Jezus Messias - hoe verstaan wij dat?

1982-06-11
  • Jaargang 26
  • nummer 23
Het opschrift boven dit artikel is de titel van een boek van de Utrechtse Hervormde predikant Duvekot. Er zijn de laatste tijd méér van dit soort boeken verschenen. Ik denk nu aan het boek van de Italiaanse journalist Vittorio Messori "Wat te zeggen van Jezus?" en het boek van dr W. G. Overbosch: "De Messias en zijn stad". Het gaat in al dit soort boeken om één en hetzelfde verlangen nl. om te zien wie Jezus nu werkelijk was. Dat verlangen begon te ontstaan toen de Christus die verkondigd werd in de Kerk zo buitengewoon, en levensvreemd en onwerkelijk overkwam, dat er mensen in het midden van diezelfde kerk opstonden en zich afvroegen: is dàt nu de Jezus, zoals wij die kennen uit de evangeliën? Wie was de 'historische' Jezus? Men is echter in de vorige eeuw zo vaak op een humanistische z.g. "verlichte" manier met deze vragen bezig geweest, dat deze studies naar de historische Jezus de gemeente kopschuw hebben gemaakt.
Bovendien waren de resultaten van deze studies van Strauss tot Albert Schweitzer zo beroerd, dat de meeste dominees gedacht moeten hebben: laten wij dáár de gemeente maar niet mee vermoeien. Vandaag ligt dat anders. De drie studies die ik aan de aanvang noemde zijn alle drie de moeite van het lezen bijzonder waard. De Italiaanse journalist schrijft hoe hij als atheïst door deze studie christen geworden is en wat de bevindingen zijn van zijn onderzoek.
Het is een boek dat (dank zij het feit dat het?) geschreven is door een niet-theoloog, bijzonder fris is en veel verrassende uitzichten biedt op de persoon van Jezus. Een boek om aan een niet-christen cadeau te geven. De beide hervormde dominees die ieder een meer wetenschappelijk boek schreven over deze vragen naar de historische Jezus, hebben dit gemeenschappelijk, dat zij onder de indruk zijn van de joodse achtergrond van de persoon, het werk en het leven van Jezus en die achtergrond ook zien als een basis voor een nieuw gesprek met Israël.
Het boek van Overbosch bestaat uit een reeks lezingen die hij gaf als een soort vervolgcatechese. Ze veronderstellen een behoorlijke theologische kennis van zaken. Het positieve van dit boek vind ik dat hij de persoon van Christus schetst in zijn verbondenheid met de O.T.ische beloften en Christus ziet staan in het kader van het komen van Gods Koninkrijk: het nieuwe Jeruzalem. Hij houdt ook vast tegenover het marxisme aan de "tegemoetkomendheid"
van het Rijk (zoals hij dat noemt op blz. 183) en dat Gods Rijk niet het product is van een gezamenlijke menselijke inspanning. Toch is dit boek van Overbosch gelijk beïnvloed door het marxisme dat hij zelf aan het slot bestrijdt. Hij is verwant aan de school van de christenen voor het socialisme die je hieraan herkent dat, hoe zij soms ook ogenschijnlijk het tegendeel beweren, toch de persoon van Christus wegwijkt achter het Rijk. De messianiteit wordt een begrip wijder dan de persoon van Christus zelf. De oude vrijzinnigheid die leerde dat Jezus een goed voorbeeld is wordt dan soms op een haar na benaderd zoals uit het volgende citaat op blz. 64 duidelijk blijkt: "In Jezus weg en werk is voorgoed openbaar geworden, wáárin God wordt verheerlijkt, nl. in de volstrekte broederlijkheid en opofferingsgezindheid". Omdat dit een doorgaande tendens is in het boek, ben ik er niet onverdeeld gelukkig mee. Tegelijk blijven boeken als dit ons eraan herinneren dat alle geloof zonder vruchten dood is, en dat die vruchten vooral moeten bestaan in de bewogenheid voor alle armen en verdrukten.
Het boek van dr Duvekot (Kok, Kampen 1981, f 19,50) beoordeel ik veel positiever.
Het is meer een uitvoerige bijbelstudie over de namen waarmee Jezus zichzelf heeft genoemd of waarmee hij door anderen als Heer is beleden. In dit verband bespreekt Duvekot de visie van bijbelkritische theologen zoals Bultmanri. Deze was van mening dat de titel 'Messias' of in het Grieks 'Christus' pas achteraf - na dood en opstanding - door de discipelen in de vroegchristelijke kerk aan Jezus gegeven was. Iedere bijbellezer zal het wel eens zijn opgevallen dat Jezus inderdaad zichzelf nooit zo direct Messias noemde. Hij sprak van zichzelf als de Zoon des mensen. Bultmann c.s. voeren dit zó ver door dat Jezus het zich ook nooit heeft láten zeggen.
Duvekot bestrijdt Bultmann's visie met gegronde en weloverwogen argumenten. Hij verklaart Jezus' terughoudendheid in het gebruik van de Messias-titel uit de speciale gevoelswaarde die deze titel had gekregen in de tijd van de Makkabeeën. Dus om misverstanden te voorkomen.
Toch heeft de Heer zichzelf wel heel degelijk Messias laten noemen (Mt. 16 : 16 e.a.) en Hij heeft tenslotte vóór het Sanhedrin met evenzoveel woorden "Ik ben het" geantwoord op de expliciete vraag van de hogepriester (Markus 14 : 62). Boeiend is de uitleg van Duvekot, die zegt dat juist op die plaats blijkt hoe Jezus die Messias-naam een heel unieke diepte en zin gaf, toen hij er direct aan toevoegde "en gij zult de Zoon des mensen zien." De Zoon des mensen is volgens Duvekot in de tijd van de N.T. een titel geweest die in de oren van de Schriftgeleerden zo goed als gelijk stond met God zelf als de Wereldrechter (Dan. 7 : 14). Zo klonk ook het woord 'Ik ben het'. Dat leek heel erg op de zelfpresentatie van de Heer en Kening van Israël zelf (Ex. 3 : 14). Dáárom werd Jezus ver66rdeeld, niet omdat Hij zich Messias noemde, want dat gebeurde méér. Maar omdat Hij die Messias-naam op z6'n unieke wijze ontsloot als de grote Zelf-openbaring van de HERE zelf.
Duvekot heeft hierover mooi geschreven, leesbaar voor iedereen, aansluitend aan de nieuwe vragen over de "historische Jezus". Hij loopt niet mee met de overhaaste en geconstrueerde kritiek van de school van Bultmann c.s. Zijn argumenten hiertegen overtuigen.
Jezus' uniekheid als de Messiaanse Koning wordt duidelijk beledener zit vaart in dit boek. Maar dan ineens op de voorlaatste bladzijde als hij komt tot de conclusies wordt a.h.w. gas ingehouden en terwille van het gesprek met de Joden een aarzeling ingebouwd .
Waar iedere lezer in het slot van het boek verwacht: daarom is Jezus de Zoon van God, daar houdt Duvekot in - hij verslikt zich in al die oude Griekstalige belijdenissen over "de twee naturen" van Jezus etc. (in "Nicea" en .Athanasius") en zegt: de uniekheid van Jezus zullen wij vandaag niet meer moeten uitdrukken in Griekse 'filosofische' begrippen, maar in Joodse O.T.-ische woorden. Hij komt dan tot omschrijvingen zoals:

Jezus is de weg waarlang God de Schepper met zijn wereld in relatie treedt. Hij is Gods getrouwe Knecht die door de werking van het Woord de verlossing tot stand brengt.
Hij vervulde de hoop en de beloften van het O.T. etc.

Mij boeit dit nieuwe nadenken over het geheim van Jezus zéér: ik geloof dat Duvekot gelijk heeft dat het kerkelijk dogma zoals het in de eerste eeuwen in Griekse begrippen is beleden - niet meer geëigend is voor de 20e eeuw. In de praktijk van het christelijk en kerkelijk leven zijn deze oude belijdenissen dan ook allang uitgestorven. Wie spreekt nog over 'de twee naturen' of over 'onvermengd en ongedeeld', 'niet gemaakt, wèl geboren' etc.? Tóch blijven óók déze oude belijdenissen bij het fundament van de kerk behoren, omdat zij in hun taal en begrippenwereld dàt uitdrukten wat wij nu nog steeds geloven en belijden nl. het unieke geheim van Jezus, die maar niet een profeet, een priester, een Koning was in de lijn van het O.T. maar de éne, de unieke, de alle besef te boven gaande verschijning van de HERE zèlf.
In Duvekot's boek proef ik een aarzeling ter wille van de Joden om het tenslotte zó sterk te zeggen als ik het zo even deed. Tenzij ik mij vergis - want de bladzijden waren wel erg kort en compact aan het slot (uit verlegenheid?). Maar als ik mij niet vergis, ligt hier de zwakte van het boek.
Kritiek op de oude belijdenissen is pas dan legitiem en zelfs bevrijdend, als men tegelijkertijd - en dan graag met Duvekot méér in de taal van Tenach - hetzelfde geheim wat onze vaderen beleden nu op een meer geëigende èn adequate wijze tot uitdrukking brengt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief