Dit nu zijn de namen (Ex.2) (8 - slot)

1981-03-27
  • Jaargang 25
  • nummer 12
Jong geleerd ...
Op een beslissend punt, in een critiek stadium lijdt satan een gevoelige nederlaag. Elke geloofsbeslissing betekent een nederlaag voor Gods tegenstander. Niet alleen Mozes' ouders namen zo'n beslissing, maar Mozes zelf ook (Hebr. 11). Mozes kiest tegen alle menselijke berekening in voor God - èn voor Gods volk. En die in daden vertolkte keuze brengt een enorm risico mee voor hem. Want hij krijgt Farao en heel Egypte tegen zich, met alle verwijten van ondankbaarheid bovendien.
Maar hij kiest voor God! Hij houdt het op God. Hij gelóóft.
Geloven is echter niet maar de een of andere teerhartige opwelling van medelijden, een soort humanistische medemenselijkheids-aandoening: per slot van rekening slaat hij een Egyptenaar dóód.
Geloof is geen psychologische eigenschap van meer of minder beschaafde lieden, die nog net niet het laatste restje menselijk gevoel 'hebben verloren. Geloven is in zee gaan, aan de slag gaan met Gods beloften - een zeker weten.
Dát wonder van geloven heeft God in het paleis van Farao' s dochter gewerkt dan wel in leven gehouden. En dat bij een jongen die in zijn prille jeugd - zeg vijf jaar oud - terecht kwam in die verblindende wereld van adembenemende rijkdom en wijsheid, én in de wereld van een andere religie. Of het ook belangrijk is, dat ouders hun kinderen meteen al Gods belofte bijbrengen!

Een echte schuldige
God triomfeert - en Mozes kiest vóór "de smaadheid van Christus" en tegen de schatten van Egypte. Niet dat die schatten en rijkdommen op zichzelf "zonde" betekenden.
Zonde is ten diepste: vrijwillig gescheiden leven van God en zijn volk. Mozes koos voor dat verachte, stinkende volkje van slaven en veehoeders. En dan gebeuren de dingen "vanzelf". Maar van het vervolg word je stil. Want áls hij .dan bij dat volk zich openlijk aansluit, dan móeten ze hem niet en jagen ze hem boosaardig weg.
Er was er maar één die verder kon vertellen, dat Mozes de Egyptenaar doodsloeg. Maar hij vond blijkbaar gretig gehoor - zij het geen "geloof'. Dat blijkt wanneer hij 'Opeen andere dag twee Hebreeuwse mannen aantrof, die met elkaar vochten. Hij zei tot de schuldige(!): waarom slaat gij uw naaste (neer)? Deze echter zei: wie heeft u tot overste en rechter over ons aangesteld? Denkt gij soms mij te doden, zoals gij de Egyptenaar gedood hebt?
Ja, zo kan dat gaan onder "broeders" (vs. 11). Moord en doodslag. Mozes is er getuige van en spreekt er de schuldige op aan (vs. 13).Hier wordt nu eens wèl gesproken van de schuldige - de bijbel kent het woord heus wel - maar dat geeft ons nog geen recht willekeurig en naar eigen maatstaf "schuldigen" aan te wijzen, Abraham bijv. of Lot, of ... Mozes.

Israëls schuld
De man die wèrkelijk schuldig was, verschuilt zich overigens achter de vraag naar Mozes' bevoegdheid. Een handigheidje dat later de Joden ook niet vreemd was, in Jezus' dagen (Mt. 21 : 23, vgl. ook Joh. 1 : 19 v.v.).
Stephanus leest er de Joden gevoelig de les mee. Inzake de tevoren neergeslagen Egyptenaar concludeert hij: "Hij (Mozes) meende, dat zijn broeders zouden inzien, dat God hun door zijn hand verlossing wilde zenden, maar zij zagen het niet in" (Hand. 7 : 25). En even verder na vermelding van o.a. de "broedertwist" oordeelt Stephanus: "Dezen Mozes, dien zij verloochend hadden door te zeggen: Wie heeft u tot overste en rechter aangesteld, heeft God als een
overste en bevrijder gezonden ... " (7: 35).
Stephanus ziet in de behandeling van Mozes zelfs een voorspel van hoe het de Christus verging. Hij spreekt zeer op aan met harde woorden: "Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen den Hei'ligen Geest, gelijk uw vaderen, zo ook gij." Mozes heet een (dé) profeet (vs. 37). Stephanus: "Wien van de profeten hebben , uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van den Rechtvaardige, van wien gij NU verraders en moordenaars geworden zijt ... " (vs. 51, 52). ' Zijn betoog doet denken aan Jes. 65: 1 v.v.: "te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten. Ik zei tot een volk dat mijn naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik. Den gansen dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is ... "

