Zonder werk (1)
1982-06-11
De titel van dit artikel suggereert misschien dat het hieronder alleen gaat over werkzoekenden op de arbeidsmarkt, maar het lijkt me reëler het uit te breiden tot al die mensen die kunnen lijden vanwege een gebrek aan bezigheden, omdat veel verschijnselen binnen deze brede categorie ten diepste hetzelfde zijn. Dan valt er globaal aan vier categorieën te denken: - Jaargang 26
- nummer 23
1. Gepensioneerden
Meestal is dat boven de 65, maar steeds vaker komt het voor, dat mensen vanaf hun zestigste al (onvrijwillig) gepensioneerd raken.
2. Arbeidsongeschiktverklaarden
Zgn. "WAO-ers"; waarbij de vraag gesteld kan worden wie of wat nu eigenlijk "ongeschikt" is; de arbeid(st)er of de arbeid.
3. Werkzoekenden op de arbeidsmarkt
In februari 1982 is hun officiële aantal gestegen tot zo'n vijfhonderdduizend, waarvan iets minder dan de helft jonger is dan 25 jaar. Als belangrijkste oorzaak geldt, zoals we weten, de economische teruggang en de versnelde automatisering. Ook spelen een rol, het grotere aanbod van jongeren en vrouwen op de arbeidsmarkt en de toeloop van ex-rijksgenoten tot eind '81. (Sommigen denken hierbij ook aan de vele immigranten (500.000) uit de zgn. "wervingslanden"
rond de Middellandse Zee. Tachtig procent van hen zijn eind zestiger jaren op verzoek van onze bevolking door de overheid via de consulaten daar "geworven". Zij schijnen voor menigeen een concurrent op de arbeidsmarkt, maar gebleken is, dat de meeste vacatures die zij vervullen door Nederlanders niet te bezetten zijn.)
4. Vrouwen uit volgroeide gezinnen
Het is een modem euvel, dat veel vrouwen van boven de veertig op het moment dat hun kinderen het huis verlaten a.h.w. in een "zwart gat" terecht komen; een situatie waarin men - mede vanwege de mechanisatie van het huishoudenweinig of niets zinvols meer te doen heeft en te vervreemd is van de arbeidsmarkt om daar nog een taak te kunnen vinden. Vooral in de hoogbouwen in de zgn. "slaapsteden" wordt het alcoholisme onder vrouwen hieraan verweten.
• Binnen alle bovengenoemde categorieën komt het voor, dat mensen kunnen lijden vanwege het gebrek aan (zinvolle) bezigheden. Hieronder wil ik eerst wat m6gelijke negatieve reacties beschrijven.
In een tweede artikel kan ik dan wat gev6lgen beschrijven van deze stressachtige situaties en het één en ander over pastoraat en diaconaat en kerkelijk werk i.v.m. bovengenoemde probleemvelden.
Als kapstok voor de nu volgende beschrijvingen ga ik uit van de situatie van de werkzoekende op de arbeidsmarkt, maar zoals gezegd, het zal zeker gelden voor veel meer mensen, al kunnen er per categorie specifieke problemen bij komen.
A) De financiële situatie is drastisch veranderd.
Iemand met een inkomen van b.v. 2000 gulden netto per maand ontvangt plotseling via de W.W.-verzekering ten hoogste zes maanden lang 20% minder, oftewel f 1600,-. Daarna komt men in de W.W.V. en ontvangt nu opnieuw 5% minder = f 1500,-. Dit kan voor het persoonlijk of gezinsleven grote gevolgen hebben; het betalen van de huur, de studie of de studie van de kinderen, e.d. komen nu danig in het gedrang, of moeten zelfs beëindigd worden.
Allicht dat dit nogal wat spanningen kan oproepen. Bovendien kost werkloos zijn - hoe vreemd het ook klinkt - duidelijk meer geld.
B) Statusverandering.
Men verandert van (onafhankelijke) "beroepsuitoefenaar" in (afhankelijke) "werkloze". Deze overgang kan bijzonder indringend zijn voor zowel de persoon zelf als zijn directe omgeving. Zeker als men ook nog in z'n voorgaande werk grote verantwoordelijkheid droeg, is het nu een hele toer geworden om emotioneel in evenwicht te blijven, want de manier waarop anderen hem zien en hij zichzelf ziet is nogal negatief: "overbodig", "uitgerangeerd", "afhankelijk", "profiteur", enz.
Het publiek denkt vaak (hardop): "je leeft nu van de zak van anderen en je hebt daardoor geen recht van spreken meer" en verliest daarbij op z'n minst een paar feiten uit het oog: Ten eerste is men geheel onvrijwillig werkloos (hetgeen streng wordt onderzocht) en ten tweede ontvangt men geld - niet van de overheid, maar uit de eigen collectieve verzekering waarvoor men altijd betaald heeft en nog steeds betaalt.
Ten derde heeft men ook zelf belasting betaald voor een eventuele uitkering krachtens de Wet Werkeloosheids Voorziening, welke betaling ook nu nog doorgaat. Bovendien zijn het vooral de machines, computers, e.d. en de natuurlijke hulpbronnen als aardgas en aardolie die o.a. de collectieve sector financieren. Het zijn juist vaak de machines geweest die vanuit een betere concurrentiepositie de betaald werkenden hebben verdrongen.
Maar men zal in het algemeen z'n (voor-)oordeel niet graag opgeven, want werkzoekenden blijken een categorie mensen welke zich er goed voor leent om zich tegenaf te zetten en kunstmatig het eigen waardegevoel op te krikken. Deze neiging tot afzetten komt trouwens nog sterker voor bij werkzoekenden zelf ten opzichte van elkaar; men kan namelijk zeer hard over elkaar oordelen, zo blijkt uit een onderzoek van C.R.M. Bovendien heeft zich een nieuwe "sociale underdog" aangediend waar ook werkzoekenden dankbaar gebruik van blijken te maken; de buitenlandse werknemers.
Toch is het mijn ervaring dat het "werkloos zijn" wat minder taboe is dan zo'n tien jaar terug en dat komt m.i. vanwege het grote aantal werkzoekenden heden ten dage. Ieder wordt er persoonlijk, of in het gezin of in de familie wel eens mee geconfronteerd en ook de publieke oorzaak, de economische teruggang, is tot de meesten van ons doorgedrongen, al blijkt men vaak voor de buurman een minder fraaie verklaring te moeten aangeven. Het klimaat is in z'n geheel toch iets milder aan het worden en dat lijkt me een geluk bij een ongeluk.
Maar hoe verstandelijk een werkzoekende zijn/haar situatie ook mag denken te overzien, emotioneel raakt men soms geheel onverwacht uit balans. Als m'n kind van zes me vraagt: "papa, ga je niet meer naar je werk?", slaat m'n keel onherroepelijk dicht en kom ik niet veel verder dan een kreupel, nietszeggend antwoord. Ik heb het dan ook m'n kinderen (nog steeds) niet kunnen vertellen, al was het alleen al uit angst, dat zij zich zouden schamen tegenover andere kinderen. Ook de buurman die welgemeend informeert of je "nog steeds vakantie" hebt komt met mijn mompelend antwoord niet veel verder, terwijl ik toch altijd verstandelijk gemeend had dat ik - zeker als m.w.-er - dit soort stations allang gepasseerd was en nu blijk je het eerste begin nog niet eens aan te kunnen.
Deze gevoelsmatige statusverandering (alhoewel ten onrechte), kan grote gevolgen hebben. Zo kunnen vooral oudere kinderen die hun gevoel van eigenwaarde aan de status van de vader ontleenden, zich nu bedreigd en zelfs enigszins verraden voelen door de vader. Ook het gezag als ouder kan danig worden ondermijnd. Tevens kan de relatie' met b.v. de huwelijkspartner danig onder druk komen te staan vanwege het veranderde waardegevoel en een verschijnsel als b.v. impotentie kan hiervan een uiting zijn.
Wel is gebleken, dat van oorsprong solide relaties er door deze crises uiteindelijk alleen maar hechter van gaan worden en omgekeerd zwakke relaties helaas vaak slechter.
Ik kan me zo voorstellen dat ook binnen een kerkelijke gemeente deze problemen kunnen doorwerken. Bijvoorbeeld een ouderling die werkeloos wordt en vanwege boven beschreven gevoelens danig in zijn ambtsuitoefening wordt gehinderd. Als "werkloze" gaat hij nu op bezoek bij een gemeentelid die b.v. "werkgever" is. Hier liggen soms zeer hoge drempels.
C) Isolatie.
Veel werkenden hebben vrienden uit hun werkkring. Door niet meer te werken verliest men ook zijn vrienden uit het oog; ja, wil men ze soms zelfs bewust niet meer zien om eigen situatie. Alle vriendelijk bedoelde vragen of je al werk hebt zijn en blijven voor de ondervraagde pijnlijke momenten. De isolatie kan betekenen dat men meer en meer binnen blijft en zichzelf ook van het huiselijk gebeuren gaat afsluiten; weinig of geen boodschappen meer doet, de kinderen niet meer ophaalt van school (waar je als b.v. enige man wel èrg opvalt...) en verjaardagen maar helemaal negeert en de eigen verjaardag buitenshuis viert. In het kerkelijk leven' kan het voorkomen dat men ineens niet meer op een geregelde bijeenkomst als b.v. een bijbelstudie komt en na de zondagse diensten opvallend snel vertrokken is. Wat dat betreft kan een grote kerkelijke gemeente of een grote stad vanwege haar anonimiteit wel eens bevrijdend werken, omdat men als individu gewoon veel minder opvalt en men "ongestoord" zijn/haar eigen gang kan gaan.
Ook hier geldt weer, dat veel van de reacties ook ,door de persoon zelf als een verrassing worden ervaren. Verstandelijk dacht hij het op een rijtje te hebben, maar op het moment dat hij z'n jasje aandoet om naar een bijbelstudiegroep te gaan overvalt het hem en komt hij zichzelf geheel onverwacht tegen. Om een persoonlijk voorbeeld te noemen; zeer vastberaden en overtuigd van alle argumenten die ik bijeengeraapt had ben ik eens op een maandagmorgen aan het tuinieren geslagen. Plotseling ontdek je dat je volstrekt de enige bent in de buurt die op maandagmorgen om tien uur met een schoffel in de hand in z'n tuin staat. Met de schrik om het hart kun je dan in een mum van tijd weer binnen staan. Als je een dergelijke poging 's middags herhaalt overkwam 't me, dat toen tegen vijf uur de buren thuiskwamen en je hun autodeuren hoorde dichtslaan je "plotseling" naar het toilet moest. Allemaal van die stomme en "achterhaalde" reacties; maar je doet het. Hiermee te leren. leven is een eerste taak.
Voor jongeren is dit isolement des te schandelijker, omdat zij meestal werk (en huisvesting) moeten zien te vinden via persoonlijke contacten en juist deze nemen af.
D) De regelmaat van het dagelijks terugkerende werk is weggevallen. Dit zgn. "dagritme" hebben we juist allemaal zo nodig omdat het verlichtend en activerend werkt. Maar omdat je nu veel minder doet overdag ben je 's avonds ook minder moe en slaap je later in en staat dus ook later op. Bovendien loop je elkaar zo 's morgens minder "in de weg".
Maar wat het belangrijkste is; je wordt helemaal door niemand "verwacht". Het maakt namelijk voor niemand iets uit of jij nu om achtuur of om twaalf uur opstaat en dat is al reden genoeg om langzaam te starten. Alles wat je die dag gaat doen, doe je voor jezelf en niemand anders. Wat dat betreft kan het voor een alleenwonende wel eens heel wat moeilijker zijn op dit punt om werkzoekend te zijp. Bovendien valt de contrastervaring tussen werk en vrije tijd weg. Ik durf. wel te beweren dat een 'werkzoekende niet beschikt over zgn. "vrije tijd". Het verbaast zowel hemzelf als zijn omgeving, dat hij vaak maar weinig tot zeer weinig gedaan krijgt op een dag en dat komt omdat de tijd drukkend en vermoeiend op hem inwerkt. Je moet de tijd zien door te komen. Tijd is vijand geworden en wordt met allerlei onbenullige middeltjes "gedood". Als iemand hard moet werken kan hij verlangen naar de tijd erna: de "vrije tijd" waarin hij zelf kan doen wat hij wil. Voor de werkzoekende gaat dit in het geheel niet meer op; de tijd is niet "vrij", ze is alleen maar "open" en vraagt om "gevuld" of zelfs "gedood" te worden. Bovendien is vrije tijd voor betaald werkenden vaak al een probleem, hetgeen een ziekteverschijnsel is in onze cultuur, laat staan voor werkzoekenden. Het moet zelfs geleerd worden, maar ook dit wordt in ons onderwijs niet opgepikt.
E) Als iemand in zijn werk tot een zekere zelfontplooiing kon komen, is ook dat in eerste instantie weggevallen. Alles moet nu op eigen initiatief voor alleen de persoon zelve opgebouwd worden. Een hobby als dagelijkse bezigheid blijkt binnen een maand geen hobbymeer te zijn.
F) Vooral een jonge werkzoekende - maar ook anderen - kunnen dringend behoefte hebben aan informatie. Bijvoorbeeld omtrent het vinden van betaald of vrijwilligerswerk, de uitkering, rechten en plichten, enz.
G) Ook kan er dringend behoefte zijn aan het op pijl houden van de vakkennis want tijdens het werken werd de kennis herhaaldelijk gebruikt en uitgebreid en kwam er telkens nieuwe ervaring bij. Des te groter zal nu de behoefte zijn om de kennis die men (nog) heeft vast te houden.
H) Er blijft een reële behoefte aan meeleven.
Het probleem is echter dat men niet graag d.m.v. dat meeleven elke keer nadrukkelijk herinnerd wil worden aan de eigen situatie. Met andere woorden: het gaat om meeleven met de "persoon", niet met de "werkloze". Hierop kom ik later m.b.t. pastoraat nog terug.
• Alles overziend zou je kunnen zeggen, dat bovengenoemde reacties en behoeften tezamen een zekere stresssituatie vormen. De volgende keer kunnen we bezien waar dát weer toe kan leiden.