Etty Hillesum

1982-06-04
  • Jaargang 26
  • nummer 22
Het dagboek van Etty Hillesum 'Het verstoorde leven' heeft in Opbouw al maanden' geleden de aandacht gekregen die het verdiende in de artikelen van de heer Milo.
Toch lijkt het alsof dit boek nu pas in de grote publiciteit doorbreekt. Zo zag ik zaterdag jl. een tv-uitzending over de schrijfster van dit dagboek en las ik juist deze morgen (maandag 24 mei) in Trouw een artikel van de hand van dr K. A. D. Smelik die dit dagboek aan de uitgever heeft aangeboden. Hij schrijft dat het boek nu ook internationale aandacht krijgt. De reden waarom ik er - na de boekbespreking van Milo - toch nog nader 01) inga is niet omdat ik de bespreking van de heer Milo nog eens over zou willen doen - het is meer om de factoren te wegen die er toe geleid hebben dàt dit boek nu zo'n plotselinge grote aandacht krijgt.

Te filosofisch
Dr Smelik vertelt in Trouw dat dit dagboek vlak na de oorlog door zijn vader verschillende malen aan uitgevers werd aangeboden. Maar er was niemand die er wat in zag. Het werd beoordeeld als té filosofisch. Nu is het inderdaad waar dat de schrijfster heel weinig beschrijvingen geeft van wat zij ziet en hoort vóór, tijdens en ná haar reis naar, het concentratiekamp waar zij omkomt.
Wät dat betreft kom je veel meer te weten uit andere dagboeken, zoals bijv. van F.Bakels 'Nacht und Nebel'. Zij schrijft méér van binnen uit, hoe zij haar omstandigheden beleefde en verwerkte. Op blz. 179 zegt zij: "Ik wil niet de kroniekschrijfster van gruwelen worden. Ook niet van sensaties.
Vanmorgen nog zei ik tegen Iopie: en toch komt het altijd weer op hetzelfde uit: het leven is mooi. En ik geloof in God." Als haar boek een schilderij was zou het zeker niet onder de stroming van het naturalisme vallen, dat trouw probeert te schilderen' wat het oog ziet, maar veel meer onder de school van het impressionisme dat probeert uit te drukken wat er in mil omgaat bij het zien van de werkelijkheid. Die werkelijkheid was ontzettend. Daarom valt er altijd iets van schroom over ons als wij willen bespreken wat er in een dagboek als dit zo hoogst persoonlijk onder woorden gebracht wordt.
Te meer omdat er in dit boek iets heel kostbaars wordt aangetroffen - een heel bijzondere manier van verwerken van lijden dat eigenlijk niet te verwerken valt. In dat opzicht kan ik alleen maar naar de gevoelige bespreking van Milo verwijzen. Toch kan ik begrijpen dat de uitgevers direct na de oorlog dit dagboek te filosofisch noemden. Niet dat ik het tè filosofisch vind en nog minder dat ik het daarom niet de moeite van het uitgeven waard zou vinden, maar meer omdat de diepere tonen van dit dagboek inderdaad van levensbeschouwelijke aard zijn en motieven tot uitdrukking brengen, die wellicht nïi pas in de tachtiger jaren echt aanslaan. Om die diepere motieven op te sporen en daarna geheel los van de persoon van Etty Hilesum (die ik hoogacht) te bespreken, heb ik het nu volgende artikel geschrevene.

I. Seksualiteit en geloof
Het eerste wat bij de lezing van het dagboek opvalt is de buitengewone vrijheid die de schrijfster vóórleeft op het gebied van de seksualiteit. Hier vind ik ook de bespreking van het dagboek het moeilijkst. Want wat voor recht heb ik om bij een vroeggestorven medemens in de slaapkamer te kijken? Voelen wij ons hier niet een gluurder die dingen ziet, die niet voor zijn oog bestemd zijn? Toch is het - nu dit dagboek eenmaal is gepubliceerd - onvermijdelijk om hier een enkel woord aan te besteden. Want wij nemen iets waar in dit dagboek wat in de oorlogstijd zeer uniek was, nl. een totaal vrije houding op sexueel gebied, zonder dat dit aan het gebed en het geloof afbreuk leek te doen.
De schrijfster leeft met verschillende mannen intiem samen, maar voelt dit zelf aan als zuiver en schoonnatuurlijk ook best wel eens 'verstoord' - maar zonder dat dit haar geweten schijnt aan te raken en zonder dat er ooit gesproken wordt over 'normen'. Dit zou één van de redenen kunnen zijn waarom dit boek pas nú grote opgang maakt. Vlak ná de oorlog was dit zeer buitengewoon en zou dit velen geschokt hebben, maar nu in de tachtiger jaren sluit dit aan bij de mentaliteitsverandering die onze samenleving sinds die tijd heeft meegemaakt. Wij staan ná de seksuele revolutie die bij ons plaatsvond in de zestiger jaren en pas nu is de bodem rijp voor een boek als dit, dat hoewel geschreven in de oorlog toch al ver haar tijd vooruit is. De sfeer van de verhouding tussen Etty en de heer Spier is pas in de tijd van rond 1980 goed te begrijpen - open, gevoelig, hoogstpersoonlijk - om eerlijk te zijn een beetje in de stijl van Bagvam. Ik weet wel dat christenen zich haast het recht hebben verbruid om hier iets over te zeggen. Moeten wij persé weer een lineaal gaan aanleggen van wat màg en niet mag? Hebben wij dat niet vaak gedaan in de stijl van een farizese casuïstiek? Toch blijft de omgangsstijl van Etty Hillesum bij mij vragen oproepen.
Die mystieke benadering van de medemens verwaarloost gemakkelijk de structuren die er zijn ook voor de omgang tussen mens en medemens en man en vrouw. Dit leidt wel tot emotionele diepgang, maar niet tot vruchtbaar en verantwoord samenleven.
Geloof en seksualiteit hebben heel vaak op gespannen voet geleefd met elkaar. Hier in dit dagboek lijkt er sprake te zijn van een totale harmonie Die harmonie is bij nader toezien gebaseerd op hoe ik het voel. Die basis is mij te smal en te bedriegelijk om er mijn relaties op te baseren.

II. God boven ons - God in ons

Dr Smelik zegt in zijn artikel in Trouw dat een nadere verwerking van het grote lijden van vooral de Joden in de Tweede Wereldoorlog ons steeds meer hebben gedreven in de richting van het geloof in een hulpbehoevende God. Niet een almachtige God boven ons - maar een God náást ons, of sterker nog: een in ons levende God, die ons lijden deelt. Ik denk hier aan het bekende gedicht van D. Bonhoeffer: 'Christen en heiden'.

Mensen gaan tot God in hun nood
smeken om hulp, om geluk en
om brood,
om redding uit ziekte, schuld en
dood.
Zo doen zij allen, christenen en
heidenen

Mensen gaan tot God in Zijn nood,
vinden hem arm, gesmaad, zonder
dak of brood,
zien hem verslonden door zonde,
zwakheid en dood.
Christenen staan naast God in zijn
lijden.

God gaat tot alle mensen in
hun nood
verzadigt het lichaam en de ziel
met zijn brood,
sterft voor christen en heiden de
kruisdood,
en vergeeft hen beiden.

(Uit: "Wieders tand und Ergebung" blz. 182)

Ook bij Etty Hillesum komen wij uitspraken tegen die aansluiten bij het 2e vers van dit gedicht van Bonhoeffer: "En als God mij niet verder helpt, dan zal ik God wel helpen" (Het verstoorde leven, blz.
127). Zij spreekt heel vertrouwelijk tot God, als de God die in haar woont "dat allerdiepste in mij, dat ik gemakshalve maar God noem", blz. 136. In Zijn hand weet zij zich onder alles geborgen. "Ik aanvaard ales uit jouw handen, mijn God, zoals het komt" (blz. 151). Woorden als deze van Bonhoeffer en van Etty Hilesum, geboren temidden van verschrikkelijk lijden, zijn nooit oneerbiedig bedoeld geweest. Zij geven weer hoe diep de Here hen in hun lijden nabij was. Inderdaad zó ver kan God ons troosten: dat Hij ons in het diepste lijden laat voelen, dat Hij er zelf nog dieper onder lijdt.
Dan mogen dat soort gedachten als wij zoëven lazen worden uitgesproken.
Alleen zodra wij veertig jaren later levend bemerken dat er een theologie gebouwd wordt op zulke uitspraken als van Bonhoeffer en Hillesum, als zou God niet een persoon zijn boven ons - maar een dieptedimensie in ons, dan worden wij wel gedwongen om op te staan en onze voet dwars te zetten.
Ik denk hier aan de populaire theologie van Iohn Robinson die in zijn boekje Honest to God zei alleen nog maar te kunnen geloven in een God in ons, als dieptedimensie in het menselijk ervaren. Die gedachte heeft J. Moltmann nog veel dieper tot uitdrukking gebracht in zijn boek "De gekruisigde God", waar hij zegt: "God is een medemenselijk gebeuren maar als God alleen een medemenselijk gebeuren is, is er dan geen 'persoonlijke God'? Moltmann antwoordt op die vraag die hij zichzelf stelt: "Inderdaad bestaat er dan geen persoonlijke God, als een in de hemel geprojecteerde persoon" (blz. 233 Ambo). Moltmann wil niet zeggen dat hij attheïst geworden is - integendeel: hij probeert God opnieuw ter sprake te brengen, maar nu niet als een souverein God, die in de hemel troont, maar als een gebeuren hier op aarde, in zijn diepste diepte geconcentreerd op Golgotha.
Ondanks al zijn goede bedoelingen blijf ik hier grote bezwaren houden tegen Moltmann. Niet tegen Bonhoeffer, wel tegen alle theologie die een ervaring, als van Bonhoeffer gaat uitbouwen tot een niet meer op de Schrift maar op de menselijke ervaring, stoelende gedachtenwereld.
De Schrift zelf verkondigt ons zowèl het éne als het andere, nl. dat God met ons lijdt, als ook dat Hij alle ding regeert.
"De Here is Koning vast staat nu de wereld zij wankelt niet" Ps. 93. Die geloofszekerheid is niet gebaseerd op menselijke ervaring maar op Gods getuigenis, dát zeer betrouwbaar is - Ps. 93 : 5.
In dit opzicht ga ik liever bij een andere eigentijdse Joodse schrijver te rade, die wel met grote eerbied weet te spreken over de souvereinitit van God, die niet als de Ander ooit mag worden gereduceerd tot toch uiteindelijk "Ie même" , dezelfde, een deel van mij! Hier volgt een citaat uit zijn werk: "Zoals gezegd, er is Iemand nodig, die niet meer aan het zijn vastplakt en die op eigen risico een antwoord op het raadsel geeft: een eenzame, unieke en geheime subjectiviteit, waarvan Kierkegaard iets heeft gezien." E. Levinas in "Het menselijk gelaat", blz. 205 en 207.
Met deze verwijzing naar Levinas wil ik maar zeggen: er is niet onvermijdellijk maar één theologie mogelijk - vanuit de Tweede Wereldoorlog. Hier is een denker, die ook diep geleden heeft als Jood, maar die begrepen heeft dat een theologie die zich richt op God in ons en daarbij blijft staan uiteindelijk uitkomt bij een antropologie. Het dagboek van Etty Hillesum is geschreven vanuit een diepe, vaak mystieke liefde voor God zoals Hij zich ook in ons niet onbetuigd laat - om twee woorden van Paulus uit Hand. 14: 17 en 17: 27 samen te nemen. Wat opvalt bij Paulus is dat deze dit soort geloven niet als een eindstation beschouwt, maar dat hij er juist bij aanknoopt als een beginpunt. (Hand. 17 : 27 e.v.). In ieder geval: het is wel begrijpelijk dat het dagboek van Etty Hillesum ook op dit punt pas in de jaren ná Moltmann en Robinson beter overkomt dan direkt ná de oorlog.
Alleen dat maakt mij tegelijkertijd ook veel voorzichtiger om de gevoelens die zij uitdrukt in haar dagboek over te nemen. Ik zou haar gevoelens over 'God in mij' niet als eindpunt maar hooguit als beginpunt willen nemen, op de manier waarop Paulus dat doet in Handelingen 17.

II. Zelfopoffering
Het diepste worden wij getroffen als wij in dit dagboek kennis maken met een vrouw die zich zelf geheel heeft overgegeven aan haar lijdend volk. Hier stuiten wij op de diepste lijn door heel dit dagboek. De laatste zin van het dagboek luidt: "Men zou een pleister willen zijn op vele wonden." In dat verband bidt zij: "Heer, maak mij niet zó begerig dat ik begrepen wil worden, maar dat ik begrijp." (blz. 180) "Alle nachtelijke noden en eenzaamheden van een lijdende mensheid trekken nu plotseling met een weeë pijn door dat éne kleine hart van mij." (blz. 166). Zulke woorden vinden wij vaker en verspreid door heel het dagboek. Wat Etty Hillesum ten diepste bewoog was deze zelfovergave aan haar volk - en in die zelfovergave heeft zij iets bespeurd van een, je zou haast zeggen, messiaans lijden. Kan dat? Zouden er toch nog onvervulde en onvermoede diepten liggen in het Joodse volk en de roeping van dit volk tegenover geheel de mensheid. Een restgestalte van de lijdende Knecht? Ik zet achter deze opmerkingen een vraagteken, omdat wij geloven dat er maar Eén is geweest die in een uniek messiaans lijden heel het leed van een gebroken en gevallen wereld doorleden heeft. Daarom draagt ieder spreken over een messiaans lijden het gevaar in zich aan die uniekheid afbreuk te doen. Dat gevaar is vandaag niet ondenkbaar -- en zou bij een dweper met dit dagboek of met de boeken van Simone Weil - die veel op Etty Hillesum lijkt - zó kunnen opdoemen.
Tegelijk leidt de lezing van dit dagboek mij toch tot de vraag of het wellicht mogelijk is dat dit Joodse volk - ook in het negatieve - op ondoorgrondelijke wijze iets met zich meedraagt van een afglans van het unieke lijden van haar grootste zoon. Neen, verlossende kracht heeft dat lijden van Israël niet - dat heeft alleen het lijden dat ons tot verzoening bracht met God. Maar er blijven hier nog onverklaarde diepten.
Tot slot: deze drie punten: gevoel, God in ons, messiaans lijden - het zijn thema's die juist in de tachtiger jaren velen bezig houden. Daaruit verklaar ik de grote belangstelling van dit boek in onze tachtiger jaren met zijn zelfinkeer en gevoelscultuur, maar dit is tegelijk ook de reden waarom ik er kritischer tegenover sta dan vele anderen. Ook al blijf ik het hoofdsignaal van dit boek bewonderen: er is hoop ook als alles uitzichtloos lijkt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief