Naar een federatie met de Chr. Gereformeerde Kerken? (1)

1982-06-04
  • Jaargang 26
  • nummer 22
Op verzoek van de redactie geef ik in een viertal artikelen mijn visie op een mogelijke nauwere samenwerking tussen de Christelijke Gereformeerde Kerken (voortaan CGK) en de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) in de vorm van een federatie. Het vierde artikel is wellicht het belangrijkste omdat ik daarin spreek over onze motieven. In de eerste drie wordt, door de beschouwingen heen, een brok informatie verwerkt. De vraag die ons bezighoudt is: kunnen beide kerken komen tot de vorming van een federatie als stap op weg naar algehele eenheid?

Waar komt de federatiegedachte vandaan?
Voor de beantwoording van deze vraag moeten we terug naar de LV van Kampen (1976). De notulen vertellen dat de vergadering begon met een prealabele vraag van de kerk van Wormer. Die had begrepen dat een vereniging met de CGK verrassend dichtbij gekomen was. De broedershadden er echter nota van genomen dat de CGK "zeer moeilijk zouden kunnen afstappen van hun kerkorde". De vraag was nu wat het zwaarst moest wegen: de voorgenomen vernieuwing van de KO, of de door Christus geboden eenheid. Hoewel de kerk van Wormer t.a.v. de KO "een vrij uitgesproken standpunt" had, was het antwoord op de vraag voor de broeders niet moeilijk. "Wij geloven dat op deze vragen maar één antwoord mogelijk is: de door Christus geboden eenheid weegt zwaarder en zal zwaarder te wegen hebben, dan de vernieuwing van de kerkorde". Na het indienen van dit voorstel hield ieder even de adem in. Stel je voor dat de vergadering zou besluiten alle actie op te schorten in afwachting van een nabije eenwording. Het zou een machtig gebaar van toenadering geweest zijn. We kunnen ons afvragen hoe de geschiedenis gelopen zou zijn als dit enthousiaste voorstel zou zijn aangenomen. De vergadering besliste echter anders. De voorzitter, onze betreurde broeder ds W. Vis, wees erop dat het voorstel Wormer een complete verrassing was en dat het niet op het agendum stond. Verder dat alle afgevaardigden op het voorliggende agendum gerekend hadden. En tenslotte dat de regeling van onze kerkordelijke zaken de toenadering tot de CGK niet zou (mogen) belemmeren. De vergadering kwam terug tot de nuchtere visie, dat grote verschillen een spoedige hereniging van beide kerken nog steeds onmogelijk maakten. In die situatie herinnerde ds F. van Deursen er aan, dat de kerken van de Afscheiding en de Doleantie de weg gekozen hadden van hte desnoods naast elkaar laten bestaan van A- en B-kerken. Die periode duurde wel 30 jaar.
Hij vroeg of het mogelijk was te komen tot een federatief verband met de CGK. "Evenals toen - aldus ds Van Deursen - kunnen wij in een federatief verband onze eigen ontwikkeling handhaven en toch in de toekomst elkaar vinden". Op zijn vraag of de CG deputaten en de NG kommissie voor samenspreking wel eens over deze mogelijkheid hadden nagedacht kwam een ontkennend antwoord. Afgesproken werd de federatie-gedachte informeel bij de samensprekingen te lanceren. Zulks geschiedde. En dat initiatief sloeg aan. Zowel deputaten als kommissie brachten op hun Synode en LV een voorzichtig positief advies uit. Beide vergaderingen maakten daarop de federatiegedachte officieel tot gespreksonderwerp. De CG-synode van Hoogeveen (1978) gaf haar deputaten opdracht "te onderzoeken in hoeverre de gedachte van een federatie bruikbaar is en zo mogelijk dienaangaande met voorstellen te komen". De LV van Wezep (1978) droeg de kommissie op "nader te bestuderen op welke wijze de eenheid verder gestalte kan krijgen, daarbij de federatie-gedachte te onderzoeken en hierover met de CG deputaten te spreken".
En zo is het gekomen!

De vulling van het begrip federatie
Het bleek al gauw dat een duidelijke omschrijving van het begrip federatie een eerste vereiste was. In de praktijk van het politieke en maatschappelijke leven fungeert het begrip op verschillende manier. Onlangs bleek uit een artikel van coll. W. G. Rietkerk dat dat ook op kerkelijk terrein het geval is. In Opbouw van vorig jaar (24e jrg. no. 34 e.v.) voert hij het pleit voor een federatie van kerken tegenover een verbond van kerken. Onder het laatste verstaat hij een "samenleven onder een juridisch rechtsgeldige kerkenordening". Onder het eerste een onderlinge omgang van kerken "door niets anders geregeld dan door een bundeltje afspraken" (als: wanneer en waar je elkander ontmoet, wie de contacten verzorgt enz.). In de oriënterende gesprekken van deputaten en kommissie stond het van meet af aan vast dat zij onder een federatie van kerken in ieder geval verstonden een samengaan op basis van de principes van de DKO. Dat was reeds één van de voorwaarden geweest die de Synode van Apeldoorn 1966 stelde.
Dat was ook door de LV van Kampen tien jaar later toegezegd. In de samensprekingen bleek verder dat men ook t.a.v. de verdere vulling van het begrip op één lijn zat. Beide colleges voelden n1. niets voor een permanente regeling van een los-vast-verhouding. Een federatie mocht alleen een stap zijn op weg naar eenwording. Het CG standpunt werd door één van hun sprekers als volgt samengevat: "Er is reden om in het kader van het Geref. kerkrecht voorzichtig te zijn met zo'n federatie van kerkverbanden: men kan er zich van bedienen om aan de eis tot wezenlijke eenheid te ontkomen en toch elkaar niet los te laten. Een federatie zou alleen te aanvaarden zijn als stap in een proces van vereniging op basis van (h)erkenning van elkander als kerken van Christus. Anders zou er sprake zijn van institutionalisering van de pluriformiteit".
De NG kommissie kwam tot de uitspraak: "Het gaat in bedoelde federatie niet om een organisatievorm waarbij beide partijen principieel zelfstandig zullen zijn en blijven (voorbeeld: een federatie van onafhankelijke staten, waarbij het doel alleen is samenwerking op één of meer terreinen) maar om een verbond van kerken, die via toenemende samenwerking op weg zijn naar eenheid".
Het is duidelijk dat beide colleges een federatie zagen als een bindende zaak. Beide kerken zouden zich daarin nadrukkelijk stellen onder het gebod van Christus de Heer om zo te komen tot eenheid. Dat zo'n eenheid niet bedoelde alle kleur en verschil in geaardheid weg te vagen moest van meet af duidelijk zijn. Er was dus voldoende overeenstemming over de federatiekwestie om verder te werken. Dat wilde echter niet zeggen, dat beide kerkengroepen er al klaar voor waren.

De GS van Amersfoort (1980)
Het viel zo uit dat de CG Synode van Amersfoort het voortouw moest nemen.
Op deze vergadering kwam een zeer verstrekkend voorstel aan de orde waarin de term federatie niet voorkwam maar dat voor de verwerkelijking van de federatiegedachte essentieel was. De door de Synode ingestelde kommissie stelde n1. voor aan de LV van de NGK te verzoeken enige afgevaardigden te benoemen die als gastleden de vergaderingen van de GS konden bijwonen en, zij het zonder beslissend stemrecht, aan de besprekingen zouden kunnen deelnemen. Helaas werd dit voorstel verworpen bij staking van stemmen (26-26). Maar niet ontkend kan worden dat de CG Synode hiermee op de rand was gaan staan van een grote stap vooruit. Reeds hierom is het m.i. niet juist de besluiten van deze Synode te typeren als het maken van "passen op de plaats". De hierna volgende voorstellen met federatievarianten werden eveneens alle verworpen, maar de stemverhoudingen bleven veelzeggend. Om één van de duidelijkste voorbeelden te noemen: voorstel-Brienen om de federatiegedachte te aanvaarden met een toespitsing op wat plaatselijk bereikbaar is, werd verworpen met 26 tegen 24 stemmen. Je kunt teleurgesteld zijn over deze uitslag.
Maar je kunt ook zeggen: Verbazend dat de CGK na zo'n korte federatieaanloop al zover gekomen waren! Dat deze Synode niet gekenmerkt mag worden als de Synode van de "passen op de plaats", mag verder blijken uit de eerste uitspraak, aangenomen met grote meerderheid: "De Synode besluit uit te spreken dat de kerken in gebed, prediking, ambtelijke arbeid en publicaties, gelovend in de kracht van Christus' gebed om eenheid, / aandacht dienen te besteden aan Christus' gebod tot eenheid, opdat het besef van en het verlangen naar deze eenheid verlevendigd wordt". Ik ga hierin graag akkoord met wat ds B. van Smeden hierover opmerkt in een artikel over de verhouding van onze beide kerken in Ambtelijk Contact, 20e jrg. no. 7, pag. 655.
Voor ons is het van belang kenniste nemen van de bezwaren door verschillende tegenstemmers ter Synode tegen de federatievoorstellen ingebracht.
Ik noem enkele:
- als de vrouw in het ambt in de NGK doorgaat, krijgen wij moeite.
- de NGK zijn kerkordelijk gezien nog in ontwikkeling; laten we afwachten wat het wordt.
- we moeten op landelijk niveau geen gestalte geven aan een eenheid, als het plaatselijk nog veelszins zo bedroevend is.
- een inniger verhouding met de NGK zal onnodig oorzaak van interne spanningen zijn.
- een artikel van ds H. Amelink over wedergeboorte is niet conform de Gemeenschappelijke Verklaring over de Toeëigening des heils (ter vergadering weerlegd).
- de independente houding van de NGK verhindert toenadering.
- we zouden zeer gezegend zijn met toenadering tot de binnenverbanders.
- de gehouden enquête wijst uit, dat de zaak niet leeft.

Tot zover een kort verslag van deze Synode.

Vermeld moet nog worden dat ds G. Mul en ondergetekende die de gast van de vergadering mochten zijn ook heel dankbare geluiden hoorden, die gewaagden van blijdschap over groeiende contacten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief