Zo was het (48)

1981-02-27
  • Jaargang 25
  • nummer 8
Het verhaal van de vorige maand eindigde met de vraag of wij het apostolisch gezag niet meer hebben. Dat hebben wij nog in hun geschriften. Maar ik zou liever nog de volgende vraag willen stenen: Hebben wij het gezag van onze hoogste Profeet en onze enige Koning niet meer? Het antwoord is eenvoudig: Dat gezag hebben we nog. En als plaatselijke gemeenten, vrij en zelfstandig, daaraan zich houden, zouden ze dan niet zonder een uitgebreide K.O. en een stevige landelijke organisatie kunnen? M.i. moet dat kunnen. Zonder kerkelijke machten, die gehoorzaamheid eisen.

Laat ik herinneren aan het woord van onze eeuwige Koning in Matth. 23: Geen rabbi's in de gemeente, geen kerkvaders en geen leiders. Want één is onze Meester en één is onze Vader en één is onze Leider. Als de gemeenten zich nu eens aan deze opdracht hielden! En dan vooral ook in praktijk brachten wat er ook geschreven staat: "Gij zijt allen broeders"
(en zusters mogen we er wel aan toevoegen). Geen geestelijken en leken in de kerk. Dan werden we verlost van dominocratie oftewel regering van heren. Geen onmondige schare onder heerschappijvoerders. Dat zulke leiders altijd weer opstaan is niet alleen hun schuld, Maar evenzeer de schuld van gemeenten, die dat graag zo hebben. Heldenverering is een diepgewortelde neiging in de mens. Helaas komt zij in de kerken ook wel voor. Maar niet in overeenstemming met wat Jezus Christus bevolen heeft.

Wat Hij dan wel bevolen heeft? Dat de gelovigen elkander niet zuilen overheersen, maar dienen. Dat geldt voor de dienaars van het Evangelie.
Dat moet in praktijk gebracht worden door ouderlingen en diakenen.
Maar dat is ook opdracht voor alle broeders en zusters. In de gemeenschap der heiligen, En heiligen zijn allen, die door het geloof in de Here Jezus bij de heilige God behoren. Als aan die gemeenschap veel ontbreekt, dan is dat niet de schuld van Christus of van de Heilige Geest. We moeten niet de 'blaam' op God of de Heiland werpen. Hij geeft alles wat daarvoor nodig is. Maar Gods gaven zijn tevens opgaven. De HERE wil niet gediend worden door automaten maar door mensen, naar Gods beeld geschapen.
En door Gods Geest herschapen, Aan wie Hij ook de vrijheid laat om neen te zeggen tegen Zijn wil. Hij dringt sterk aan tot geloof en bekering en dienst aan elkaar. Maar Hij dwingt niemand. Wel heeft onze Redder ons het voorbeeld gegeven.

Toen de moeder van Jacobus en Johannes een ereplaats voor haar zonen begeerde waardeerde hun Meester dat niet. Hij zei tot alle apostelen: "Gij weet dat zij die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren.
En hun rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het echter onder u niet.
Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen". Niet heersen, maar dienen! Dat is de boodschap voor alle broeders en zusters. En voorstanders van de gemeente moeten daarin vooraanstaan. Daaraan kunnen en moeten állen meedoen.

Dienen ligt ons niet. Heersen staat veel hoger naar we van nature menen.
Dat zat ook nog in de discipelen. Daarom hun vraag: "Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen?" Dan roept hun Heer een kind, zet die in hun kring en zegt: "Voorwaar, Ik zeg u, als gij u niet bekeert en wordt als dit kind, zult gij stellig het Koninkrijk der hemelen niet ingaan.
Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk 'der hemelen". En om niet meer te noemen herinner ik u en mij aan de voetwassing uit Joh. 13. Met de toepassing: "Indien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkaar de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, en een gezant niet boven z'n zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij als gij het doet". Gelukkig als wij het doen. Elkaar liefhebben. En dus elkaar dienen.

Een gemeente hoeft niet groot in getal te zijn. Als ze maar groot is in het dienen. Waar twee of drie samen zijn in de naam van Jezus Christus, daar is Hij met Zijn Geest en Woord. Natuurlijk zijn er meer regels voor het leven van een gemeente. Maar als het gezag van Christus zo groot is, dat zij zich daaraan onderwerpt, zou het dan niet goed gaan? Hebben we daaraan niet genoeg? Zouden we dan het gezag van meerdere vergaderingen nodig hebben? En een uitvoerige K.O. waarnaar het gemeente-Ieven Zich moet richten? Ik zou niet weten waarom. Nu kan men opmerken, dat zo wel een ideaalbeeld van de gemeente voorgesteld wordt. En dat er in de praktijk niet veel van terecht komt. Laat dat zo zijn, helaas. Maar verandert een kerkelijke macht daar iets aan? Kan die dan meer dan het gezag van Jezus Christus? Het vertrouwen daarin ontbreekt mij. Ik heb nog nooit gezien, dat als het ergens niet goed gaat, een classis of synode daaraan veel heeft kunnen veranderen.

En nu dan het apóstolisch gezag. Wat hebben de apostelen ons te zeggen?
Wat zij van hun Meester geleerd hebben. Dat hebben zij ontvangen en zij hebben het ons overgeleverd in hun brieven. En die leren ons voor het leven der gemeente, met andere woorden, hetzelfde als de Here Jezus. Zij leren ons hoe wij in het huis Gods (d.i. niet een kerkgebouw, maar de gemeente) moeten verkeren. Met elkaar moeten omgaan. Voor enige tijd sprak ik met een collega over een gemeente waar nogal wat gerommel is.
Ik vroeg hem waar dat toch van kwam. Z'n antwoord was: Men leeft daar niet naar Pil. 2. Daar schrijft Paulus: "Maakt -mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op z'n eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen." En dan de bron en het grote Voorbeeld voor ons allen: "Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was". Welke gezindheid blijkt uit de diepe vernedering van de Zoon van God om aller dienstknecht te worden. Welke ontlediging uitliep op de smadelijke dood aan het kruis. Als deze gezindheid in een gemeente heerst dan is het gevolg dat ieder z'n redding werkt met heilige zorgvuldigheid; omdat God werkt het willen en het werken tot roem van Zijn welbehagen. " Hoe gelovigen hun eigen redding dan te werken hebben?
Door alles te doen, zonder tegenspreken, wat nodig is om onberispelijk en onbesmet te zijn, als onbesproken kinderen van God. Om zo te schijnen als lichtende sterren, temidden van een verkeerd geslacht.

In dat prachtige, vreugdevolle briefje aan de Filippensen heeft Paulus ons nog meer te zeggen. Met apostolisch gezag. Ik denk aan Fit 4, waar we worden vermaand tot eensgezindheid. En tot vriendelijkheid, die alle mensen bekend moet zijn. Tot blijdschap in de Here en heilige onbezorgdheid.
En dan die heerlijke verzen 8 en 9: "Voorts broeders en zusters, al wat waardig al wat waar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat; wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij geboord en gezien hebt, brengt dat in praktijk en de God van vrede zal met u zijn".
We zijn geneigd om te zeggen: dat is me nogal wat! Is dat niet veel te hoog gegrepen? Kan daarvan wel iets terechtkomen? Is Paulus zo naïef om dat te denken? Blijkbaar wel. Hij durft zeggen dat de lezers van dit briefje dat alles van hem geleerd hebben èn gezien! Hij heeft dat in praktijk gebracht. Was hij dan zoveel machtiger dan z'n hoorders en lezers?
Beeldde hij zich in heiliger, vromer, Geestelijker te zijn dan een doodgewone gelovige? Welneen. Maar hij verwachtte meer van de genade van Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap van de Heilige Geest dan wij als regel doen. Mogen wij dat niet doen? Hele scharen kerkmensen weten alleen, dat ze slecht zijn en niet anders doen dan zondigen aan de lopende band. Met gedachten, woorden en daden. En van menige kansel wordt hun dat voorgehouden. En men meent Gode een dienst te doen!
De mens moet op het diepst worden vernederd en God het hoogst verheven.
Dat van de mens-van-nature niets goeds te verwachten is, wie zou dat ontkennen? Maar van een mens-in-Christus ook niet? Blijft die onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Blijven gelovigen, die worden aangesproken als heiligen, rechtvaardigen en kinderen Gods, werkers van ongerechtigheid? Maar dan zullen ze niet ingaan in Gods koninkrijk! Dan zal Christus eens tot hen zeggen: "Ik heb u nooit gekend, gij werkers van ongerechtigheid". Zo staat het er toch?

We moeten ons niet laten aanpraten, dat er van een christelijk leven niets terecht kan komen. Dat praat de Heiland, die alle macht heeft in hemel en op aarde, ons niet aan. En de apostelen ook niet. Ik geloof, dat de genade van Jezus Christus almachtig is. En dat Hij een volkomen zaligmaker of redder is. En dat de Heilige Geest sterker is dan alle boze machten van de wereld en dan onze boze natuur. En dat onze liefdevolle Vader ons gebed om verlossing val). de duivel wil horen en verhoort. En ik vraag allen, die beweren dat er van het houden van Gods geboden door gelovigen niets kan komen, waarom de Here Jezus en zijn apostelen dat niet leren. Integendeel. Aan het slot van de Bergrede zegt ons Heiland, dat wie Zijn wil, dat is de wil van God, doet een wijs man is, die z'n huis op de rots bouwt. En wie dat niet doet is een dwaas.

Als we naar het vlees, naar onze oude natuur leven, dán komt er van een christelijk leven en dus van het leven van de gemeente niets terecht. Volgens Gal. 5 zijn de werken van het vlees duidelijk. We zien dat nog om ons heen in de wereld: hoererij, onreinheid enz. enz. Maar we mogen en kunnen toch leven door en naar de Geest? In Gal. 5 : 22 wordt als vrucht van de Geestgenoemd: "Liefde, vrede, blijdschap, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de wet niet. Want wie Christus Jezus toebehoren hebben het vlees met zijn hartstochten gekruisigd". Jawel, zo zal men tegenwerpen, maar dat alles is "vrucht van de Geest"! Inderdaad. Maar wat zou dat? We moeten dat beeld van "vrucht" niet misverstaan. Daarmee wordt wel gezègd, dat alle goed werk te danken is aan de Heilige Geest. Maar dat wil niet zeggen, dat alle goede werken automatisch in ons leven groeien. Wij gelovigen zullen ze moeten doen. De Heilige Geest leert ons door het Woord welke die vruchten zijn. En Hij dringt bij ons aan ze te doen. Maar Hij dwingt niemand. Wij hebben te zorgen, dat we vol zijn, niet van de roes der wereld, Maar vol van de Heilige Geest. AIs wij de Geest weerstaan - en die vrijheid hebben we - dan groeit de vrucht van de Geest in ons leven niet. En als een hele gemeente de Geest weerstaat - en dat kan ook - dan kan de Geest van hen wijken. Dan wordt zij gelijkvormig aan de wereld. En dan is er geen kerkelijke macht die daar orde op zaken kan stellen. Dat is tenminste mijn overtuiging. Wie meent, dat dit wel mogelijk is zou ik de vraag willen stellen: is er dan een macht ter wereld of in de gemeente, die machtiger is dan de Heilige Geest? Wie dat durft zeggen moet wel niet bang zijn.
M'n papier is bijna vol. Nog enkele aanhalingen uit de brieven der apostelen.
Jakobus is geen "strooien brief", waarmee we, met Luther, de kachel moeten aanmaken. Hij-is het best eens met Paulus, dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet. Maar hij zegt rustig -en daar is Paulus het best mee eens -: "Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend en hij werd een vriend van God genaamd. Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof".
Jakobus bedoelt werken-van-geloof. Welke dat zijn kunt u in die brief lezen. Nergens zegt hij dat daar niets van komen kan.
Uit de brieven van Petrus één aanhaling: Voegt bij uw geloof betrouwbaarheid en kennis en zelfbeheersing en volharding en godsvrucht en broederliefde en 'liefde tot allen. Zo zal u worden gegeven een ruime ingang in het Koninkrijk Gods. 11 Petrus 1.
Tenslotte: Johannes zegt wel, dat we niet zonder zonde zijn. Dát wordt vaak aangehaald. Maar hij zegt ook, dat wie gelooft in Jezus Christus niet in de zonde kan léven. Als alle leden van een gemeente zich daaraan nu eens hielden. Is dat onmogelijk? Waarom zegt Johannes dat dan niet?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief