Doop en besnijdenis (1)
1981-04-03
In de geschiedenis van de kerk duikt telkens weer de vraag op, of het wel juist is, dat aan de kinderen der gelovigen de doop wordt bediend als teken en zegel van Gods verbond.- Jaargang 25
- nummer 13
De laatste jaren wordt deze vraag opnieuw gesteld. Verschillende schrijvers pogen haar te beantwoorden, en beginnen dan hun antwoord met een beschrijving van de aktualiteit van hun onderwerp. Prof. Graafland doet het in zijn in 1979 verschenen boekje "Volwassendoop-kinderdoop-herdoop-een bijbelse verkenning"; zo ook ds C. v. d. Wal, die in hetzelfde jaar bij Kok liet verschijnen het boekje "Zal men ook de jonge kinderen dopen?".
Een van de belangrijkste punten in de discussie over de kinderdoop is de vraag, of werkelijk gezegd mag worden, zoals het formulier van de Gereformeerde Kerken dat doet, dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is. Als dat niet het geval zou zijn, kan aan het voorschrift dat de HEERE aan Abraham en Israël gaf dat op de achtste dag alle manlijke nakomelingen besneden moesten worden, geen grond worden ontleend voor de bediening van de doop aan de kinderen der gelovigen.
Een enkele keer wordt de verwijzing naar de besnijdenis als argument voor de kinderdoop beantwoord met de vraag: "en de meisjes dan? Die werden vroeger niet besneden, nu wel gedoopt. Kan dan de doop i.i de plaats van de besnijdenis gekomen zijn?". Als tegenargument lijkt die opmerking mij nogal kortzichtig. Uiteraard waren de meisjes in Israël evenzeer als de jongens begrepen in het verbond van de HERE met Abraham en zijn nageslacht. Dat verbond was niet beperkt tot het manlijk deel van dat nageslacht; ook de vrouwen en meisjes leefden onder de beloften en zegeningen van de HERE. De lijn van het verbond liep via de mannen als de (toekomstige) gezinshoofden.
In hen werd hun hele gezin begrepen in Gods verbond.
Daarom komt het tegenargument dat meisjes niet besneden werden, mij kortzichtig voor. De visie van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is breder. Die zegt in art. 34:
"Wij geloven dat men de kinderen der gelovigen behoort te dopen en met het merkteken des verbonds te verzegelen gelijk de kinderkens in Israël besneden werden, op dezelfde beloften die onze kinderen gedaan zijn. En voorwaar, Christus heeft Zijn bloed niet minder vergoten om de kinderen der gelovigen te wassen dan Hij gedaan heeft om de volwassenen. En daarom behoren zij het teken te ontvangen en het sacrament van hetgeen dat Christus voor hen gedaan heeft; gelijk de Here in de wet beval hun mede te delen het sacrament van het lijden en sterven van Christus, kort nadat zij geboren waren, offerend voor hen een lammeke, hetwelk was een sacrament van Jezus Christus. Daarenboven, hetgeen de besnijdenis deed aan het Joodse volk, hetzelfde doet de doop aan onze kinderen, welke de oorzaak is waarom de H. Paulus de doop noemt de besnijdenis van Christus".
De belijdenis let niet alleen ophet teken van de besnijdenis, zij brengt ook andere manieren onder de aandacht, waarop de HEERE aan de kinderen van Zijn volk het heil beloofde, Men kan hiermee het spreken over het avondmaal vergelijken; daarin zien we de bezegeling van Christus' offer voor ons, niet alleen als vervulling van het oudtestamentische Pascha, maar van àlle offers die in de oude bedeling werden gebracht. Men kan m.i. met gelijk recht zeggen, dat onze avondmaalsviering komt in de plaats van de Grote Verzoendag, als beweren dat ze in plaats kwam van het Pascha. Zo moet bij het spreken over doop en besnijdenis ook niet alleen gekeken worden naar het ene moment van toediening van het sacrament, maar moet gelet worden op de betekenis van het verbond van de HERE en op Zijn beloften.
De beloften, die de HERE aan Abraham meegaf, hielden in: een talrijk nageslacht, bezit van het land Kanaän, en een zegen voor alle geslachten van de aardbodem (Gen. 12 : 1-3, 15 : 5, 17; 17 : 4-8). In gesprekken over de kinderdoop is mij ook deze inhoud van de beloften als tegenargument voorgehouden: de zegen voor alle volken is immers gekomen, en de belofte van het land Kanaän geldt toch niet voor ons? Ook bij dit tegenargument treft me weer een zekere kortzichtigheid. In Gen. 17: 7 zien we, dat de zegen die de HERE aan Abraham geeft, hierin bestaat dat Hij voor hem en zijn nageslacht een God wil wezen. De HERE legt een relatie tussen Zichzelf en Abrahams nageslacht.
De besnijdenis bezegelt die relatie. Daarom noemt de HERE dit teken ook: het verbond in vs 13 (zo zal Mijn verbond in Uw vlees zijn) en in vs 14(de man die nalatig is, heeft Mijn verbond verbroken). De besnijdenis heeft duidelijk dit karakter: ze bevestigt de relatie.
(wordt vervolgd)