FEMINISTE
1981-03-13
“Ik zal je nu een komische geschiedenis vertellen”, schreef Calvijn op 1 sept. 1546 aan Farel, die toen in Neuchâtel was. De hoofdrol in dat verhaal heeft Marie d’Ennetières, een vrouw uit de Nederlanden; Doornik aan de Schelde. Ze stamde uit een adellijke familie en had het klooster verlaten, waarover ze als abdis de scepter zwaaide. Ze schreef een boekje en droeg het op aan de koningin van Navarre, zuster van de Franse koning: “Hoewel het ons niet vergund is om in kerken te preken, zo is het schrijven ons toch niet verboden… Het Evangelie is tot dusver zo verborgen geweest, dat men (als vrouw) geen woord durfde te zeggen en het leek erop, dat vrouwen niets moesten lezen en verstaan van de Heilige Schrift. Ik hoop in God, dat vrouwen in het vervolg niet meer zo veracht zullen zijn”. De schrijfster zinspeelt waarschijnlijk op officieuze uitspraken, ook uit protestantse hoek, als deze bijvoorbeeld: “Het is onwaardig en niet te verdragen, dat de bijbel door onervarenen, ja zelfs door vrouwen wordt gelezen”.- Jaargang 25
- nummer 10
Marie trouwde naderhand met Antoine Froment, Geref. predikant in Genève en hierover horen we Calvijn: “Onlangs is de vrouw van Froment hier gekomen en in alle winkels en op de hoeken van alle straten is zij tekeer gegaan tegen onze toga’s. Ze beweert dat jij (Farel dus) een keer gepreekt hebt over de tekst: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die tot u komen zullen in lange gewaden. Ik heb die vrouw toen behoorlijk onder handen genomen. (Calvijn schrijft: behandeld zoals het behoorde). Zij is meteen naar de weduwe van Michel gegaan, die haar gastvrij ontvangen heeft, niet alleen aan haar tafel, maar ook in haar bed, al was het alleen maar, omdat ze iets ten nadele van de predikanten gezegd had.”
Een komische geschiedenis, schrijft Calvijn eerst, maar in diezelfde brief staat verderop: “De zaak staat mij dermate tegen, dat ik me er niet meer over uitlaat, totdat de Here zich ermee bemoeit. A.s. zondag is het avondmaal. Ik wilde dat ze het vieren konden, zonder dat ik erbij behoefde te zijn. Ik zou wel op handen en voeten naar Neuchâtel willen kruipen.”
De grote man in Genève was toch ook een echte man: het valt niet mee om toe te geven dat een vrouw recht van spreken heeft en het is extra moeilijk, als je weinig kunt inbrengen tegen wat ze zegt.
P.S. De stof voor dit stukje verzamelde ik uit F.L. Rutgers “Calvijns invloed op de reformatie in de Nederlanden”, onlangs opnieuw uitgegeven door De Tille, Leeuwarden, en uit de brieven van Calvijn, editie Schwarz, Neukirchen.