De golfbeweging van het diaconaat (2)
1982-05-28
4. De Reformatie: ook van het diaconaat- Jaargang 26
- nummer 21
a. algemeen:
De aardverschuiving, die de Reformatie teweeg bracht, had natuurlijk ook z'n echo in het diaconaat. Dat kan niet anders, als de vrijwillige armoede niet meer als een verdienste gezien wordt; als het evangelie van de genade de “werkgerechtigheid" als een dwaasheid laat zien.
Dienst aan de naaste wordt niet meer als een verdienste, maar als een vrucht van het geloof gezien. De dankbaarheid voor de verlossing wordt het geestelijk kanaal voor het diaconaat. Er moest op diaconaal terrein natuurlijk ook heel wat hervormd worden. De mis en het offerwezen vormden het financiële fundament voor deze dienst van de kerk.
De Reformatie zag de ontsporing van de kerk van de Middeleeuwen óók in het diaconaat en heeft de sociale functie van het diakenambt weer in ere hersteld. Er werd weer vanuit de kerk gezorgd voor de armen en de zieken. Misschien moet je zeggen, dat de plaats van de diaken in de eredienst wat werd verwaarloosd. Maar het diaconaat werd gezien èn hervormd vanuit het evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze.
b. Luther:
Luther kun je niet dé grote Reformator van het diaconaat noemen. Toch heeft ook hij vastgesteld, dat het een taak van de gemeente is om voor de behoeftigen te zorgen. Daarom zei Luther, moeten er weer diakenen komen, die goederen uitdelen en de arme mensen verzorgen, die ook toezien wie er gebrek lijdt. De christenmens is bevrijd om niet voor zichzelf maar door geloof in Christus in liefde voor de naaste te leven (Leudesdor S. 125).
Op deze basis kan er natuurlijk een geweldig diaconaat tot bloei komen. Tóch is het diaconaat in Duitsland geen puur kerkelijk werk geworden en is zo ook het diakenambt niet voldoende uit de verf gekomen. De burgerij, de overheid bleef de liefdadigheid verzorgen. En de Lutherse kerken hebben erin berust, dat deze burgerlijke instanties deze kerkelijke taak op zich genomen hadden.
c. Bucer
Het consequent doortrekken van de lijnen van de Reformatie in het diaconaat kun je bij het gereformeerde deel van de Reformatie zien.
Een sterk voorbeeld daarvan is Bucer, die ook hierin veel invloed op Calvijn heeft uitgeoefend (Davidse, p. 14). Hij heeft geijverd voor een werkelijk kerkelijke diaconie èn echte kerkelijke diakenen. Hij stelde in Straatsburg weer het diakenambt in.
Bucer heeft uitvoerig over het diaconaat geschreven, ook later in Engeland. Zijn diaconale opvattingen komen voort uit zijn visie op de gemeente als lichaam van Christus. Bij hem tref je dan ook gedachten aan over wat we nu "gemeentediaconaat" noemen. Want "de lichamelijke verzorging maakt een wezenlijk bestanddeel uit van wederkerige broederlijke hulp in de gemeente. Ieder lidmaat heeft daarin zijn roeping." (Van 't Spijker, p. 256). De diakenen moeten zorgen voor de behoeftigen in de gemeente, maar ook daarbuiten. Ze moeten zo hulp verlenen, dat de lijdende mens weer zijn eigen bestaan kan opbouwen, waarin hij God kan dienen en zelf ook kerk en samenleving kan dienen (Davidse, p. 14). Bucer besteedde zelfs aandacht aan arbeidsbemiddeling (Davidse, p. 14). Voor Bucer waren de ambten principieel één en gelijk, al is er daarbij wel een "graduele verscheidenheid" (Van 't Spijker, p. 404).
Zo kan hij de diakenen wel de presbyters van de derde orde noemen. De diakenen helpen nl. de opzieners inzake de tucht. Toch blijft het diakenambt zelfstandig.
Bucer plaatst de diakenen ook bij de avondmaalstafel. Dit betekent - zegt Van 't Spijker (p. 410) - meer dan "om aan de diaken het nodige gezag te geven. Met lege handen mag niemand voor God verschijnen. Het diaconaat transfigureert bij het Avondmaal alles. De nood wordt daar nood van Christus. En de barmhartigheid wordt daar als barmhartigheid van Christus over het volle leven kenbaar."
d. Calvijn:
Er hoeft niet meer gezegd de worden, dat Calvijn ook het diakenambt kende, zo bekend is Calvijns instelling van de vier ambten.
Ook hij ijverde voor de verankering van het diaconaat in de gemeente. Na veel strijd is het hem gelukt van de stedelijke armenzorg een kerkelijke diaconie te maken (Krimm S. 235). In elke plaatselijke gemeente moeten de ambten aanwezig zijn als zichtbare manifestatie van het lichaam van Christus. Hand. 6 was voor Calvijn de reden om te komen tot herstel van het diaconaat.
Want hoewel "het woord diakonia een ruimer betekenis heeft, noemt de Schrift toch in het bijzonder hen diakenen, die de kerk gesteld heeft over het uitdelen der aalmoezen en het zorgdragen voor de armen, en die ze als het ware tot beheerders van de openbare armenkas heeft aangesteld; wier oorsprong en ambt door Lucas in Handelingen (hoofdst. 6) beschreven wordt". (lnst. IV, hoofdstuk 119). Bij Calvijn kun je al een specialisatie binnen het diakenambt tegen komen. Hij voert dat terug op Rom. 12,8: "Wie uitdeelt, doe het in eenvoudigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid."
Paulus duidt, zo zegt Calvijn, "met het eerste lid de diakenen aan, die de aalmoezen beheerden, en met het andere hen, die zich gewijd . hadden aan het verzorgen der armen en zieken." (Inst. idem).
De eersten noemt Calvijn "procureurs" voor de armenverzorging; de anderen “hospltaliers", die in de tehuizen werken. Want ook dit laatste ziet Calvijn als een kerkelijke, diaconale taak. Zo zette Calvijn de diaken "op de grens van kerk en samenleving", zegt Van Dongen (Diakonia Charitas p. 51).
De diakenen hebben bij Calvijn geen plaats in de kerkenraad. Het diakenambt komt bij hem wel na de andere ambten, zonder er aan ondergeschikt te zijn (Krimm S. 236).
e. Frankrijk:
Dit land verdient een aparte vermelding, omdat het een belangrijke rol heeft gespeeld in de strijd om de plaats van de diaken in de kerkenraad. Het mag bekend zijn, dat Calvijn grote invloed heeft gehad bij de opstelling van de Franse Geloofsbelijdenis. Maar het valt dan op, dat daarin de diakenen wèl een plaats ontvangen in de kerkenraad.
De synode van Parijs (1559) stond de diakenen zelfs toe om aan huis catechese te geven. De diakenen beheren de diaconale fondsen, maar staan hiervoor onder toezicht van de kerkenraad.
In de Franse kerk is de samenwerking tussen de ambten krachtig bevorderd. Als het maar even mogelijk was, ontmoette de predikant de diakenen, vooral als het ging om financiële verslagen.
De diakenen werden ook afgevaardigd vanuit de kerke raad naar de Synode.
Nog een ander voorbeeld van deze voorbeeldige samenwerking: om verdachtmakingen te voorkomen moesten de ouderlingen de gaven aan de armen geven, maar de diakenen bezochten deze armen wekelijks om te vragen of de gaven ontvangen waren en om met hen over de nood te praten (De Jong p. 62 v.).
f. Johannes á Lasco:
Vooral in zijn Londense tijd is hij voor het diaconaat van groot belang geweest. In deze vluchtelingengemeente is het beter dan elders gelukt om werkelijk iets van "gemeentediaconaat" op te zetten (Beyreuther S. 28). A. Lasco stelde, dat het diaconaat noodzakelijk is voor de kerk, zodat Jezus Christus in de levens van de behoeftigen niet wordt veracht. De diakenen moeten de gaven inzamelen en uitdelen. Ze moeten de predikanten en ouderlingen op de hoogte brengen van de nood, die zij gezien hadden; zodat dezen op hun beurt de gemeente tot groter offervaardigheid konden opwekken (De Jong p. 65). De diakenen mogen in hun diaconale werk ook naar het geloof vragen en zelfs vermanen tot een goede, christelijke levenswandel. Aan de verkiezing van diakenen gaf A Lasco veel aandacht. Dit moet bevorderd hebben, dat het diaconaat een goede wortel in de gemeente had.
Tóch valt desondanks op, dat bij A Lasco de diakenen geen deel uitmaken van de kerkenraad.
En dit is dan de andere lijn van de Reformatie; dus meer de lijn van Calvijn in Genève, die zich hier doorzet. De vier predikanten en de ouderlingen vergaderen elke week; dat werd kerkenraad genoemd.
Om de zes weken komen de diakenen erbij zitten, maar dan heet het geen kerkenraad (De Jong p. 66 v.). De diakenen moeten daar verslag doen van hun activiteiten. Ze hebben aandeel in de leiding van de gemeente, ook al is dat beperkt, de kerkelijke tucht. Er is hier sprake van een zekere onderschikking van het diakenambt. Wat echter - zo lijkt het althans - geen nadelige invloed heeft gehad op het diaconaat van de gemeente.
5. De reformatie van het diaconaat in Nederland
Naar het voorbeeld van met name A Lasco heeft men ook in Nederland geprobeerd een kerkelijke diaconie op te zetten. De instelling van het diakenambt was spoedig na de vestiging van de Hervorming een feit. Ondanks de vervolgingen en de barre tijden bloeide het diaconaat.
Ook in Nederland was in de Middeleeuwen de burgerij de uitvoerder geworden van de armenzorg.
Er moest dan ook een langdurig gevecht geleverd worden om de kerkelijke diaconie vrij te maken van de invloed van de burgerlijke autoriteiten. En dat is niet overal gelukt.
Als het gaat om de verhouding diakenambt en pastoraalambt zijn er twee sporen aan te wijzen.
Enerzijds wijst de Ned. Gel. Bel. in art. 30 overduidelijk op de gelijkheid van de ambten. De opzieners en diakenen vormen samen met de herders de kerkenraad. Anderzijds zijn de diakenen in de Kerkorde van de Nationale Synode van Dordrecht niet opgenomen in de kerkenraad.
De oorzaak ligt in de ontwikkelingen in die jaren. Op de eerste vergadering van de leiders van de kerken in Nederland, het Konvent van Wezel in 1568, was waarschijnlijk de invloed van Londen het sterkst. Het Konvent sprak dan ook uit, dat de diakenen niet tot de kerkenraad behoren.
Maar op de eerste Synode van de Ned. Kerken te Emden - 1571 - zitten de diakenen er ineens wèl in. Er werd op deze Synode zelfs bepaald, dat op elke klassikale vergadering aan de plaatselijke afgevaardigden gevraagd moest worden hoe de armen door de diakenen verzorgd werden.
Het lijkt wel een "knipperbol" in deze jaren. Want op de volgende Synode, die van Dordrecht 1574, zitten de diakenen er weer niet in. Ze kunnen wel door de kerkenraad opgeroepen worden. Er wordt ook bepaald, dat diakenen gevraagd mag worden - door de predikanten!om de zieken te bezoeken en hen te verzorgen met het Woord van de Schrift!
Deze lijn heeft het gewonnen. Dat is merkbaar in de oude bevestigingsformulieren. En zo is er ook lang een tegenspraak blijven bestaan tussen de Kerkorde en de Ned. Gel. Bel. De oorzaak van dit groeiende verzet tegen diakenen in de kerkenraad ligt waarschijnlijk in de afhankelijkheid van de diaconie van de burgerlijke overheid, die er ondanks reformatiepogingen bleef bestaan. Men wilde waarschijnlijk de invloed van de overheid niet tot in de kerkenraad laten doordringen. Want duidelijk is wel dit: het verzet kwam niet voort uit principiële bezwaren; in dezelfde Kerkorde erkende men de gelijkheid van de ambten!
6.De laatste golfbewegingen
a. de 17e en de 18e eeuw: neerwaarts
Het bleef helaas niet op dit hoge nivo. Er kwam weer een golfbeweging naar beneden. Het pastorale ambt en m.n. dat van de predikant werd sterker. Het diaconaat is in deze tijd weinig doordacht. Er werd meer geredeneerd vanuit de situatie dan vanuit de opdracht. Ondanks de goede individuele voorbeelden mag een woord van prof. Waterink genoemd worden (p. 1395 v.): "Het is één van de ernstigste fouten van de kerk in de zeventiende en achttiende eeuwen van de Christenheid in die tijd geweest, dat men Christus' inzetting, doordien Hij aan de Kerk het diakenambt schonk, niet heeft verstaan."
b. de 19e en de 20e eeuw: opwaarts en...
Evenals in Duitsland is ook in Nederland in de 1ge eeuw een opbloei van het diaconaat te zien.
Al moet gezegd, dat dit aanvankelijk niet een echt kerkelijke zaak was. Je kunt spreken van een zgn. "Vrij Diaconaat"; b.v. in Het Reveil. Kerkleden, die maatschappelijk sterk bewogen waren, namen de initiatieven. Te noemen is O. G. Heldring, die als pionier allerlei inrichtingenwerk begon. Ook Hendrik Pierson, zijn opvolger, mag genoemd worden.
De Afscheiding en de Doleantie hebben ook grote betekenis gehad voor het diaconaat. En hier moet dan weer de grote invloed van Dr. Willem van den Berg genoemd worden. Hij kwam op de Ie Synode van de Dolerende Kerken in 1887 met een uitvoerig en fundamenteel voorstel tot Reformatie van het Diaconaat. Als gevolg daarvan werden jaarlijks de Diaconale Conferenties belegd, die van grote betekenis zijn geweest voor het diakenambt. Ook de naam van prof. Lucas Lindeboom moet hier genoemd worden. Er is vooral veel aandacht besteed aan "de christelijke instellingen voor barmhartigheid", zoals die toen genoemd werden; èn daarnaast ook aan de zorg voor de armen.
In onze eeuw is er veel financiële ondersteuning geweest in de crisisjaren aan de armen.
Toch zijn we dan direct bij misschien wel één van de oorzaken van de golfbeweging van het diaconaat sinds de 60-er jaren. Sinds de Armenwet van 1912 en de Alg. Bijstandswet van 1965 is de financiële verzorging van de armen door de overheid overgenomen; óók nam de staat via subsidiëring allerlei vormen van maatschappelijk werk en welzijnswerk op zich. Voeg daaraan toe de algemene mening in de kerken, dat de financiële verzorging dé taak van het diaconaat was en de cirkel is rond. Dit leverde noodzakelijk een neerwaartse golfbeweging op. Opmerkingen als "Maar er is toch geen financiële nood meer" kwamen voort uit deze verkeerd eenzijdige visie op het diaconaat. Maar ze veroorzaakten wel een bedreiging van het diaconaat zowel bij de gemeente als bij de ambtsdragers.
Toch zult u van mij niet horen, dat dit een noodzakelijk neerwaartse golfbeweging is. Daarvoor wil ik tot slot - uit het voorgaande - een paar conclusies trekken.
7. Enkele conclusies
Om tot vernieuwing van het diaconaat te komen is het goed om de pastorale kant van het diakenambt opnieuw te doordenken en in praktijk te brengen, zoals dat in het begin van de kerkgeschiedenis èn in het begin van de Reformatie gedaan is.
Daarnaast is het herstellen van de diaken in zijn functie in de eredienst van groot belang voor diaken èn gemeente. Met name bij de viering van het Avondmaal. Zodat weer zichtbaar en hoorbaar wordt, dat het diaconaat wortelt in het hart van het kerkzijn: in prediking, avondmaal, gebeden en inzameling. Van de Reformatie valt inzake het diaconaat te leren, dat het diakenambt èn het diaconaat álles te maken heeft met de kernwoorden van het evangelie: genade, redding en verzoening.
En dat daarom het diaconaat geen hobby van enkelen is, maar een taak voor allen.
Ook is van de Reformatie te leren, dat die diaken weer terug geplaatst moet worden op de "rand van kerk en samenleving". In een nieuw doordachte verhouding van kerk en samenleving; in een dienst naar buiten, die laat zien wat Gods heil voor de wereld betekent. Ook over de landsgrenzen heen. Zoals de bisschop ten onrechte in de eerste eeuwen bij zijn pastorale taak de diaconale aan zich getrokken heeft, zo moet ook nu het pastoraat pastoraal blijven ondanks de diaconale raakvlakken. Er is veel te verwachten van het diaconaal huisbezoek aan alle leden om zo al toerustend samen te komen tot vernieuwing van het diaconaat.
Een diaconaat, dat zich door de kern van het evangelie in beweging laat brengen, kan onmogelijk een golfbeweging naar beneden opleveren; dat kan alleen uitmonden in dienst aan het in beweging zijnde rijk van God.
Belangrükste geraadpleegde literatuur:
1. Erich Beyreuther, Geschichte der Diakonie und lnneren Mission in der Neuzeit. In de serie: Lehrbücher für die Diakonische Arbeit, Band I. Berlin 1962.
2. René Leudesdorf, "Diakonie"; art. in: Gert Otto, Hrsg., Praktisch Theologische Handbuch. Stuttgart enz. 19752; S. 121-151.
3. Peter Y. de Jong, The ministry of mercy today. Grand Rapids 1961.
4. Paul Philippi, Das sogenannte Diakooenamt. 1968.
5. J. C. v. Dongen, Diakonia/Charitas. Kampen 1978.
6. Karl Rahner/Herbert Vorgrimler, Hrsg., Diaconia in Christo. Freiburg enz. 1962.
7. K. Dijk, De eenheid der ambten. Utrecht 1949.
8. J. Hovius, Behooren de diakenen tot den kerkenraad? Sneek 1951.
9. J. C. van Dongen, "Het Diaconaat in de Kerkorde".
art. in: Kerkedienst, Tijdschrift voor de kerkelijke practijk, 16e jrg. nr. 4/5 1951 p. 130-136.
10. D. Nauta, "Confessie en Kerkorde over de plaats der diakenen in den kerkenraad", Art. in: Gereformeerd Theologisch TÜdschrift, 52e [rg. p. 1-10.
11. H. Bouwman, Het ambt der diakenen. Kampen 1907.
12. J. van Lonkhuizen, "De geschiedenis van het Diaconaat". Art. in: P. Biesterveld, e.a., Het Diaconaat. Hilversum 1907 (p. 1-220).
13. W. van 't Spijker, De ambten bÜ Martin Bucer. Kampen 1970.
14. J. Davidse, "Maatschappijgericht diakonaat; iets uit de historie van een idee van Calvijn." Art. in: Het Diakonaat, 74e jrg, nr. 10, okt. 1977 .p, 13-20.
15. J. Waterink, e.a. red., Cultuurgeschiedenis van het christendom. Deel I en 11. Amsterdam/Brussel 1957.