"Wat mogen wij hopen?"

1981-03-06
  • Jaargang 25
  • nummer 9
* De artikelen die onder deze titel zullen volgen zijn een verslag dat van de band is afgetypt van de gesproken lezing van H. G. Geertsema op een l'Abri-bijeenkomst op 25 okt. 1980 in Utrecht. Omdat deze lezing bij de vorige twee artikelen aansluit laat ik haar hier afdrukken.

W. G. R.

Waar gaat het over? Het gaat eigenlijk om deze vraag: Wat betekent het, dat we leven ineen tijd waarin aan- de horizont een nucleaire vernietiging dreigt als een naderbij komend onweer.
Ik denk dat dat beeld van een onweer heel plastisch is, als je denkt aan de paddestoel als beeld voor een nucleaire oorlog.
Dat lijkt wat ver weg in ons dagelijks bestaan want we ziener haast niets van: het weer is prachtig en de zon schijnt. Je hebt je dagelijkse bezigheden, je moeilijkheden en ook de plezierige dingen maar niets lijkt er op te wijzen dat er een onweer komt wat zelfs erg zwaar zal kunnen zijn. Doch als je vandaag luistert naar wat er gezegd 'en geschreven wordt in dit verband, dan is het heel reëel. Ik heb hier een boek voor mij liggen. De auteur hiervan is bekend door verschillende boeken over diverse wetenschappelijke onderwerpen.
Dit boek heet: "Kernwapens wat er gebeurt als ze worden gebruikt?". Auteur N. Calder.
Ik heb het boek nog niet helemaal gelezen, het is erg deprimerend in feite om het te lezen. Eigenlijk is de titel niet helemaal juist, de schrijver geeft in verschillende hoofdstukken aan op wat voor manieren een kernoorlog zou kunnen ontstaan, die in ieder geval een groot deel van de westelijke wereld, Europa en Amerika zou kunnen vernietigen. Deze hoofdstukken geven verschillende wegen aan waardoor het zou kunnen gebeuren. De schrijver heeft met nog al wat mensen gepraat die in feite met de voorbereiding daarvan bezig zijn, deskundigen, militairen, systeemdenkers die zich bezighouden met de vraag, hoe kan een beslissing genomen worden als die heel snel nodig is.
Ineens besef je dat het helemaal niet zo ver weg ligt ...
Ik zelf ben er eigenlijk het meest direkt mee geconfronteerd, met de realiteit van deze dreiging, door een briefwisseling die in dit voorjaar in het N.R.C.-Handelsblad is gepubliceerd, een briefwisseling tussen een aantal vooraanstaande Nederlanders onder de titel: "Het zal allemaal heel onverwachts gebeuren".
En het was opvallend dat eigenlijk iedereen die bij deze briefwisseling was betrokken, verwachtte dat het inderdaad in de nabije toekomst zal gaan gebeuren.
Dit was nog al aangrijpend en erg verbijsterend, zo verbijsterend dat de redaktie van het N.R.C.-Handelsblad een einde aan die correspondentie gemaakt heeft. Men heeft het gestopt omdat het de mensen te zeer onstelde hoewel er niet sensationeel in die briefwisseling over gedaan werd. Het was een proeve van wat er aan de hand is op dit ogenblik: politiek economisch, de problemen zoals ze zich ontwikkelen.
De meeste deskundigen die er zich mee bezig houden, met de vraagstukken van oorlog en vrede, hebben eigenlijk allemaal dezelfde verwachting. Niet alleen dat ze zeggen het gaat gebeuren, maar dat het eerder verbazender is dat het nog niet gebeurd is dan dat het niet zal gebeuren, Ik denk dat deze situatie een vraag aan ons stek Met "ons" bedoel ik: "ons christenen". Wat hebben wij te zeggen in zo'n situatie?
Als je die discussie volgde, dan is het eigenlijk zo in wat ik gelezen heb, dat het denken bij zo'n nucleaire vernietiging ophoudt.
Dat is te begrijpen.
Maar ik denk dat je dat als christen niet kunt doen. Als je wilt spreken in deze tijd en in onze situatie en met het oog op deze zaken dan zul je wel terdege moeten weten wat je doet.
En ik denk dat er dan ook op z'n minst een zelfde ernst en realisme en een zelfde bewogenheid bij ons aanwezig zal moeten zijn als bij degenen die met christen zijn en die voortdurend met die angst, die vrees op de achtergrond leven.
Hiermee kom ik tot mijn tweede opmerking.
Ik denk dat wij Christenen, de kerk in het algemeen, dat woord nog moeten leren spreken. Ik heb niet de indruk uit wat ik gehoord heb dat dit woord al gesproken is met die kracht, met die ernst en met dat bijbelse karakter zoals we dat bij de profeten in het Oude Testament vinden.
Soms krijg ik de indruk dat het besef wat er aan de hand is en de betrokkenheid bij wat er gebeurt, bij niet-christenen, althans enkele, sterker is dan bij christenen. Dat het authentieke, het diep ernstige bij hen sterker aanwezig is dan bij de christenen.
Alsof ze meer betrokken zijn bij wat er aan de hand is.
De vraag voor ons is dus hoe diep zit ons geloof, hoe diep is het in ons leven verworteld, hoe verweven is het er mee? Hoe diep is het luisteren naar de bijbel in ons dagelijks bestaan binnengedrongen, in ons denken, in ons aanvoelen van de dingen? Ik wil vanmiddag met u naar een paar bijbelgedeelten luisteren, niet dat ik daarmee dan het antwoord al geef, maar in de hoop dat het ons aan het denken en luisteren zet.
Het wordt vanmiddag dus eigenlijk geen lezing, ik zou over dit onderwerp ook geen lezing kunnen geven en ik denk ook dat het eerste wat we moeten doen is: midden in de situatie zoals die is, leren luisteren naar de bijbel zelf.
Nog een opmerking vooraf. Het gaat dus vanmiddag, althans in deze inleiding, niet over het voor of tegen van kernbewapening, daar zal ik vrijwel niets over zeggen. Het hangt er wel mee samen, maar ik denk dat het probleem breder is. Ik ben zelfs bang, dat de discussie onder christenen zich daar te veel op concentreert, of we tegen of voor kernbewapening moeten zijn. Dat is wel een belangrijke discussie, daar zal ik niets aan afdoen, maar ik denk dat wij als christenen, als kerk, aan onze eigenlijke roeping voorbijgaan wanneer we ons daarop vastbijten.
Het politieke kanaal is wel belangrijk, maar het is niet het enige. Ik denk zelfs, dat we dit bredere kader nodig hebben om als christenen een verantwoorde houding ten opzichte van de kernbewapening te kunnen innemen.
In de Sjaloom-vredeskrant, de alternatieve vredeskrant tegenover de vredeskrant van het I.K.V., is het vooral het interview met Schuurman, dat naar dit bredere kader verwijst.
We willen nu eerst letten op de profeten en daaruit leeen, Het gaat om de plaats van het oordeel. Ik lees het roepings-visioen in Jes. 6 en het roepings-visioen van Jeremia in Jeremia 1 waarna ik enkele opmerkingen zal maken.

Jesaja 6.

In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon. De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel. Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels: twee om het gelaat en twee om de voeten te bedekken, en twee om te vliegen. En ze riepen elkaar toe: Heilig, heilig, heilig is Jahwe van de hemelse machten; de hele wereld is zijn heerlijkheid.
De poort trilde op haar hengsels van het luide geroep en de tempel kwam vol rook!
Ik zei: Wee mij. Ik ben verloren!
Ik ben een mens met onreine lippen, ik woon onder een volk met onreine lippen en ik heb met eigen ogen de koning, Jahwe van de hemelse machten, gezien!
Maar één van de Serafs vloog op mij 'toe meteen gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen, hij raakte er mijn mond mee aan en sprak: Zie, nu hiermee uw lippen zijn aangeraakt, is uw zonde verdwenen, uw schuld vergeven.
Daarop hoorde ik de stem van de Heer: Wie zal itk zenden, wie zal gaan in onze naam?
Ik antwoordde: Hier ben ik, zend mij.
Toen zei hij: Ga dan en zeg tot dit volk: Luister!, maar ge zult het toch niet begrijpen, kijk maar scherp toe, gij zult het niet vatten.
Maak de geest van dit volk ondoordringbaar, maak zijn oren doof strijk zijn ogen dicht, opdat zijn ogen niet zien, zijn oren niet horen, zijn geest niet begrijpt, opdat het zich niet bekeert en geen genezing vindt.
Ik zei: Hoelang moet dat, Heer?
Hij antwoordde: Totdat de huizen verlaten worden, de steden in puin vanen, en het bouwland een wildernis is geworden, totdat Jahwe de mensen ver heeft weggevoerd, en het land één woestenij is.
Geen tiende blijft er over alles gaat in vuur: als een 'terebint of 'een eik geveld wordt, blijft alleen een stronk over!
- Uit die stronk ontspruit een heilig volk . . .

(Willibrord Vertaling).

Wat hier in de eerste plaats opvalt is het contrast lussen de heiligheid van Goden de zondigheid van de mens daar tegenover. Maar daar kom ik straks nog wel op terug.
Waar het me vooral om gaat is, wat Jesaja moet zeggen, waar hij als profeet mee naar Israël wordt gestuurd.
Dat ze niet zullen luisteren, dat 't oordeel eigenlijk onontkoombaar is. Nu denk ik niet, dat Jesaja alleen maar moet zeggen wat er dan gaat gebeuren alsof er geen oproep tot bekering in is meegegeven.
Wellicht zit er een stuk ironie in de wijze waarop God het zegt, Maar het geeft hem wel een negatieve verwachting mee. Jesaja, denk niet als jij tegen Israël zult zeggen "als jullie je niet zullen bekeren, dan gebeurt er dit en dat", dat ze dan naar je zullen luisteren. En toch zul je dat moeten zeggen. Het gaat gebeuren. Of je je bekeert of niet!
Veel effect blijkt het niet te hebben, toch wordt Jesaja met deze boodschap midden in Israël gezonden met in de eerste plaats het uitspreken van het oordeel.
Als je dat overzet naar vandaag, even tastenderwijs, dan zou dat kunnen betekenen, dat christenen moeten zeggen, niet: doe je uiterste best om een nucleaire oorlog te voorkomen, maar: hij zál er komen.
En dat is dan niet in de zin van, dat ligt definitief vast, want het hangt er wel van af of er een verandering komt in de mentaliteit van de mensen, maar wei ligt de nadruk er op dát het zál komen! En wals het voor Jesaja niet een prettige boodschap was om tegen de mensen te zeggen, Jeruzalem zal worden vernietigd, zo is het ook geen aantrekkelijke boodschap voor ons.
En Jesaja is daarin geen uitzondering, ik ga in de tweede plaats naar Jeremia 1.

Jeremia 1 vanaf vers 4.

Het woord van Jahwe kwam tot mij: Voordat ik u in de moederschoot vormde, koos ik u uit; voordat ge geboren werd, bestemde ik u voor mij; als profeet voor de volken heb ik U aangewezen.
Ik zei: Ach, Jahwe, mijn heer, ik kan niet spreken; ik ben veel te jong.
Maar Jahwe antwoordde: Zeg niet: Ik ben veel te jong!
N aar iedereen tot wie ik u zend, moet ge gaan en alles wat ik U opdraag, moet ge hun zeggen.
Wees niet bang voor hen, want ik ben bij u om u te redden - Godsspraak van Jahwe - Jahwe stak toen zijn hand uit, raakte mijn mond aan en Jahwe sprak tot mij: Ik leg hiermee mijn woorden in uw mond.
Ik stel u heden aan over volken en over koninkrijken, om ze uit te rukken en af te breken, om ze te vernielen en te verwoesten, om ze op te bouwen en te planten.
Het woord des Heren kwam tot mij: Wat ziet ge, Jeremia?
Ik antwoordde: Ik zie een amandeltak.
En Jahwe zei: Ge hebt goed gezien. Ik houd de wacht bij mijn woord en doe wat ik zeg.
Weer kwam het woord van Jahwe tot mij: Wat ziet ge? Ik antwoordde: Ik zie een kokende ketel kantelen vanuit het noorden.
En Jahwe zei: Van het noorden uit breken de rampen los over al de bewoners van het land.
Waarachtig, ik roep alle koningen van het noorden - godspraak van Jahwe - Zij komen en plaatsen hun troon vlak voor Jeruzalems poorten, onder de wallen die haar omringen en over de steden van Juda.
Dan vel ik mijn vonnis over hen vanwege hun misdaden: want mij hebben ze verlaten, offers gebracht aan andere goden, en zich gebogen voor hun maaksel.
Omgord uw lenden, sta op en zeg hen alles wat ik U opdraag.
Laat U door hen geen angst aanjagen; anders jaag ik u angst aan voor hen.
Ik maak heden van u een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land: de koningen en edelen van Juda, de priesters en de burgers.
Zij zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen.
Want ik ben bij U om u te redden - god spraak van Jahwe -

Waar het m.i. vooral om gaat is vers 10, en dat is opmerkelijk: "ik stel u heden aan over volkeren en koninkrijken, om ze uit te rukken en af te breken, om ze te vernielen en te verwoesten, om ze op te bouwen en te planten. Eerst 4 woorden die vernietiging aangeven, het oordeel, en dan 2 woorden over de opbouw van het nieuwe, dat komt, Als je de profeet Jeremia volgt dan is dat heel duidelijk aanwezig, en concreet betekent dat (Jeremia heeft dat zelf meegemaakt): de verovering en verwoesting van Jeruzalem en het land daarom heen. Dát was de boodschap waarmee Jeremia de stad in en de straat op gestuurd werd. Het is niet aantrekkelijk om daar naar te luisteren. Het is niet zó, dat wij daar vandaag pas moeite mee hebben, zodat je je er vanaf zou kunnen maken met te zeggen "ja dat was in die tijd, maar onze tijd is anders."
De mensen in die tijd hadden er óók moeite mee en ze luisterden daar ook liever niet naar, vandaar Jat dat oordeel ook zo sterk werd uitgesproken.
Ik noem een paar elementen die het ons vandaag moeilijk maken om dit te horen en er naar te luisteren, om niet op de zelfde manier te reageren als de mensen die destijds Jesaja aanhoorden. Hun oren zaten vol, zodat het niet echt tot hen doordrong, zodat ze het niet echt serieus namen.

a. Er heeft zich in onze cultuur een denkwijze ontwikkeld waarin eigenlijk heel simpel wordt gezegd, dat het mens-zijn zijn doel vindt in zelfontplooiing. Je moet je zelf kunnen verwezenlijken en daar is vrijheid voor nodig.
Je kunt denken aan allerlei emancipatie-
bewegingen op het ogenblik, daar gaat het om in het leven, dat je je zelf kunt ontplooien, dat je leven tot ontwikkeling komt, dat het tot bloei komt. Dat is een beweging die begint, je kunt zeggen in de 15e en 16e eeuw met de renaissance, met de nadruk op het menselijk leven en de mens die tot ontplooiing komt in zijn bestaan. Dat wordt voortgezet in de 18e eeuw met de verlichting, en in zekere zin !krijgt het in het denken in onze cultuur zijn hoogtepunt bij Feuerbach en Marx in de 1ge eeuw. Bij Feuerbach en Marx wordt het met zoveel woorden uitgesproken dat het het doel van de mens is om als een God erkend te worden. Wat vroeger werd gezien als eigenschappen van God, de macht van God, de absolute vrijheid van God, dat moet nu op de mens toegepast worden. Deze mens zal ook geen enkel gezag boven zich erkennen. Het gaat om de zelfontplooiing die haar hoogtepunt vindt in de idee van het goddelijk bestaan van de mens.
Nu is dat niet het enige in onze cultuur, en je kunt je afvragen of er nog veel mensen in geloven, ècht in geloven.
De beweging echter is zeker niet dood. Ik denk dat een deel ervan, in de moderne zin, is gedemocratiseerd of gepopulariseerd.

b. Er is ook een andere kant en dat is het denken dat alles wat er gebeurt vast ligt, gedetermineerd is, dat er eigenlijk helemaal geen menselijke vrijheid is, dat we in een proces zijn opgenomen waarin de menselijke beslissing helemaal geen rol speelt, dat het gedrag geheel verklaard kan worden uit oorzaak en gevolg. Simpel weg, ik ben me bewust dat het een simplificatie is: dat je het menselijke gedrag kunt bestuderen zoals je het gedrag van ratten in een laboratorium bestudeert.
Soms vinden we deze twee wijzen van denken gecombineerd.
Het is duidelijk dat in deze wijze van denken die heel diep doorgedrongen lis in de cultuur waartoe wij behoren, dat daar geen ruimte is voor God, laat staan ruimte voor een oordeel dat van God komt. Het is dan volstrekt ondenkbaar dat God op die manier met de mensen omgaat, omdat als er een God zóu zijn, Hij toch zou moeten fungeren ten dienste van de mens, in plaats dat de mens verantwoording schuldig zou zijn 'voor zijn leven tegenover God ...
Toch denk ik, dat als je serieus naar de profeten luistert,en naar het Nieuwe Testament, bijv. het boek Openbaring, dat we er niet aan ontkomen om dat element van het oordeel van God serieus te nemen, en dat op ons te laten inwerken, tot ons te laten doordringen ,niet om het maar gewoon toe te passen op vandaag alsof we alleen maar een soort tape-recorder zijn waarin het wordt opgenomen en via een vertaalsysteem dan overgezet naar vandaag, maar op de wijze waarop de profeten daarbij betrokken geweest zijn. Nu is het natuurlijk waar dat onze Westerse cultuur (ik denk aan West-Europa en Amerika) niet gelijk is aan Israël, dat God niet op dezelfde manier een Verbond heeft met onze Westerse cultuur, zoals Hij dat met Israël had, dat is stellig waar. Ik denk ook, dat we wat voorzichtig moeten zijn met de gedachte dat onze Westerse cultuur christelijk is. Aan de andere kant, als je het even bekijkt uit het perspectief van de bijbel zelf, van het Nieuwe Testament dat in deze westerse wereld nu al zeker zo'n 15 eeuwen hier gehoord is, dat God een nieuw begin wil maken met de mensen. Dat Hij het oordeel over zijn eigen zoon heeft laten gaan.
Dat Hij de mensen daarmee oproept om het léven te zoeken. En als je dan kijkt naar het resultaat, en wat er nu gaande is, ik denk dat je dan niet kunt zeggen dat onze westerse wereld minder de toom van God, z'n afkeer zal oproepen dan Israël destijds deed in de tijd van het Oude Testament.
Je zou dat kunnen uitwerken met het oog op de overmoed en de decadentie die je hoort als het tegenwoordig gaat over goed en kwaad, wanneer tegenwoordig over zedelijk leven wordt gesproken.
In Jesaja 1 en 2 wordt Israël vergeleken met Sodom en Gomorra.
Dat is nog al een hard woord voor Israël, maar ik denk dat wij, als westerse cultuur, er niet veel beter uitzien dan Sodom en Gomorra. Nou mag dat voor ons christenen dan niet zo'n vaart lopen, ik denk dat deze manier van leven, wat verzacht en wat geremd, toch ook z'n invloed onder ons doet gelden. We zullen daarvoor op z'n minst moeten oppassen. Het is de last van het burgerlijke levenspatroon, dat wij gehecht zijn aan bepaalde verworvenheden van onze cultuur, gericht op een stuk vervulling in ons werk, een stuk ruimte in het wonen, een stuk vervulling in ontspanning als vanzelfsprekendheden. Ik zeg niet dat dat allemaal slechte en negatieve dingen zijn, de burgerlijke cultuur is niet totaal slecht, maar ik denk dat het ons wel zal kunnen hinderen, dat het dingen zijn die zó tot ons bestaan zijn gaan behoren dat ook wij moeite hebben om open oren te hebben voor oordeel en wat dat zou gaan betekenen, Dat past niet in ons denkkader omdat dat andere als het ware tot fundament geworden is. Natuurlijk niet in ons geloof zoals we dat belijden, maar toch eigenlijk van: daar zitten we met ons leven aan vast, en als die dingen niet tot hun recht komen, dan voelen we ons ongelukkig, Soms denk ik dat wij, en daar sluit ik mijzelf bij in, dat we met een terecht accent op de liefde van God zoals de bijbel daarvan spreekt, tegelijk
deze liefde verzwakt hebben door de toorn van God met echt serieus te nemen, zoals de bijbel daar ook van spreekt. Ik meen dat de toorn van God een uiting is van zijn kwetsbaarheid. De toorn van God is niet zoiets van: ziehier: mensen doen dingen die ik verboden heb.
en nu word ik kwaad, maar het is de reactie van een God, die het leven van de mensen zoekt, en daar alles voor over heeft en dan daarin genegeerd wordt. Hoe kan het dan anders, dat je dan kwaad wordt, dat je dan geraakt bent. Een beetje een oneerbiedig beeld: als je een wild dier pijnlijk treft in zijn zwakke plek, wees dan bang voor z'n reacties.
En ik denk dat daarin iets zit van de ernst van God, zoals Hij met ons mensen wil omgaan. In dit verband nog een opmerking over Jeremia waaruit we zien hoe die twee dingen, de liefde van God en zijn room, bij elkaar behoren. Jeremia, nog sterker dan Jesaja, krijgt te horen dat hij vernietiging moet bewerken en dat bewerkt hij haast met zijn woord, sprekend in opdracht van God. Jeremia is daaraan kapot gegaan.
Het is opvallend als tegen Jeremia gezegd wordt dat het gaat om uitrukken, afbreken, vernielen en verwoesten en dan ook planten en op bouwen, dat dan tegen hem gezegd wordt dat hij van voor zijn geboorte door God uitverkoren is om dat te zeggen.
Als Jeremia gevormd wordt in het moederlichaam, dan is God al bezig hem klaar te maken om dit te zeggen.
Dat maakt duidelijk dat het karakter van Jeremia een heel belangrijke plaats inneemt in zijn functie als profeet en dat heeft iets verbazingwekkends, want Jeremia is niet degene die wij voor zulk werk uitgekozen zouden hebben.
Wij zouden eerder iemand zoeken met een wat harde persoonlijkheid, niet erg kwetsbaar. Maar als God tegen Juda en Jeruzalem, tegen de mensen daar zegt, dat de stad verwoest zal worden, dan kiest Hij iemand uit met een zachte persoonlijkheid, een erg gevoelig mens. Dat merk je ook als je de profeet Jeremia verder leest, hoe dit hem verscheurd heeft van binnen.
God zegt hier inderdaad dat Hij hem als een koperen muur zal maken, maar dat wil niet zeggen dat dat zijn karakter, zijn persoonlijkheid is. Zijn persoonlijkheid is zeer kwetsbaar.
Waarom is dit alles zo? Het zou wel kunnen zijn dat God met de persoon van Jeremia, met dit karakter, een beetje heeft willen duidelijk maken wat het ook Hem kost als Hij Jeruzalem gaat verwoesten.
Als Hij het oordeel uitspreekt dan toont Hij dat Hij niet ongevoelig is.
Daarvan laat Hij iets zien in deze profeet. Je vindt daarvan iets terug, heel sober, in hoofdstuk 36. Daar gaat het over Baruch, de secretaris van Jeremia. Baruch heeft al deze dingen moeten opschrijven en voorlezen, hij heeft moeten meemaken dat al deze profetiën van Jeremia werden voorgelezen bij de koning, dat de koning toen één voor één de gedeelten van de rol in het vuur wierp, zo van: het raakt mij helemaal niet. Als dan tooh de verwoesting van Jeruzalem komt dan kan Baruch dat niet meer aan en er komt een verwijt bij hem op. "Ik heb U toch trouw gediend", en dan zegt God tegen hem, "probeer je te realiseren wat ik aan het doen ben en wat het voor mij betekent, en wees dan tevreden met het behoud van je leven. Het is ermee als met een moeder die ziet dat het eigen leven door rampen totaal verwoest wordt zodat er niets overblijft en dat een kind dan tegen haar klaagt over het feit dat haar poppenhuis verbrand is met alles wat er toebehoort.
Wanneer een kind in zo'n situatie zegt dat haar pop verbrand is, dan is er ergens een wanverhouding.
God wil zeggen: realiseer je wat het voor mij betekent. Dat is iets wat niet veel in de bijbel voorkomt, maar het is zeker in de wijze waarop God zijn oordeel laat spreken aanwezig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief