Boekbespreking
1981-02-13
Prof. dr W. van 't Spijker, Zijn Verbond en Woorden- Jaargang 25
- nummer 6
Uitg. van De Groot, Goudriaan, 1980 - 159 pag. - Prijs f 20,-.
Dit boek handelt over doop, belijdenis en avondmaal volgens de klassieke formulieren. Misschien dat dat laatste: klassieke formulieren het voor sommigen wat minder aantrekkelijk maakt. Klassieke muziek acht de moderne mens nog steeds in een bepaald opzicht boeiend, maar klassieke formulieren spreken velen niet meer aan.
Bij alle modernisering van de liturgische formulieren zoals ook wij die in onze kerkelijke kring kennen, kan een duikbad in het originele formulierenbestand verfrissend werken. Het is zelfs vereist na te gaan wat de oorspronkelijke bedoeling van de vaderen is geweest met de uitdrukkingen, die zij kozen om hun schriftuurlijk belijden aangaande de sakramenten onder woorden te brengen. Welnu: daarin heeft Prof. van 't Spijker, hoogleraar in de Kerkgeschiedenis en het Kerkrecht aan de Theologische Hogeschool van de Chr. gereformeerde kerken te Apeldoorn ons van dienst willen zijn.
Hij heeft allerlei gegevens uit de historie verzameld en ze in het raam van de ontstaanstijd gezet en laat duidelijk zien welke betekenis dit alles voor ons vandaag heeft. Uiteraard - men kan van de auteur niet anders verwachten - blijft in dit kader de funktie van het kerkrecht en de kerkorde niet buiten schot. De summiere opmerkingen, die van 't Spijker eraan wijdt, zijn de overweging ten volle waard. "Kerkrecht is geen ander recht dan het verlenen van de volmacht om werkelijk deel te hebben (te participeren) in het heil, dat aan de gemeente is beloofd en door de gemeente (heen) in de wereld wordt geproklameerd." De verhouding van het kerkrecht tot het pastoraat wordt gememoreerd. "Zo krijgt het recht van de kerk gestalte als recht van de genade". Het klassieke doopformulier van de Nederlandse Gereformeerde Kerken gaat terug op het formulier, dat in de kerkorde van de Palts (1563) was opgenomen. Een kerkorde zag er toen wel wat anders uit dan vandaag (zie pag. 7 en pag. 8).
Maar het gaat er in alle tijden om, dat de kerkorde dienstbaar wil zijn aan de verkondiging van het Woord van God. Dr van 't Spijker loopt vervolgens de termen van de klassieke formulieren nauwgezet na en ontleedt hun werkelijke betekenis. Het geheel is doorspekt met citaten met name van Luther en Calvijn, die overigens op trefzekere wijze in een bepaalde kontekst worden geplaatst en nergens dienen als welkome bladvulling.
De manier waarop de reformatoren zich hebben uitgedrukt over de geloofsinhoud en de geloofsbeleving blijft imponerend. Eén voorbeeld: Luther merkte eens op: "De mensen menen, dat ze spoedig alles kunnen, wanneer zij een preek gehoord hebben.
Ik weet echter, dat ik het Onze Vader nog niet goed ken, wat voor geleerde of oude doctor ik overigens ook ben, of moest zijn" (pag. 65).
De auteur laat duidelijk het verband zien tussen de Heilige Doop, de Belijdenis van het Geloof en het Heilig Avondmaal. Daar ben ik ontzaglijk blij mee juist in een tijd waarin het instituut van publieke geloofskonfessie aangevochten wordt. Het is al met al een leerzaam, ontdekkend en bemoedigend boek! Het is tevens biezonder interessant de oorspronkelijke tekst van bepaalde formulieren via bijlagen te bestuderen. Ook de verschillende tekeningen verhogen de waarde van het boek. Het zou fijn zijn als ook onze jonge mensen en dan niet alleen onze theologische studenten van dit uitvoerig geschrift, dat door De Groot te Goudriaan in royaal fomlaat en met een prettig leesbare letter op uitstekend papier op de markt is gebracht, zouden kennis nemen.
Tot slot nog enkele vragen en opmerkingen: Op pag. 46 worden de drie doopvragen, die à Lasco stelt in zijn "Forma ac Ratio" (1555) afgedrukt.
Maar wanneer er vervolgens gesproken wordt van een treffende overeenkomst met de vragen van ons formulier, missen wij een nadere motivatie waarom vraag 2 zich in de omschrijving van de leer beperkt tot het kerkelijk onderwijs aangaande "de doop en haar verborgenheid". Op pag. 23 hekelt de auteur de betiteling van God als onze partner. Hij acht, dat zo de hele Verbondsleer wordt omgekeerd.
Maar wij menen, dat het niet ongeoorloofd is van God te spreken als onze Verbondspartner, omdat de HERE Zich in het genadeverbond met ons mensen duidelijk solidair verklaart.
Wel dienen wij het gebruik van een dergelijke terminologie af te schermen tegen de moderne theologie, we één en ander anders interpreteert.
Graag hadden wij de zinsnede; die handelt over het vrolijk dragen van het kruis als teken van de navolging van Christus nader uitgewerkt gezien.
De mensen struikelen nogal eens over dat woordje: vrolijk, omdat de strijd tegen de zonde vaak met hevige pijn gepaard gaat. Het woordje vrolijk doet sommigen juist in dit verband wat geforceerd aan. Men vraagt zich af of dit woordje recht doet aan de oorspronkelijke bedoeling.
Tot besluit: Het zou te appreciëren zijn geweest wanneer Prof. van 't Spijker wat intenser aandacht had. besteed aan het pastoraat rondom de dis van het Verbond. In allerlei kringen zijn er mensen, die moeite hebben met het aangaan en aanzitten aan de tafel des Heren. Overigens zijn we dankbaar voor ettelijke desbetreffende stimulerende notities en bevelen we graag dit goede boek van harte aan!
O. Mooiweer, Enschede
Dr R. W. M. Croughs, "Het kind in gezin en samenleving"
Uitg. T. Wever, Franeker.
ISBN 90.6135.294.0. 225 blz.
+ 20 pag. foto's.f 35,-.
Enige tijd geleden verscheen bij uitgeverij Wever een nieuw boek van dr Croughs, met als titel "Het kind in gezin en samenleving". Deze in Zeeland woonachtige kinderarts genoot in medische kringen reeds bekendheid door o.a. zijn publikaties over groeistoornissen bij kinderen. Met dit nieuwe boek begeeft de schrijver zich, meer dan voorheen, op het gladde ijs van de opvoedkunde. Glad ijs, omdat duidelijker nog dan in de medische wetenschappen, de pedagogiek sterk normatief is bepaald, afhankelijk is van (subjektieve) vooronderstellingen.
Zo wordt een diskussie over de invloed van aanleg en milieu, of over het belang van gezin sterk bepaald door van tevoren ingenomen maatschappelijke stellingnamen.
In zijn voorwoord geeft dr Croughs aan dat hij in dit boek zijn christelijke levensovertuiging niet verloochent, maar dat dit - voorzover hij na kan gaan - nergens in mindering komt op de poging tot een zo eerlijk mogelijke weergave van de wetenschappelijke gegevens. Wel zal duidelijk zijn dat zijn uitgangspunten hebben geleid tot een bepaalde literatuurkeuze; als dr Croughs het belang van het gezin wil onderstrepen zal een andere onderzoeker misschien juist gegevens tevoorschijn "toveren" die wijzen op de 'kindverziekende maatschappij', waarin het gezin een ondergeschikt gegeven is. Dit wil echter niet zeggen dat de schrijver op een onjuiste wijze met de hem ter beschikking staande gegevens omspringt: het maken van een keuze is terecht, en het stelt de schrijver dat hij daarbij niet op een dogmatische wijze de 'tegenpartij' bestookt.
Vanuit zijn bewogenheid met het lot van de kinderen in onze samenleving heeft hij slechts het belang van het harmonieuze gezin willen onderstrepen.
Reden voor het schrijven van dit boek is de positie van het gezin in de westerse samenleving. Het gezin staat onder druk, en dat is niet de eerste keer in de geschiedenis, In het eerste hoofdstuk wordt al aangegeven dat dit in de decadente Romeinse kultuur en in het burgerlijke Frankrijk van de 18e eeuw ook het geval was. Daarnaast gaat de schrijver in latere hoofdstukken in op de kritiek op het gezin in Hitler-Duitsland en in de westerse wereld in de periode na de Tweede Wereldoorlog.
"De moeder-kind relatie in ere hersteld".
Zo zou je dit boek kunnen typeren.
En de vader dan? Hij komt er - in dit werk - zo op het eerste gezicht maar bekaaid van af. Pas later in het boek (hoofdstuk 9 en 10) staat hij centraal, daarvóór draait alles om de moeder, al geeft de schrijver zo nu en dan in een paar zinnen aan dat de vader even belangrijk is. Toch is de start bij de moeder niet zo verwonderlijk.
In de eerste plaats omdat de positie van de vrouw in het gezin tegenwoordig het sterkst onder druk staat. In de tweede plaats neemt in dit boek het zgn. "hechtingsproces" (specifieke band tussen opvoeder(s) en kind) een centrale plaats in, en geen emancipatorische pressiegroep kan eronder uit dat de hechting tussen moeder en kind biologisch (en daardoor waarschijnlijk ook psychologisch) gezien aanvankelijk het sterkste is.
De hoofdstukken 9 en 10 geven niettemin een duidelijk beeld van de positie van de vader in het gezin, en de gevolgen van een "vaderloze kultuur" voor de samenleving. Daarbij behoudt de schrijver zijn genuanceerde instelling: hij waarschuwt ervoor dat het gezag van de vader soms om kan slaan in machtsmisbruik.
Wie het boek van dr Croughs leest komt onder de indruk van het grote aantal onderzoekingen dat wordt geciteerd.
Vooral de vele vergelijkende studies over de ontwikkeling van kinderen in inrichtingen, in ziekenhuizen en in gezinnen vallen op. Een bezwaar dat hiertegen zou kunnen worden aangevoerd is dat de situaties waarin deze onderzoekingen hebben plaatsgevonden voor de 'leek' vaak nauwelijks kontroleerbaar zijn (b.v. kritiek op inrichtingen op basis van oude gegevens, terwijl de omstandigheden nu drastisch verbeterd zijn).
Daarom is het goed dat de schrijver deze gegevens ook weet te relativeren.
Een ander bezwaar is dat het vele feitenmateriaal wel eens ten koste kan gaan van de leesbaarheid van het boek. Anderzijds is het juist ook weer zeer illustratief. Dat laatste geldt zeker ook voor de schitterende foto's die in het boek zijn opgenomen.
Het is onmogelijk om in een korte recensie op alle facetten van het boek van dr Croughs in te gaan. Ik noem daarom slechts een aantal onderwerpen die ter sprake komen: historisch overzicht van het gezin, kindermishandeling, de onderschatte pasgeborene, de vroegste ontwikkeling van het kind, borstvoeding, het bevolkingsvraagstuk en de 'anti-vader-ideologie'.
Hopelijk wordt uw interesse door deze uitgave alleen al door deze kleine opsomming gewekt.
Enkele details van het boek zijn wellicht nog voor verbetering vatbaar.
Dat geldt b.v. voor de wat magere definiëring van het begrip autisme (97) en het hanteren van het begrip zwakzinnigheid (32), dat in de amerikaanse literatuur vaak een grotere groep mensen dekt dan in het nederlandse taalgebruik. Tegenover de kritiek die op de inrichtingen gegeven wordt zou een ondersteuning voor die ouders die gedwongen werden hun kind in een inrichting te plaatsen (omdat opvang thuis een onmogelijke opdracht bleek) op zijn plaats zijn; temeer daar de inrichting in zo'n situatie een reëel alternatief kan zijn. Omdat er in het boek zoveel onderwerpen worden aangesneden (die soms in meerdere hoofdstukken aan de orde gesteld kunnen worden) lijkt mij een trefwoordenlijst wenselijk.
Deze kritiek op ondergeschikte punten doet echter aan de grote waarde van het boek niets af. In de eeuw van het kind, waarin de positie van het kind meer dan ooit bedreigd wordt, is dit werk haast een noodzaak in de boekenkast van het christelijke gezin.
H. Algra, Den Helder