Modern noodlotsdenken

1981-02-27
  • Jaargang 25
  • nummer 8
De oude Grieken kenden de schikgodinnen.
Wanneer zij de levensdraad van een mens doorsneden, was er voor die mens geen ontkomen meer aan.
In onze tijd hebben wij van dit noodlotsdenken afstand genomen, maar er intussen wel een ander meer verwereldlijkt noodlotsdenken voor in de plaats gesteld. We zijn onder de indruk gekomen van de boodschap van vele "doomsday"-denkers, die ons de onontkoombaarheid van de chaos voor ogen stellen. Want het wereldmilieu wordt stelselmatig aangetast, de westerse demokratieën wankelen, en de bewapeningswedloop jaagt de wereld naar de ondergang toe.
Energie-tekorten drijven ons toe naar verwerpelijke vormen van energie-opwekking, die oude diktaturen in leven houden en nieuwe diktaturen doen ontstaan, en die zowel aan de ecologische crisis en aan de bewapeningswedloop - via plutonium-productie - verder voedsel geven. Er is zo te zien geen houden meer aan.
Schril steken daartegen de steeds oppervlakkiger geluiden van de optimisten af. Laten we toch meer vertrouwen hebben in onze technici, onze wetenschappers, in onze toekomstige groeimogelijkheden. De vooruitgang van het verleden - die ons in het heden tot probleem geworden is - zal zich ook in de toekomst Weilvoortzetten en ons tijdig uit de nesten halen. Als we tenminste die maar voldoende kansen willen geven. De Club van Rome heeft over grenzen gesproken aan ons milieu, aan onze grondstoffen en energie, maar heeft de onbegrensde mogelijkheden van het menselijk intellect en de menselijke vindingrijkheid systematisch onderschat.
Het merkwaardige van beide houdingen is intussen wel, dat zij ons er toe brengen ons van toekomstvragen af te wenden, en ons te storten in wat er hier en nu vandaag te beleven valt. Zowel de houding van "het komt toch wel goed", als die van het "er is niets meer aan te doen", nodigen daartoe uit. We leven in een cultuur en gaan over tot een politiek, die steeds meer in de kleine vragen van het heden vlucht.
Ook al leven wij en wonen wij op de helling van een werkende vulkaan.
De vulkaan barst toch niet uit, of: aan de uitbarsting valt toch niet te ontkomen. Hoop kent het woord "toch", maar onze tijd wordt bepaald door het "toch-niet". Een actieve hoop leeft nog slechts bij weinigen.

Jacques Ellul
Enige jaren geleden (1972) schreef JacquesEllul een boek dat op deze crisis van onze tijd ingaat: "Hope in time of Abandonment", Hoop in een tijd van verlating ("L espérance oublieé"). Verlating is een verschrikkelijk woord; het houdt voor deze protestantse socioloog-theoloog Godsverlating in. "Het is mijn overtuiging", zo schrijft Ellul, "dat wij de eeuw van de verlating zijn binnengetreden, dat God zich van ons heeft afgewend en ons aan ons lot overlaat" (71). Ellul baseert die ontstellende uitspraak op de overtuiging, dat de moderne mens een mens zonder hoop geworden is. Hij sluit daarin aan bij Jürgen Moltmann (Theologie der Hoffnung), maar werkt die uitspraak op geheel eigen wijze uit. Hij wijst er b.v. op, dat inspirerende ideeën als recht, vrede, vrijheid, demokratie woorden zijn geworden, die steeds meer voor hun volstrekte tegendeel worden gebruikt. Maar juist die woorden belichaamden voor de mensen nog hoop - die nu is weggenomen.
Ook wordt de sociale en politieke omgang steeds meer bepaald door de minachting van elkaar en het wantrouwen van elkaars bedoelingen.
Marx heeft ons immers geleefd dat mensen altijd klasse-bepaald denken en handelen; Nietsche dat we ofwel denken vanuit een slavenmoraal, of als Übermensch; Freud, dat iedereen handelt onder invloed van sexuele frustraties. Maar daardoor is de- hoop uit politiek en maatschappij weggeweken. "Steeds wanneer een nieuwe mogelijkheid, een doorbraak, een andere opvatting vorm krijgt welt onmiddellijk de vraag bij ons op: Vanuit welke klasse, vanuit welke ideologie, vanuit welk psychisch complex, vanuit welk belang ontspringt deze nieuwe hoop - die immers niets meer kán zijn dan de vervalsing van een situatie die men niet onder ogen heeft willen zien"? (52) Zo hebben we grondig geleerd elkaar hopeloos te wantrouwen. En dit alom verdwijnen van de hoop kan niet anders betekenen, aldus Ellul, dat God zich van ons heeft afgewend. Na het verraad dat het Christendom met het Evangelie van Christus heeft gepleegd laat God ons aan onszelf over.
Kunnen christenen dan nog wèl hoop hebben, nu de wereld haar ondergang tegemoet lijkt te gaan?
Ja, zegt Ellul - maar dat is dan de hoop op en het gelbed voor Gods terugkeer. In die tussentijd moeren christenen "incognito" leren leven, zoals het Joodse volk door de geschiedenis heen, wachtend op het ogenblik dat God's verlating van deze wereld een einde neemt.

Weinreb
Weinreb, de veel omstreden Jood Weinreb, schreef in 1967 het werk "lk die Verborgen ben" - een studie naar aanleiding van het Bijbelboek Esther. De "Ik ben" is een verborgene geworden.
Esther is een boek, waarin de Naam van God niet voorkomt. Hij is degene, die Zich verbergt. Tegelijkertijd is het een boek, waarin het lot (Purim) centraal staat. Haman bepaalt via het lot de juiste dag voor de verdelging van het Joodse volk. Dat lot is onontkoombaar, want het is bezegeld door en verzegeld in een onherroepelijk besluit van Koning Ahasveros. Ook Wein reu ziet hierin een paralel met onze tijd. Noodlot en Verborgenheidhet zijn dezelfde twee thema's als bij Ellul.
Haman is in het boek Esther de grote aanstichter van het kwaad.
Van afkomst is hij een Agagiet, een nakomeling van Amalek. Amalek is het volk dat God geheel wilde verdelgen, omdat het de weerloze vrouwen en kinderen van Israel aanviel. Haman wordt in het boek Esther de vijand van de Joden genoemd, de tegenstander - de eigen naam van Satan. Haman staat voor Weinreb gelijk met de ontwikkelingskrachten macht van de autonome mens, de mens "die geen binding heeft met een hogere macht dan de menselijke macht" (94).
Hij bestaat het, om voor meer dan een miljoen - honderd talenten zilver - de ondergang van het Joodse volk van Ahasveros te kopen. Door zijn toedoen slaat het noodlot toe, verankerd in de onbreekbare wetten van het Medisch-Perzisch staatsbestel.
Het verhaal is bekend. Juist wanneer Haman het besluit heeft genomen om in het paleis ook het doodvonnis over Mordechai officieel te laten bekrachtigen, kan de koning 's nachts niet in slaap komen, en laat hij zich wat voorlezen uit de kronieken van het land. Daarin schuilt niets opzienbarends; het gebeurde zeker wel meer. God is de· Verborgene in wat Hij doet. Maar zo zet zich wel een begin van kentering in.
Het tweede, beslissende moment breekt aan wanneer Esther naar de Koning 'toegaat. Alles hangt af van één klein gebaar - het toesteken van de gouden koningsscepter.
Ahasveros doet dat. Opnieuw is geen sprake van een wonder, God blijft verborgen. Maar het brengt Weinreb wel tot het volgende kommentaar: "Als de nacht het zwaarste drukt, verschijnt de ochtendster, verschijnt Esther (Esther = ster).
Als Esther aldus verschijnt, als in de ballingschap Esther gezien wordt, is dat het teken van het ochtendgloren.
Waar God in Zijn Verborgenheid toch herkend wordt, daar is het teken van het einde van de nacht gekomen" (89).
Weinreb de Jood, graaft hier dieper dan de protestant Ellul. Beide spreken over Gods verborgenheid en van de tanende hoop. Ellul trekt daaruit de slotsom, dat God ons aan ons Iot overlaat, en dat wij alleen nog kunnen leven in de hoop op Zijn omkering. Weinreb onderkent eveneens Gods verborgenheid - de Satan heeft de overmacht, bepaalt zo te zien volstrekt ons noodlot. Maar juist in Zijn weerloosheid en ogenschijnlijke machteloosheid werkt de Verborgene - in het verborgene. "De Verlosser is daar, waar de wereld Hem het laatst zou zoeken" (51).

Onze tijd
Zoals gezegd, legt ook Weinreb ee relatie .met onze tijd. "Wij zijn dronken van ontwikkeling, van schijnbaar kunnen; wij zijn dronken vande mogelijkheden die de andere flessen achter de bar nog bevatten.”(46).
Hier is inderdaad de kern van de nood van onze tijd geraakt. Het is een tijd, waarin de ontwikkelingen ons dronken maken, hypnotiseren - ook al nemen zij de vorm aan van spiralen, die een doem over ons lijken in te sluiten.
Weinige woorden vallen in het moderne spraakgebruik zozeer op als het veelvuldig gebruikte woord "spiraal". Het wordt gebruikt bij het spreken over de werkloosheid, de wereldarmoede, de vereenzaming, de ecologie, de toekomst der demokratie. Spiralen staan daarbij voor cirkels van oorzaak en gevolg, die zich onontkoombaar herhalen.
Maar dan wel op een dusdanige wijze, dat elke nieuwe ronde ons dichter doet uitkomen bij de chaos, de ontbinding, de vernietiging, de uiteindelijke doem.
Zo is er bijvoorbeeld een werkloosheidsspiraal werkzaam. Elke uitgave die de overheid doet ter bestrijding van de werkloosheid? Jaagt de lastendruk in de samenleving op, of leidt tot hogere financiële tekorten - die beide zelf weer de oorzaak zijn voor een nog aanzienlijker werkloosheid.
Er is ook een energie-bewapeningsspiraal aan het werk, Olielanden wensen meer bewapening, en drijven daartoe de energieprijzen op.
Hogere energieprijzen houden betalingsbalansproblemen voor de rijke landen in, die zich verweren door meer wapen-export. Elke ronde vergroot de bewapeningsdruk en de inflatie in de wereld. De bewapeningsuitgaven in de wereld zijn nu al groter dan het Bruto Nationaal Produkt van de armste helft van de wereld, maar het is nooit genoeg. Het reeds bestaande vermogen de wereld méérvoudig te vernietigen - een zinloze aangelegenheid - wordt steeds verder uitgebreid.
Hiernaast werkt de armoede-spiraal.
De armste landen van de wereld hebben export nodig, maar de rijke landen schermen hun grenzen daarvoor af, beducht voor een vertraging van hun eigen groei. Diezelfde groei houdt een energieverbruik in, die een mede-oorzaak vormt voor oplopende energieprijzen, en houdt een versterking in van de internationale wapenhandel. Beide jagen de armste ontwikkelingslanden op ongelooflijke schuldenlasten. Ze gaan er elke nieuwe ronde verder onderdoor.
Zijn zulke spiralen neutrale verschijnselen?
Nee, ze hebben een gerichtheid, een uiteindelijke bestemming.
Meer werkloosheid tendeert naar rebellie, meer bewapening naar vernietiging, meer armoede van de armsten naar honger en dood. Daarin schuilt dan ook het waarheidselement van het doemdenken, en van het gewagen van Gods verborgenheid. Want zulke spiralen met hun ondergangsgerichtheid komen niet puur uit alleen maar menselijke breinen voort, ook al houden mensen ze in stand en komen ze door menselijke macht in beweging. Hun gerichtheid danken zij aan het Rijk van de afgrond. De Amalekmacht is niet dood. Ons lot lijkt zelfs volstrekt door die macht te zijn bezegeld.

Noodlot, hoop en vertrouwen
Aan die spiralen ligt stuk voor stuk menselijke schuld, menselijke hoogmoed ten grondslag. Ze zijn pas bestaanbaar en werkzaam op basis van het geloof, dat materiële welvaart geluk brengt en dat de voortgang van de bewapeningstechniek onmisbaar is voor onze gegarandeerde veiligheid, en dat er economisch, technologisch en wetenschappelijk maar één allesbepalende wet is: die van het vooruitgaan, en het nooit terug willen. Dat zou immers de stabiliteit van ons leven en samenleven fundamenteel bedreigen?
En zo jagen wij voort, of liever: worden door de spiralen van doem voortgejaagd. En wij moeten wel mee, of we willen of niet - want alle machten en structuren zijn op onze voortgang ingesteld, even onherroepelijk als eens de wetten van Meden en Perzen.
Helpt die erkenning, dat we mede schuld dragen? Niet of nauwelijks.
Daardoor komt immers de hoop niet terug. We kunnen door dit schuldbesef alleen slechts moedelozer worden en ons hopelozer voelen.
Et is geen andere basis voor hoop dan op de God, die in het Verborgene werkt. Dan de Morgenster, = Esther, die zich juist in een overweldigende duisternis als een kleine, intense lichtplek zich aftekent.
Maar wat houdt dat in? Doorgaan in berusting, in afwachting van de morgen die toch eens komen moet?
Weinreb laat ons aan de hand van het Estherboek zien,dat het juist in een tijd van verborgenheid zo sterk op eenvoudige gehoorzaamheid van kleine mensen kan aankomen. Pas door hen kan God in het verborgene handelen. Mordechai zegt het met zoveel woorden tegen zijn bange pleegdochter Esther: "Wie weet, of jij niet juist met het ook op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt" (4, 14). Ze moet ingaan tegen het dreigende noodlot, in de hoop dat haar de scepter zal worden aangereikt. "Waar God in zijn verborgenheid toch wordt herkend, daar is het teken van het einde van de nacht gekomen".
Tegen noodlots-spiralen nu ingaan - het eenvoudig nee-zeggen tegen verplichte en opgedrongen wapenvermeerdering, het nee-zeggen tegen inhumane resultaten van moderne wetenschap en techniek, het ingaan tegen de vanzelfsprekendheden van het economisch-meer en het nooit-minder - blijft tot op zekere hoogte altijd een sprong in het ongewisse. Het brengt risico's van grote omvang mee, het doet pijn, vergt offers. Maar het is een diepere uiting van hoop en vertrouwen dat de ijle en steeds meer ineen schrompelende hoop die de moderne vooruitgang ons biedt. We zullen het net als Esther met de God moeten wagen die in het verborgene aan het opzijzetten van ons noodlot werkt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief