De mondige gemeente (1)
1981-04-03
Een algemeen aanvaard gegeven- Jaargang 25
- nummer 13
De gemeente van Jezus Christus is een mondige gemeente, dat wordt vandaag door praktisch niemand betwijfeld. Misschien was dit vroeger ook wel het geval, maar dan meer in theoretisch dan in praktisch opzicht. In elk geval hadden in de visie van de kerkleden de kerkeraden een zwaar gewicht. Zij beslisten in voorkomende gevallen en op het gevoelen van de gemeenten werd minder acht geslagen. In bijzondere gevallen werden zij geraadpleegd, maar dan moesten het ook wel bizondere gevallen zijn. Zo'n geval wat bijvoorbeeld de vereniging tussen de Afgescheiden en de Dolerende Kerken in het laatst van de vorige eeuw. Of die raadpleging overal heeft plaats gevonden zou ik niet durven zeggen, maar dit is zeker op verschillende plaatsen het geval geweest. Hoewel, één van de bezwaren van hen, die niet meegingen en zich constitueerden als Christelijke Gereformeerde Kerken, toen nog maar een kleine groep, was dat de gemeenten niet (voldoende) waren gehoord. Dat de vereniging buiten de gemeenten om gegaan is, echter stellig niet het geval.
Ook in de pers, die toen gretig werd gelezen, werd aan de onderhandelingen tussen beide groeperingen ruime aandacht besteed.
Daarnaast werden ook toen de gemeenten geraadpleegd bij het beroepen van een dominee en ingeschakeld bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen. En natuurlijk, wanneer er geld moest komen voor kerkbouw of tekorten moesten weggewerkt, werd ook de gemeente in vergadering bijeen geroepen.
Vaak ook ter bespreking van de rekening van het afgelopen jaar en de begroting van het nieuwe. In elk geval werden beide ter inzage gelegd.
Maar daarmee hebben we vermoedelijk wel het voornaamste genoemd.
We kunnen niet zeggen dat de gemeentevergaderingen een integrerend en belangrijk onderdeel van het kerkelijke leven waren, hoewel theoretisch een bepaalde mondigheid van de gemeente werd erkend, Onder een andere titel heeft Rutgers er in 1906 een niet onbelangrijke rectorale oratie aan gewijd ter gelegenheid van de rectoraatsoverdracht aan de Vrije Universiteit.
Dat is tegenwoordig wel anders.
In de meeste kerken worden verschillende gemeentevergaderingen gehouden, waar dan allerlei onderwerpen ter sprake komen en heus niet alleen die betrekking hebben op de financiën of de verkiezing van ambtsdragers en het beroepen van een predikant. Zaken als het nieuwe accoord van samenleving der kerken, de vrouw in het ambt, de gang van zaken op het zendingsveld en dergelijke vormen regelmatig onderdeel van het agendum.
Want we hebben te maken met de mondige gemeente. En we weten allemaal wel zo ongeveer wat we daarmee bedoelen. De kerkeraad kan niet vanuit een ivoren toren beslissingen nemen, die het kerkelijke leven raken. Hij moet met de gemeente in overleg treden. De beslissingen moeten genomen worden in overleg met de gemeente of ook: de beslissingen vallen in overleg tussen beide.
Maar als we doorvragen wordt het toch een beetje moeilijk.
Want wie beslist nu eigenlijk, de kerkeraad of de gemeente? Of beslist de kerkeraad alleen formeel, na de wil van de gemeente gehoord te hebben? En is hij dus als het er op aankomt alleen maar het orgaan van de gemeente, dat haar beslissingen formuleert en uitvoert? Ligt dus aan de zijde van de gemeente het eigenlijke gezag? En hoe, als er in de gemeente geen eenstemmigheid is? Valt de beslissing dan aan de meerderheid toe? Want het is wel mooi gezegd, dat je dan de zaak moet doorpraten, maar ook in de kerk moet je wel doorpraten tot de jongste dag wil je in alle gevallen eenstemmigheid van gevoelen krijgen!
De kwestie van de mondigheid van de gemeente ligt toch niet zo simpel ais je op het eerste gezicht zou denken.
Niet alleen in de kerk
Het wordt misschien nog wel gecompliceerder, doordat niet slechts in de kerk van mondigheid sprake is, maar ook daarbuiten. De mondigheid van de mens is een algemeen gegeven in onze huidige cultuur.
Ook in politiek en maatschappelijk opzicht doet het woord 'mondigheid' opgeld. Dat stamt in feite al uit de achttiende eeuw, de eeuw van de zogenaamde 'Verlichting'.
Dat was de tijd waarin aan het menselijk verstand een ereplaats toegekend werd onder alle menselijke vermogens. Dit verstand, de menselijke rede werd in staat geacht alle geheimen van leven en wereld te kunnen ontraadselen en alle donkerheid op te klaren. Verlichting! De grote wijsgeer Kant (1724-1804) typeert deze Verlichting als het uitgaan van de mens uh een onmondigheid, waarvan hij zelf de schuld draagt. Die schuld is deze dat hij zich niet' van zijn eigen verstand bediende, maar zich door een ander liet leiden. En de mondigheid bestaat dan in het zich zonder leiding van een ander van eigen verstand bedienen. Het klinkt misschien wat ingewikkeld, maar de zaak kan todh duidelijk zijn. Het menselijke verstand moet zich door niets de wet laten stellen, maar vertrouwen op eigen inzicht en kunnen.
Wie dat beseft en in praktijk brengt is mondig. De mens, die zich in de Middeleeuwen liet leiden door de kerk en aan het handje van de priesters liep en dacht en deed wat deze hem voorschreef, gedroeg zich als een onmondige, als een kind!
In onze eeuwen vooral na de tweede wereldoorlog is deze mondigheid versterkt op de voorgrond getreden.
Zij vormt een beheersend deel van het geloof van de moderne mens. Dat wil niet zeggen, dat de huidige mondigheid even sterk als die van de 18de eeuw haar wortels heeft in het rationalisme, met zijn roemen in het verstand. Die wortels liggen nu meer in de idee van de vrije menselijke persoonlijkheid als geheel. Maar als zodanig laat zij zich geducht gelden. Heel de roep om democratisering is er het bewijs van. Er is begeerte naar inspraak ook op terreinen, waarop deskundigen slechts voorzichtig spreken. De enquête-woede van onze tijd is er ook een bewijs van. En de vele protestbetogingen. Nee, we laten ons niet kisten! In die wereld van vandaag staat ook de kerk met haar belijdenis van de mondigheid van de gemeente. Maar daarom temeer is het zaak hier niet in vaagheid te 'blijven denken en spreken, maar zo duidelijk als mogelijk is de aard van deze mondigheid in het oog te vatten om enig antwoord te kunnen geven op de vragen die zij oproept en waarvan ik een enkele reeds even aanstipte.
Dat wij daarbij ons licht zoeken op te steken bij de Bijbel spreekt voor ons als christenen vanzelf.
Het heilshistorische aspect
Het woord 'mondig' of ook 'mondigheid' komt in het Nieuwe Testament niet letterlijk voor, tenminste niet in de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, evenmin trouwens als in de Oude Staten-Vertaling, maar de zaak zelf wel terdege en dat in tegenstelling met 'onmondig', welke uitdrukking de Nieuwe Vertaling wèl heeft. Ik denk hier allereerst aan Gal. 4: 1-3.
Ik schrijf dit vers voor het gemak van de lezers even over. Paulus zegt daar: Ik bedoel dit, zolang de erfgenaam onmondig is verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van alles, maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader tevoren bepaald was. Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. De Staten-Vertaling - ik zeg dit voor de volledigheid er even bij - heeft hier niet de woorden 'onmondig' en 'onmondigen' , maar 'kind' en "kinderen'.
De bedoeling is echter duidelijk: het gaat hier om het kind dat nog niet mondig is en dat in de juridische zin van het woord: het kan nog niet na de dood van zijn vader beschikken over zijn eigendom. Het is nog niet meerderjarig, zouden we vandaag zeggen. Daarom staat het nog onder voogdij. De Hellenistische wereld van Paulus kende deze figuur. De voogd was dan de door de vader aangestelde slaaf. Maar zo'n kind bleef niet altijd 'kind', onmondig. Het bleef niet altijd onder toezicht staan van de door de vader aangestelde voogden en verzorgers, maar slechts tot een door de vader in zijn testament bepaald tijdstip; tot het zo en zo oud was geworden. Dat tijdstip bepaalde de duur van de onmondigheid.
En daarmee vergelijkt nu Paulus de situatie van de gelovigen onder het Oude en Nieuwe Verbond. In de tijd van het Oude waren de gelovigen in de staat van onmondigheid, die in de tijd van het Nieuwe Testament, toen de volheid des tijds gekomen was, vers 4, is opgehouden.
Daarom schreef ik boven dit stukje: Het heilshistorisch aspect van de mondigheid. Want deze mondigheid hangt samen met de heilshistorie, met het punt van de heilsgeschiedenis, waarop zich de gelovigen bevinden.
Onder de bedeling van het Oude Verbond: ONmondigheid; onder die van het Nieuwe Verbond: MONdigheid.
Maar waarin bestond die onmondigheid nu in de 'oude tijd'? De gelovige was toen onderworpen aan de wet van Mozes met al haar voorschriften en bepa1ingen over besnijdenis en offers en godsdienstige plechtigheden. en wat niet al. We moeten van die wet van Mozes geen kwaad spreken, ook al waren haar inzettingen wel erg veel, zoveel dat Petrus op een 'gemeentevergadering' in Jeruzalem zegt dat zij een juk vormden dat, noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen"!
Toch was die wet goed. Goed en vol heil. Want zij leidde tot Christus, net zoals de slaaf in Hellas het onmondige kind leidde op de goede weg en weerhield van allerlei kwaad. Want al die offers en plechtigheden, waren toch een 'schaduw' van Christus die komen zou, een voor het geloof duidelijke profetie van Hem, 3 : 24. Zeg dus van de wet geen kwaad, maar zij verplichtte de gelovigen van het Oude Verbond wèl tot allerlei handelingen en werkzaamheden, die toch iets anders waren dan het vrije en blijde directe geloof in Christus.
Dat geloof was nog omzwachteld, door allerlei banden omgeven. De erfgenaam was nog een kind. En toen al die verplichtingen ook nog van Christus werden losgemaakt en op zichzèlf werden gesteld als een soort menselijke prestaties en verdiensten, toen werd het allemaal heel erg zwaar en toen ging het ook de verkeerde kant op, zoals dat met het Jodendom voor Christus het geval is geworden.
Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden krijgen. Van VOLWASSEN kinderen, wil Paulus dus zeggen, 4 en 5. En wat houdt dit nu in?
Het negatieve aspect was de bevrijding van de wet van Mozes, maar wat is nu de positieve kant van deze mondigheid? Ik zou die willen omschrijven als de directe toegang tot God, de volle vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Hebr. 10: 19 v.v. Het vrijmoedig en blijde roepen: Abba, Vader en dat door de werking van de Heilige Geest, Gal. 4: 6 en 7. Zonen, volwassen kinderen hebben toch de directe toegang tot de Vader! Ze hebben daarvoor niet als in de Oudtestamentische tijd de priesters en de tabernakel of de tempel nodig, een veelheid van offers en heiligingen naar het vlees.
In deze mondigheid delen nu alle gelovigen, vrijen en slaven, mannen en vrouwen, Grieken en Joden, geleerden en ongeleerden, want gij zijt àllen zonen van God door het geloof in Ohristus Jezus, zegt Paulus in 3: 26. De Roomse kerk heeft hiervan het eigenlijke niet begrepen.
Zij met in de 'clerus' het eigenlijke van de kerk gelegen, zoals deze in haar zichtbaar bestand is geconstitueerd.
Volgens Roomse idee vindt de kerk haar concentratie in de Paus en zijn priesters. Maar de Reformatie heeft van deze onderscheiding tussen 'clerus' en 'leken' niet willen weten. Daarvoor had zij een te diep inzicht ontvangen in de heilshistorische plaats van de gelovigen in het Nieuwe Testament.
Gij zijt allen zonen Gods door het geloof in Christus Jezus. Daarom stelde zij: Waar de gelovigen zijn daar is de kerk. Met name geldt dit de Calvinistische tak van de grote Reformatie. Bij de Roomsen en Luthersen waren de gemeenteleden slechts object van de (zie1s)zorg van de ambtsdragers. Bij de overgang van Rome naar de Reformatie werd ook van deze láátsten slechts het aannemen van de Reformatorische belijdenis gevraagd. Calvijn was het daar niet mee eens. Hij heeft gezegd van het tot het de Reformatie overgegane Genève, zoals hij dat bij zijn eerste aankomst aantrof: Er was bijna niets. Men preekte en dat was vervolgens alles. (il n'y avoit quasi comme rien. On preschoit et puis s'est tout.) Daarom vroeg hij om een geloofsbelijdenis van alle burgers om te doen weten dat men het koninkrijk van de paus had vaarwel gezegd en wilde behoren tot dat van Christus. Daarachter lag het besef dat de kerk gevormd wordt door de leden, niet slechts door de voorgangers. Gij zijt àllen zonen Gods door het geloof. Misschien verstaan we zo iets beter de betekenis, die de Gereformeerde Kerken altijd aan de openbare belijdenis van het geloof hebben gehecht.
Daardoor komt de constituering van de kerk door haar leden als vrije zonen Gods zichtbaar tot stand. Niet als een daad van puur menselijke aandrift, want achter het geloof ligt de werking van God en van zijn Geest. Door die Geest roepen we: Abba, Vader.
Het is een teken van misverstand, wanneer sommigen vandaag met een beroep op de mondigheid en vrijheid gaan tornen aan deze openbare belijdenis van het geloof!