Uitvlucht
Is het niet ontstellend, dat Gods genade, ontferming en verlossing keer op keer dreigen stuk te lopen op het ongeloof van zijn eigen volk? Dat het zijn eigen volk is dat den Messias tenslotte kruisigt? Ze meenden den Messias evenmin nodig te hebben als Mozes. De schuldige (Ex. 2 : 13) belijdt geen schuld maar weert Mozes af met de vraag naar diens bevoegdheid en met de insinuatie of Mozes soms van plan is hèm te doden zoals hij de Egyptenaar gedood had. Deze Mozes, die meende dat zijn broeders zouden inzien, dat God hun door zijn hand verlossing wilde geven ... Maar ze zagen het niet in. Integendeel: hun houding deed hem het ergste vrezen: "daarop werd Mozes bevreesd, want hij dacht: voorwaar de zaak is bekend geworden." Zijn vrees was niet ongegrond: "toen Farao van deze zaak hoorde (door wiens toedoen?), trachtte hij Mozes te doden ... "
Door wiens toedoen kan Farao van de zaak gehoord hebben anders dan door Mozes' broeders? Er waren toch geen andere getuigen bij toen hij de Egyptenaar neersloeg (2 : 12)? Wie een schuldige wil aanwijzen, weet nu waar hij zoeken moet: niet Mozes ...

Vlucht - geen uitvlucht
Mozes rest niet anders dan het vege lijf te redden: hij vluchtte voor Farao (noodgedwongen) en zocht verblijf in het land Midian (ver weg).
En opnieuw staan de moralisten en keurmeesters van het geloof met hun oordeel klaar: helemaal mis met Mozes.
Hoor maar: "toen Mozes naar Midian ging, was er niet sprake van een geloofsdaad, maar van een vlucht; Mozes is bevreesd ... " (Grosheide). Een ander: "want deze (vlucht) geschiedde uit vrees en getuigde niet van geloofsmoed"
(Keulers). En dat in beide gevallen als commentaar bij Hebr. 11: "door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten" (vs. 27). Dat kan, zeggen beide, niet slaan op de vlucht naar Midian want "vrees" is onverenigbaar met "geloof". Een vreemd argument: mag wie gelooft niet de nodige maatregelen nemen en de nodige voorzorg betrachten?
Wat bleef Mozes verder over dan te vluchten? Gispen is o.i. terecht van oordeel: "Deze vlucht kan worden opgevat als geloofsdaad (wat o.i.
in Hebr. 11:27 geschiedt), als men in aanmerking neemt, dat Mozes geen poging doet, om de zaak in orde te maken en zich weer met den koning te verzoenen" (in K.V. op Exodus).
Volkomen terecht. Wat zou het voor Mozes gemakkelijk geweest zijn, aan Farao een valse verklaring te geven en zo zijn (geloofs)daad te verloochenen?
Het was zijn woord tegenover dat van de enige getuige! Maar dan had hij zich wel openlijk moeten distanciëren van zijn volk, zijn broeders ...
Mozes handhaaft zijn keus: hij blijft weigeren door te gaan voor een zoon van Farao's dochter. En dus vlucht hij. Naar Midian. Waar God hem een plaats bereidt, die hij op wonderlijke wijze vindt bij Rehuél (Jethro). Een wijze die heel duidelijk herinnert aan Jacobs onderdak vinden bij Laban. Mozes vindt een huis. Een vrouw. Hij trouwt en ontvangt een zoon. In de naamgeving belijdt hij nog zijn geloof: Gersons - want, zei hij, ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land ... Wezenlijke solidariteit!
Ja, maar voor Israël is de klok der verlossing weer veertig jaar teruggezet ...

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief