Dit nu zijn de namen (Exodus 1) (4)

1981-02-27
  • Jaargang 25
  • nummer 8
Nieuwe strijdkrachten: twee vrouwen

De verharding van farao zet al in bij het begin. Hoe duidelijker God zijn keus voor Israël laat blijken, des te harder worden mensenharten. Zich bedreigd voelen kan blijkbaar voortkomen uit afgunst. Het resultaat kan zijn volkerenmoord, genocide - bepaald geen uitvinding van de twintigste eeuw. De "nieuwe" farao weet van wanten. Wanneer verzwaring van dwangarbeid gepaard met mishandeling (ook al geen nieuws onder de zon) een averechts resultaat oplevert, zint hij op afdoende methoden.
Wat hem dwarszit, Israëls ongekende bevolkingsexplosie, wil hij in de kiem smoren. Vandaar dat hij de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen bij zich ontbiedt. Haar valt de eer te beurt, dat zij bij name genoemd worden: Sifra en Pua. Een uitlegger deelt mee: "De naam Sifra treffen wij ook aan in een lijst van Egyptische slaven uit de 18e eeuw v. Chr., terwijl de naam Pua uit ugaritische teksten uit de 14e eeuw bekend is" (F. C. Fensham, Exodus in "De prediking van het O.T.", met bronvermelding). De vraag of het om Egyptische dan wel Hebreeuwse vrouwen gaat, wordt verschillend beantwoord soms zonder enige argumentatie.
Enerzijds heet het: "Interessant is verder, dat de vroedvrouwen ons als Hebreeuwse vrouwen getekend worden" (Fensham). Maar anderzijds: "pe koning ontbiedt de twee Egyptische vroedvrouwen (de voornaamste misschien, er kunnen er meer dan twee geweest zijn) der Hebreeën" (zo W. H. Gispen in de Korte Verklaring op Exodus). We komen hier straks nog wel op terug.

Twee vrouwen zijn farao te sterk

De aanpak van farao (derde fase in de onderdrukking) wordt als volgt verhaald: "Wanneer gij de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, dan moet gij goed toezien bij de ver lossing: indien het een zoon is, dan moet gij hem doden, maar indien het een dochter is, mag zij blijven leven".
In een wat vlottere vertaling, kon dit bevel een passage zijn uit een twintigste-eeuws boek - en niet eens in de categorie science-fiction, Kennelijk wil farao zijn gecamoufleerde poging tot volkerenmoord ten uitvoer brengen door het uitschakelen van de mannelijke potentie. In bijbelse termen gesproken: "de wil eens mans" (Joh.vl : 13). Op deze manier zal de bevolkingsaanwas op den duur snel afnemen.
Het lijkt wel een vorm van kuiken-sexen - de vrouwelijke exemplaren mogen in leven blijven. Die kunnen te zijner tijd nuttig blijken als slavinnen en om de harems te bevolken.
Het cynisme in dit bevel - ook al werden in die tijd geen conferenties gehouden over mensenrechten - is 'Onmiskenbaar: zelfs al heb je een volkerenmoord in de zin, dan nog moet Je dat zo efficiënt en economische mogelijk aanpakken. Slavinnen vertegenwoordigen ook nog een zekere handelswaarde op de markt. En als "het zwakke geslacht" zijn ze bepaald minder gevaarlijk dan mannen. Zeker in een wereld waarin van emancipatie nog niet eens gedroomd wordt. Het doet dan ook ironisch aan, dat juist die vroedvrouw toen farao's subtiele plannetje in eerst er instantie laten mislukken. Zo goed als het een vrouw is, nog wel farao's eigen dochter, die straks Israëls toekomstige leider uit het water van de Nijl redt en hem koestert als een eigen zoon. Waarmee bij voorbaat 'Onderstreept wordt wat Paulus later zal schrijven: "wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen" (1 Cor. 1:27). En met een citaat uit Jes. 29: 14: "Verderven zal Ik de wijsheid (vgl. het wijs beleid in Ex. 1 : 10) der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen.
Waar blijft de wijze ... ?" (1 Cor. 1 : 19, 20). Wie de strijd aanbindt tegen de God van Israël, zelfs al is het een farao die als god vereerd wordt, moet er wel mee rekenen, dat de wapens en methoden van Gods koninkrijk buiten menselijke berekening vallen. En dat blijft van kracht ook in de twintigste eeuw.

De superioriteit der Hebreeuwse vrouwen

Twee met name genoemde vrouwen hebben het gewaagd het bevel van de naamloze (!) farao te trotseren. Daarover ter verantwoording geroepen, geven ze 'Opeen merkwaardige manier rekenschap. Om te beginnen spelen zij vrouwelijke deskundigheid uit tegen mannelijke onkunde. Maar de manier waaróp zij dit doen is ronduit verbluffend: "de Hebreeuwse vrouwen zijn niet als de Egyptische; zij zijn sterk: voordat een vroedvrouw bij haar komt, hebben zij al gebaard."
Ogenschijnlijk doen de vroedvrouwen hier een heel domme zet. Ze vestigen farao's aandacht op de superioriteit van de Hebreeuwse vrouwen vergeleken bij de Egyptische. Ze zijn sterker, Zevenskrachtiger. Je zou zeggen: zo maken ze farao dubbel kwaad. Maar de Israëliet die naar dit stukje gesprek uit het verhaal luistert, zal minstens fijntjes hebben geglimlacht. Want hetzelfde woord dat nu vertaald is met sterker (levenskrachtiger) kan óók betekenen: levende wezens, en wel dieren, beesten, het gedierte (des velds) waaraan God het groene kruid tot spijze geeft (Gen. 1 : 30), soms zelfs: wilde, gevaarlijke dieren. En dán wordt de bewering van de vroedvrouwenspottend dubbelzinnig. Je kimt er voor hetzelfde geld de snerende verachting in beluisteren: die Hebreeuwse vrouwen - die zijn net als hun schapen en geiten, net als beesten: ze hebben al gejongd voor er iemand aan te pas komt - ze redden zichzelf, wij komen er niet aan te pas. Heel anders dan beschaafde vrouwen als de Egyptische. Juist nu wordt niet gesproken van "de Israëlieten", maar van Hebreeuwse vrouwen - Hebreeën zijn immers (maar) nomaden. Niet voor niets laat farao die vroedvrouwen ongemoeid: wat kan hij tegen deze voorstelling van zaken inbrengen?

Het uur der waarheid

Verschillende uitleggers brengen er wél wat tegen in en heffen vermanend de vinger op. Want die vroedvrouwen bedienen zich van een Leugen.
Weliswaar een noodleugen, een leugentje om bestwil maar toch: een leugen. En dus plegen ze zonde (zo bijv. Gispen in de K.V.). Ze spraken de waarheid niet. Maar in de Heilige Schrift wordt waarheid vooral verbonden met "doen": de waarheid wordt gedaan, volbracht.
Een mens gaat de "weg van waarheid" als hij zijn verplichtingen als naaste van de ander nakomt. Doe je de waarheid, dan ben je iemand van wie je op áán kunt. Van die vroedvrouwen kun je op aan: ze laten niet alleen Israëls pasgeboren zonen in leven ze beschermen Israël ook als farao haar op het matje roept.
Er volgt dan ook niet: desondanks (ondanks die leugen) deed God de vroedvrouwen wèl. Nee, zonder commentaar: "en God deed de vroedvrouwen wèl". Naar de maatstaf waarover Hij met Abram had gesproken: "Ik zal zegenen wie u zegenen" (Gen. 12 : 3). Hoe? Luister maar: "het volk (Israël) vermenigvuldigde zich en werd zeer talrijk; en daar de vroedvrouwen God vreesden, gaf Hij haar ieder een (huis)gezin". Zij deelden in de zegen van Israël. Die mededeling heeft alleen zin als het om Egyptische vroedvrouwen ging. De eerste Egyptische onderdanen staan al klaar voor de zang en reidans van Psalm 87: "al mijn bronnen zijn in u!". Deze vrouwen zouden niet hebben misstaan in de rij der geloofsgetuigen (Hebr. 11). Ze hebben ervaren dat God een beloner is van hen die Hem ernstig zoeken (11 : 6). Ze maakten ernst met Hem en worden beloond met het wonder der vermenigvuldiging.
Ook dat is een stukje Goddelijke ironie. Farao's listige opzet wordt verhinderd doordat een paar vrouwen God vreesden. Het wonder blijft voortduren: "het volk vermenigvuldigde zich en werd zeer talrijk" - tot twaalf maal toe wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Er rest de farao niet anders dan openlijk voor de dag te komen en zijn ware gezicht te laten zien: "toen gebood farao aan zijn gehele volk: werpt alle jongens die geboren worden, in de Nijl, maar alle meisjes moogt gij laten leven." De volksmoord wordt een volkszaak.
En nóg wordt het een mislukking: wie vermag God te verhinderen, zijn plannen uit te voeren en zijn beloften na te komen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief