport meedenken.
Ook wel in de daarin gewezen richting. Maar toch 1s het kader waarin deze bijzonderheid ter sprake komt, mij veel te breed. Ik weiger te geloven dat letten op de vormgeving van een verhaal ook maar iets zou doen blijken over de historische betrouwbaarheid ervan.
Ook een volksverhaal kan van a tot z feitelijke waarheid bevatten en ik vind het verdoemd elitair en verwaand om dat bij voorbaat te betwijfelen.
Moet het weer wetenschappelijk zijn om betrouwbaar te wezen? Ook een kroniek-schrijver of een historicus kan achter een effen klerkengezicht liegen dat-ie barst. Terwijl juist het volk heel goed. kan onderscheiden tussen waarheid en verdichtsel.
Vaak worden de verhalen over Elia en Elisa als voorbeelden van zulke volksverhalen ten tonele gevoerd.
"Moet je wel met een korreltje zout nemen, hoor", zegt ons de wetenschappelijk verwaande exegeet.
Maar nu valt mij op wat we in 2 Kon. 8 lezen. De koning van Israël is daar "in gesprek met Gehazi, de knecht van de man Gods, en had geregd: Vertel mij toch al de grote daden die Elisa verricht heeft. Terwijl hij bezig was de koning te vertellen, dat deze een dode levend had gemaakt, riep daar juist de vrouw wier zoon hij levend had gemaakt, de hulp in van de koning . .. Toen zeide Gehazi: Mijn heer de koning, dit is de vrouwen dit is haar zoon, die Elisa levend gemaakt heeft. De koning ondervroeg daarop de vrouwen zij vertelde het hem" (2 Kon. 8: 4-6).
Blijkbaar is de opvatting van de bijbel dat deze "volks"verhalen ook in hun stoutste vorm (dodenopwekking) de confrontatie met de werkelijkheid niet behoeven te ontlopen.
Zij kunnen die zelfs vrijwillig aangaan, zoals hier blijkt.
Geheel onbevredigend is ook wat het rapport op pg 41 zegt over het bericht aangaande de twee dochters van Lot, die hun vader dronken voerden om door hem bevrucht te worden (Gen. 19: 30-38). "We hebben hier duidelijk te doen met volkse humor en we zouden deze vertelling beslist te serieus nemen als we er geschiedschrijving in zagen.
Zo drijven overal ter wereld volken de spot met elkaar. Nu kan men natuurlijk de vraag stellen: hoe 'komt zo'n verhaal dan toch in de bijbel? Het antwoord moet luiden, dat het is opgenomen niet vanwege zijn historische betekenis, maar vanwege zijn religieuze betekenis."
Deze verklaring roept te veel en te grote nieuwe problemen op dan dat ze nog een verklaring, dat is een verduidelijking, zou kunnen heten.
Verklaringen moeten verklaren en niet het verstaan in de weg staan.
Als verklaringen nog grotere problemen oproepen dan die welke moesten worden opgelost, kunnen ze niet geslaagd heten. "Zo drijven overal ter wereld volken de spot met elkaar" - maar als het nu eens niet waar is? Wat is dan door de bijbel, Gods Woord, een vernietigende blaam gelegd op maar liefst twee hele volken! Hoe kan de Schrift dan zelf nog zeggen: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen, d.i. ten nadele van, uw naaste?
Toch heeft het rapport gelijk dat hier iets opgeklaard moet worden.
Volken ontstaan niet zo overzichtelijk als in. deze tekst verteld wordt, dat is hier het bezwaar. Dit historische bezwaar kun je zelfs inbrengen tegen de volkwording van Israël. Inderdaad is dat ook ingewikkelder gegaan dan de bijbel vertelt.
Vele nevenstroompjes hebben bijgedragen tot de hoofdstroom. En zo kunnen we dan ook in Ezechiël 16 opeens van nota bene Jeruzalem (in die tijd de meest israëlietische stad), lezen: "gij zijt naar afkomst en geboorte uit het land der kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethitische". Het oude Jeruzalem was, dat weten wij, bij de verovering door David niet uitgeroeid en het is een eigenaardige gedachte dat de meest israëlietische stad, beoordeeld naar het bloed, tegelijk de meest on-israëlietische stad is geweest (al zal zich wel een israëlietisch ambtenarenapparaat over de oorspronkelijke bevolking hebben gelegd die daardoor ook zelf de Here was gaan dienen en zo 'Israël' was geworden).
Nu, zo moeten wij ook niet denken dat heel Moab en heel Amon uit die ene verbintenis van Lot en zijn dochters is voortgekomen. Er is bijbelse ruimte voor een meer ingewikkelde toedracht. De bijbelse voorstelling is vaak samenvattend en vereenvoudigend. Maar niet onjuist.
Zo wordt in de volkerenlijst van Genesis 10 Havila genoemd als kleinzoon van Cham èn als achterkleinzoon van Sem. Dat kan niet in de bloedverwantschappelijke zin bedoeld zijn (tenzij de moeder-linie is meebedoeld. wat in zulke lijsten niet gebeurt). De bedoeling zal zijn dat er in het volkje van Havila (in de buurt van het. tegenwoordige Jemen) chamietische en (iets minder) semietische bestanddelen zitten. En daarmee vangen we een glimp op van een ingewikkelder toedracht bij de volkwording dan de bijbel ons met het eenvoudige vader-zoonschema suggereert. Wel moet in de bedding die de bijbel in Genesis 19 aangeeft de hoofdstroom van Moab en Ammon gelopen hebben. Anders spreekt de bijbel inderdaad op dit punt een zeer vals getuigenis, alle religieuze bedoelingen ten spijt.
Ik ben nu op wat details ingegaan en het spreekt vanzelf, daar zou ik nog lang mee door kunnen gaan.
Maar we moeten zo langzaam aan eens tot een afsluiting komen. Wel beklemtoon ik dat ik de veie details die het rapport biedt in het algemeen en op zich zelf genomen wel bespreekbaar vind, omdat er vaak (niet altijd) een reële moeilijkheid in het verklaren aan ten grondslag ligt. Wel gaan de aangedragen verklaringen dan vaak in dezelfde richting als de zeer aanvechtbare hoofdstrekking van het rapport, maar die afwijzen betekent nog niet het probleem oplossen. Het is voor de gemeente goed te weten dat de Schriftuitlegger echt wel eens met de handen in het haar zit. Het ligt alles niet zo gladjes als sommige simplisten ons willen doen geloven.
Wel degelijk staan we niet zelden voor onverklaarbaarheden, soms voor oneffenheden en heel soms ook voor kleine onjuistheden.
Maar is dat een wonder? Moeten we niet veel verbaasder zijn bij zo'n oud document als de bijbel over wat we wèl snappen dan waarop we géén greep krijgen? Maar wat we niet moeten doen is dat we in de kleine oneffenheden aan de rand aanleiding zoeken om het geheel van de openbaring te vermenselijken.
Tussen twee vuren - heb ik de titel waar gemaakt? Als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat sinds ik me met het tweede vuur - het rapport - bezig heb gehouden, ik het gevoel heb dat het eerste vuur dat ik achter me heb gelaten bijna uitgegaan is. Ik hoop eigenlijk dat dat zo blijft. Eerder schreef ik trouwens al dat het meer door hen dan door mij zelf aangestoken was. Laat in ieder geval dit heel duidelijk geworden zijn: de overeenkomst dte ik met ds Boersma heb is veel groter dan het verschil met hem en het verschil dat ik met het rapport heb is veel groter dan de overeenkomst ermee.