Door de geschiedenis gerechtvaardigd?

1982-05-28
  • Jaargang 26
  • nummer 21
Het Jaarboek 1982 van de Christelijke Gereformeerde Kerken is uit.
En hoewel ik het niet in mijn handen gehad heb - het is er ook nog maar net - wil ik er toch iets over schrijven. Het werd namelijk in Trouw van woensdag 19 mei aangekondigd en in dat stukje viel mijn oog op een bepaald citaat. Nu moet je voorzichtig zijn met een krantenbericht, zelfs wanneer iemand daarin letterlijk geciteerd wordt, dat is waar. Maar in het geval van het christelijke gereformeerde jaarboek vrees ik geen misverstand. Want de gedachte in het betreffende citaat waar het mij nu om te doen is, kun je volstrekt niet nieuw noemen. Zij is zelfs typisch christelijk gereformeerd.
Luistert u maar naar ds J.H. Velema: "Men heeft zich in 1982 gekeerd tegen het wijsgerig gekleurd kerkbegrip van Kuyper en tegen zijn theologische constructies uitkomend in zijn wedergeboortentheorie en doopsbeschouwing. De bezwaarden wilden zich houden aan Schrift en belijdenis, zoals ze dat door de Afscheiding hadden geleerd. De geschiedenis heeft hen in het gelijk gesteld."

Deus sive historia?
Het gaat mij nu om dat laatste zinnetje: "De geschiedenis heeft hen in het gelijk gesteld." Ik vind het ge· lijk dat we van de geschiedenis krijgen eigenlijk maar een platte zaak.
Ik ontken niet dat het waar is wat ds Velema zegt, maar spreekt de christelijke gemeente zo? Moeten we als kerk niet meer zoeken naar het gelijk dat we krijgen van de Gód van de geschiedenis? Want het is zeker niet zo dat die twee samenvallen: de geschiedenis en de God van de geschiedenis. Uit mijn Wageningse tijd herinner ik me een professor in de christelijke maatschappijleer, dr. ir. G. Hamming. Hij schreef een boek, een boeiend vreemd boek. 'Abramisme', zo heette het. Ik heb er van onthouden dat hij de Heilige Verbondsnaam van God weergaf met 'Geschiedenis'.
"En Geschiedenis zeide... " , enzovoorts - heel vreemd. Het is sedert het lezen van dit boek dat ik haast overgevoelig ben geworden voor het verschil tussen de geschiedenis en de God van de geschiedenis. En het is ook sedert dat boek dat 't mij opvalt hoe gemakkelijk die twee door elkaar gehaald worden. Je zou dat zelfs een kenmerkende trek van het moderne denken kunnen noemen.
Zei men een paar eeuwen terug Deus sive natura' (God, ofwel de natuur), dat lijkt nu geworden te zijn 'Deus sive historia' (God, ofwel de geschiedenis). En hoe oorverdovend ook het krijgsgedruis is tussen de aanhangers van elk van beide adagia, het is allemaal afgoderij; de Heilige - geloofd zij zijn Naamvalt noch met de natuur noch met de geschiedenis samen.

De Rechabieten en hun gelijk
Natuurlijk is het mij verre dat ik ds Velerna van afgoderij zou betichten, zeker niet wat zijn bedoeling betreft. Maar ik zou hem toch willen aanraden met dat historische gelijk een beetje op te passen. Niet omdat het onwaar is wat hij zegt, maar omdat we als christenen en als kerk voor een hoger tribunaal staan dan dat der geschiedenis. In de bijbel komen we ook een groepering tegen die binnen het oude Israël een historisch gelijk gekregen heeft. Dat zijn de Rechabieten waarover in Jeremia 35 wordt verteld. Deze broeders dronken geen wijn, bouwden geen huizen en zaaiden geen zaad.
Zij bleven in het land Kanaän het woestijnbestaan voortzetten en verkozen het tentenkamp boven de geriefelijkheden van de stad. Waarom?
Omdat zij de Kanaänietische kultuur te gevaarlijk vonden. "Via wijn- en akkerbouw zit je zomaar bij de dienst aan de Baäls" - vonden zij. Zij hebben met dit standpunt een huizen-hoog gelijk gekregen – om het eens pikant te zeggen. Maar toch waren de profeten het met deze Rechabieten niet eens.
Ja, ze konden hen wel begrijpen. Dat kun je merken aan het woord van de Here God bij Jeremia (2 : 2, 3): "Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen gij Mij gevolgd waart in de woestijn, in onbezaaid land; Israël was (toen) de HERE geheiligd, de eersteling zijner opbrengst..." De woestijnperiode is hier beeld van de ongerepte verhouding tussen de Here God en zijn volk. Wat is daar inderdaad later in Kanaän veel tussengekomen!
Veel waarbij Israël vandaan gehaald moest worden. Zoiets zegt dan ook de profeet Hosea: "Daarom zie, Ik zal haar lokken en haar leiden in de woestijn en spreken tot haar hart." Maar toch gaat het dan geheel onverwachts zo verder: "Ik zal haar van daar af haar wijngaarden (weer) geven en het dal Achor (waar het met Achan als een slecht voorteken is misgegaan, Jozua 7) stellen tot een deur der hoop..." (2: 13 en 14). Hosea zag dus wel dat het misgegaan was met Israël in Kanaän, maar hij voorzag ook dat God Israël weer overnieuw Kanaän zou binnen brengen. Was dat nu koppigheid dat hij zich niet wilde neerleggen bij het historische gelijk dat de Rechabieten voor ieders oog gekregen hadden? Nee, de profeten beriepen zich op de belofte die de Here God aan Israël gegeven had: een land van steden en goede huizen, een land van tarwe en gerst, een land van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelen (Deuteronomium 8). En deze belofte was sterker dan al Kanaäns verleidingen, wisten zij. Nee, ze zetten zich niet af tegen de Rechabieten, maar ze waren het vanwege die belofte toch niet met hen eens.

Hartverwarmend
Het is eveneens vanwege de belofte dat ik het dit keer niet eens ben met ds Velema. Welke belofte bedoel ik? De bekende dat Jezus Christus zijn kerk zal bewaren, - 'wat mensen ook verzinnen'. De vaders van de vereniging van 1892 hebben aan beide kanten stellig met argwaan tegen elkaar aangekeken. Die van de Afscheiding hebben de speculatieve gedachten van Kuyper gewantrouwd en die van de Doleantie zijn bevreesd geweest voor de domperige sfeer die bij veel Afgescheidenen hing. Dat was aan beide zijden niet niets! Maar ze hadden wel allebei iets beloofd toen zij de HervormdeKerk verlieten, namelijk dat zijen ik zeg het maar met de woorden van de Akte van Afscheiding of Wederkeer - zich wilden verenigen met elke op Gods Woord gegronde vergadering. De echte wil daartoe merkte men wederzijds op en in plaats van zich te laten leiden door vrees en argwaan heeft men het toen aan beide kanten gewaagd met de belofte van Christus dat Hij een kerk die zich wil richten op het Woord van God ook echt bewaren zal. Het gaat er mij niet om mij af te zetten tegen degenen die er toen voor teruggeschrokken zijn. Daar heb ik groot begrip voor, zeker als ik achteraf erop terugzie. Maar laat mij toch eens een keer hardop zeggen wat ik op mijn catechisaties steeds in de beslotenheid zeg, dat ik 1892 zo'n hartverwarmende datum in de kerkgeschiedenis vind. Die durf! dat zich zelf heenzetten over vrees en bange voorgevoelens! Dat zien op het gebod, blind voor de toekomst! Zullen wij die dingen ook niet hard nodig hebben als wij als Christelijke Gereformeerden en als Nederlands Gereformeerden proberen samen te gaan? Al zou de vereniging van 1892 maar één jaar geduurd hebben, dan zou ik er nóg enthousiast over doen. Laat staan nu enkele generaties met deze vrede gezegend zijn geweest. Ging het trouwens later wel op de oude lijnnaad kapot? Zelfs het historische gelijk waar ds Velema het over heeft staat niet eens zo vast. Maar hoe dat nu verder ook zij 1892 is voor mij de heilzame uitzondering op de treurige regel van scheuren en splitsen die de kerkgeschiedenis wel schijnt te beheersen; een teken dat het toch geen scheurwóede was die de vaders bezielde. Kortom, om aan kerkelijke en buitenkerkelijke catechisanten de laatste twee eeuwen kerkgeschiedenis te vertellen kan ik het jaartal 1892 niet missen. Ik vraag dan ook mijn Christelijke Gereformeerde broeders en zusters of ik die datum mag blijven koesteren.
Niet om 'ons' 'gelijk' tegenover het 'hunne' te plaatsen, maar om een klein teken van hoop niet verloren te laten gaan bij het verder zoeken naar de eenheid van wie bijeen horen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief