Dit nu zijn de namen (Exodus 2) (6)

1981-03-13
  • Jaargang 25
  • nummer 10
N.N. - op één uitzondering na
"Dit nu zijn de namen ... " zo begint het boek Exodus. Des te opvallender is, dat in het kleine afgeronde geheel van Ex. 2 : 1-11 de enige die een naam draagt (of liever krijgt) Mozes is. Blijkbaar wil de verteller op hem het volle licht laten vallen.
In een commentaar lees ik: "de jeugdgeschiedenis van Mozes …, is een echt volksverhaal, dat voortkomt uit de behoefte, de obscure (duistere, onbekende, P.) jeugd van beroemde mannen in overeenstemming te brengen met hun latere grootheid" ... "zijn jeugd is pas belangrijk voor wie met zijn grote werk op de hoogte is."
Dat zou dan de reden zijn waarom alleen de naam Mozes in dit brokje geschiedenis oplicht. De behoefte om alsnog en achteraf Mozes mooier te maken dan hij is. Een gefantaseerde jeugd van de latere held, zoals later de kindsheidverhalen van Jezus in de apokryphe boeken van het Nieuwe Testament.
Aan "volksverhalen" heeft Gods volk echter niet de minste behoefte. Het gaat om heilsgeschiedenis. Daarvan worden de hoofdmomenten belicht. Bij de "opname" van Ex. 2: 1-11 vervagen (tijdelijk) de contouren van de overige personen tot "een" man, vrouw, zuster, dochter (van een ook al ongenoemde farao). Alleen de zoon staat in het volle lichtGods vinger wijst hem aan: Mozes. Uitgerekend deze Mozes is de enige die van al wat er gebeurt nog geen enkel besef heeft: een kind, een pasgeboren baby ...

Achter de schermen
Waar heilsgeschiedenis gemaakt wordt, is onheilsgeschiedenis nabij. Mozes is geboren in het licht van Gods belofte, maar in het tegenlicht van farao's flikkerend zwaard. Zo diep grijpt satan in, wanneer hij Gods beloften wil tegenstaan.
Hij telt de ellende der mensen uit, hij is on-menselijk.
Hij spaart niets of niemand. Zelfs voor kindermoord schrikt hij niet terug, noch in Egypte noch in Bethlehem.
Een mensenmoorder van den beginne (Joh. 8: 44). Overal waar Gods hand de mensengeschiedenis beroert, wordt ook de Boze actief en stijgt het gejammer der mensen ten hemel.
Wie de bijbel ter hand neemt, moet hem niet lezen in het platte vlak van menselijke (politieke, economische, militaire) geschiedenis, maar in de derde dimensie van Gods handelen en satans tegenstand.
Gods strategie in deze strijd is superieur. Weer zijn het vrouwen die farao's en daarmee satans plannen torpederen.
En dat met de meest simpele "wapens": een biezen kistje, bestreken met asfalt en pek, en zo waterdicht gemaakt. Een kunst, afgekeken van de Egyptenaren, die van biezen (papyrus-riet) boten maakten. "Het kan", lees ik ergens, "een in vrouwelijke list nagebootst kistje geweest zijn voor een afgodsbeeldje, omdat de Egyptenaren die kistjes wel op schepen van de ene stad naar de andere brachten bij gelegenheid van een processie." Ergens anders las ik eens, dat men ze ook wel gebruikte als doodkisten. 't Is allemaal moeilijk meer na te gaan."

Met open mond
Eén ding staat vast: de verteller gebruikt voor het kistje een woord in het hebreeuws, dat in de bijbel verder alleen nog maar wordt gebezigd voor de ark van Noach (Gen. 6 : 14 .v.). Een arkje dus. Of, in een commentaar, heel fijntjes: arke Noach's in miniatuur. De suggestie in het woordgebruik is m.i. duidelijk: zoals Noach met de zijnen behouden
bleven door de ark, zo Mozes door het biezen arkje.
De vindingrijkheid van Mozes' moeder is daarmee niet uitgeput.
Het arkje krijgt een plaats aan de oever van de Nijl in het riet: het wordt niet meegenomen door de stroom. En ze plaatst er een "uitkijk" bij - de tweede vrouw in deze episode, eigenlijk nog maar een meisje: "zijn zuster ging op enige afstand staan om te zien, wat er zou gebeuren." Een meisje houdt de wacht ... Terecht zegt een uitlegger: "Het geloof leidt niet tot verwaarlozing der middelen. Alles is tot in onderdelen geregeld."
Was de "ligplaats" van het arkje haar bekend als de plek waar farao's dochter gewoonlijk haar bad nam, afgeschermd door haar dienaressen? Hoe dat ook zij, het is wel de dochter van farao, die het arkje in het riet vindt en het door haar slavin laat halen. Afgezien van de "dienaressen" en de "slavin" (die waren er genoeg in Egypte ... ) nu de derde vrouw, die een rol gaat spelen in dit bedrijf. Zij reageert ook als een vrouw: "toen zij het open deed, zag zij het kind, en zie het jongetje schreide, zodat zij medelijden met hem kreeg ... " Het doet denken aan Ps. 8: "Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen". Kindergeschrei en medelijden van een vrouw zetten uiteindelijk de farao schaakmat.
Gods wapens zijn de eenvoud zelve.

Met wijd-open ogen
Intussen heeft farao's dochter geconcludeerd: "dit" is een Hebreeuws kind." Waaruit zij dit concludeerde wordt niet vermeld. Maar de kans is groot, dat het jongetje besneden was. God stelt zich vijandig tegen Mozes op wanneer deze zijn (tweede?) zoon niet heeft besneden (Ex. 4: 24-26).
Blijkbaar werd de besnijdenis door de Israëlieten in ere gehouden en was Mozes zelf ook besneden. In dat geval is het het teken van het verbond dat farao's dochter tot de herkenning van Mozes als een hebreeuws kind leidt.
Juist deze herkenning sluit het toeval uit. Met open ogen overtreedt ook zij “het bevel des konings.” De reactie van de prinses is voor Mozes’ zuster aanleiding genoeg, om met het aanbod te komen: “zal ik voor u uit de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan roepen, om het kind te zogen”? een voedster uit de hebreeuwse vrouwen: nu overtreedt farao’s dochter het bevel des konings met wijd-open ogen. Ze gaat er op in. En hier mag je zeker spreken van humor in de bijbel: “Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen. En de dochter van farao zei tot haar: Neem dit kind en zoog het voor mij, dan zal ik u het toekomende loon geven.” Voor het voeden van haar eigen zoon wordt de moeder betaald door farao’s dochter. Bovendien kan zij het kind nu veilig mee naar huis nemen: het bezit van deze zoon maakt haar niet meer staatsgevaarlijk.

Het kind moet een naam hebben
Maar Mozes – ongeweten des te meer. Want als het kind groot geworden is, gaat het naar het paleis van farao's dochter en wordt het officieel door haar geadopteerd. Stephanus vertelt het kort en goed zo: "en toen hij te vondeling was gelegd, nam de dochter van Farao hem aan en liet hem als haar eigen zoon opvoeden." Wat dat inhield verlelt hij er bij: "En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken" (Hand. 7: 21, 22 - vgl. 1 Kon. 4 : 30).
God heeft de handschoen opgenomen: Hij bindt de strijd aan tegen de machtige Farao.
Met kindergeschrei, vrouwenlist en vrouwelijk medelijden. En dat leidt er toe, dat Mozes op kosten van Egypte’s schatkist wordt toegerust voor zijn latere taak: Israëls leider. Hij wordt geschoold als een koningszoon: militair, economisch, juridisch, politiek – alle listen en alle kennis wordt hem bijgebracht. Op staatskosten wordt hij staatsgevaarlijk: hoe ondoorgrondelijk zijn Gods beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn zijn wegen (Rom. 11 : 33)!
Het kind moet een naam hebben: "en zij noemde hem Mozes, want zeide zij: ik heb hem uit het water getrokken."
Een dochter van farao legt een stukj e heilsgeschiedenis in een naam, die in de geschiedenis van Gods heil nooit meer vergeten zal raken!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief