Beproefde trouw (8)
1982-05-28
12. "Ons aller Moeder"- Jaargang 26
- nummer 21
Even een uitstapje, althans daar lijkt het op. Toch meen ik, dat het duidelijk op zijn plaats is in deze reeks. In 1934 had de Confessionele Vereniging een herdenkingssamenkomst belegd; 100 jaar geleden scheidden zich velen af van het Ned. Hervormde Kerkgenootschap en nu meende de Vereniging de gescheiden broeders en zusters - leden van de Gereformeerde kerken - te moeten oproepen tot terugkeer. Samen om de éne Avondmaalstafel, zo heette het. Want, zo zei een van de sprekers op die bijeenkomst "de kerk der hervorming (is) hier te lande een planting van Gods eigen hand. De kerk van zijn verbond. Dat heilig erf mag ontheiligd zijn, er mag een organisatie aan opgelegd zijn, het is en blijft de kerk van het verbond". En voorts is er in die kerk nog zoveel goeds te vinden. Deze "roepstem" beantwoordde prof. dr K. Schilder met een brochure, onder bovenstaande titel. Een nog steeds lezenswaardig boekje, klemmend soms in betoogtrant, op vele plaatsen aangrijpend en zeker ontdekkend, naar de Schriften.
Hoewel de Confessionele Vereniging niet gelijk te stellen is met de Gereformeerde Bond (waarover we meermalen spraken), is de motivering van het kerk-zijn, het in de kerk der vaderen blijven, gelijksoortig. Vandaar deze paragraaf. Opmerkelijk is, dat in het boek "Beproefde trouw" bedoelde brochure zelfs niet genoemd wordt. Bij velen, zo zegt prof. Schilder, leeft de gedachte (en soms is het bijna een "geloof") dat de Ned. Herv. Kerk, die vanouds de verbondskring omsloot, dit heden ten dage nog doet. "De kerk van Gods verbond". Dat zijn zij, die niet tot die kerk behoren, eigenlijk verbondsbrekers. Die kerk roept ons toe: "verwar niet langer dat uiterlijk kleed der organisatie, dat ook wij knellend vinden, met het wezen, want het wezen, dat is de kerk des Heren in onze landen" (60). Maar hier is een schromelijke vergissing. Het instituut (de N.H. Kerk) mag zonder meer geen trouw vragen, dat doet de HERE alleen. Aan Hem moeten we verbonden blijven en "dat is een levend, spanningsvol, concreet, immer doorgaand werk, dat de geloovigen onder vele andere hun opgedragen werken dienen te verrichten" (60).
En dat er nog zoveel goeds in de Ned. Hervormde Kerk te vinden is, zeker. Maar vlak daarnaast is er zoveel kwaad. De Waarheid wordt gepredikt en tevens geloochend. En dan: is de zorg van de kerk het voornaamste? Komt daarin haar moeder-zijn tot uitdrukking? Een dienstbode of welke bekende ook kan kinderen verzorgen. Maar kinderen ter wereld brengen kan enkel een moeder. "De vraag is deze: of de kerk krachtens haar eigenlijkste verrichting (dienst des Woords en der sacramenten) kinderen baren kan (... ) of de kerk (... ) het Woord zóó bedient, dat door den dienst des Woords het geloof wordt opgewekt en pas daarna versterkt." (47/8) Onze "moeder" is geen instituut; het Jeruzalem dat boven is, dát is ons aller Moeder (Gal. 4 : 26). En wat de éne avondmaalstafel betreft, zij is zelfs binnen de kring van de Ned. Hervormde Kerk niet te ontdekken.
"Wij verstaan het zoo goed", schrijft prof. Schilder, "dat men hangt aan de oude gebouwen, dat men niet afkomen kan van den toch feitelijk economischen zuurdesem, volgens welken de wettige successie afhangt van uiterlijk waarneembare dingen: een oud gebouw, een oud notulenboek, een oude relatie met de overheid. (... ) Doch laat ons liever vandaag, en morgen, maar vooral vandaag, beginnen met ieder binnen eigen kerkmuren God, den Verbondsgod, den HEERE, de hand te reiken. 'Geeft den HEERE de hand, en komt in zijn heiligdom, en dient den HEERE met een volkomen hart': men kent den oproep" (2 Kron. 30 : 8). "En zoodra ieder, die God vreest, binnen de Gereformeerde Kerken en buiten haar, zijn God weer de hand geeft, en weer gehoorzaam wordt, zullen wij de eenheid krijgen, waarnaar in 1834 gesnakt is. Dan komt er dat levende, concrete samen opnieuw zich institueren." (92/3)
13. De religie van de belijdenis
We keren terug naar het boek "Beproefde trouw" en slaan op het door dr A. van Brummelen geschreven stuk onder bovenstaande titel. Hij poogt in die bijdrage iets te zeggen over "het geestelijk leven binnen de Gereformeerde Bond" en doet dit door "zorgvuldig te luisteren naar de Schrift zoals die is weergegeven in de confessie" (156). De door mij onderstreepte passage (cursief) Let ons direct aan het denken. Temeer omdat er op volgt dat die belijdenis is "de gestolde weerklank van de Schrift" en zij heeft "zeker binnen de Gereformeerde Bond nog altijd gezag. Ze is normgevend, voor zover ze het zuivere water van de bron kanaliseert. Ze onderwijst, ze corrigeert. Ze straalt warmte uit, ze oefent brede invloed uit. De praktijk der eeuwen heeft geleerd dat wanneer de belijdenis aan de hand van de Schrift tot klinken wordt gebracht, dat dan juist de gemeente opluistert" (157) En dan volgt een m.i. sterk theologisch getinte uiteenzetting over artikel 9 van de Ned. Geloofsbelijdenis "Bewijs van het voorgaande artikel van de Drieheid der Personen in één God". De schrijver zegt nu: dit artikel geeft tweeërlei bewijs: de getuigenissen der Heilige Schrift, maar die gaan we hier voorbij. "Wij staan nu nader stil bij de aanduiding: niet alleen uit de getuigenis der Heilige Schrift weten wij dat er een Drieenig God is, maar ook uit de werkingen, die wij daarvan in ons bevinden. De belijdenis zegt daarvan: 'voorts staan ook aan te merken de bijzondere ambten en werkingen dezer drie personen te onswaarts. (... ) Juist deze bijzondere ambten en werkingen van de drie personen in het goddelijk wezen te onswaarts komen ons voor als centraal te zijn in de spiritualiteit van de Gereformeerde Bond. Niet omdat ze exclusief zijn voor deze kring. In genen dele. Ook elders worden ze beleefd. Maar wel omdat ze een leidraad kunnen vormen zicht te krijgen op het voelen, leven en denken van de gereformeerde gezindte" (157/8) Ik laat het hierbij. Het klinkt allemaal zo ernstig en dat is zeker ook zo bedoeld. Wat mogen we dankbaar zijn dat in onze kring het Woord zó hoog staat. Gods Woord, dat ten leven leidt. Het evangelie.
Dat Woord dat levend is en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en doorgaat tot de verdeling der ziel en des geestes, en der gewrichten en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten (Hebr. 4: 12 S.V.). Zonder ook maar iets af te doen aan de betekenis van de belijdenis, moeten we toch zeggen d.at dit Woord alles beheerst, want het is het Woord van de HERE. De bijdrage van dr Van Brummelen roept herinnering op aan wat er in de Nadere Reformatie door sommigen werd geleerd (zie paf. 3).