Dichters over hun ouders (3)

1981-04-03
  • Jaargang 25
  • nummer 13
Deze week willen we luisteren naar wat de dichter J. C. Bloem over zijn ouders, in gedichten, heeft weergegeven. Deze, erg bekende, poëet werd op 10 mei 1887 in Oudshoorn geboren, waar zijn vader, die van een patriciërsfamilie afstamde, burgemeester was.
Hij kreeg een zeer verzorgde opvoeding. Na zijn lagere schooltijd ging hij rechten studeren. In 1928 werd Bloem griffier van het kantongerecht in de Lemmer, later ambtenaar bij het departement voor sociale zaken in Den Haag.
Hij was in 1927 getrouwd met de schrijfster Clara Eggink, uit welk huwelijk een zoon is geboren. In 1932, ze waren dus nauwelijks 5 jaar gehuwd, ging het echtpaar uiteen. Niet bepaald boos op elkaar, maar 't ging niet samen.
Clara Eggink is daarna nog enkele malen gehuwd en gescheiden, maar Bloem niet. Aan 't eind van zijn leven is hij door Clara Eggink nog heel goed verzorgd. Ook heeft zij een boekje geschreven, met als tite1: Leven met J. C. Bloem. Daarin leer je de dichter kennen als een in wezen eenzaam mens. Dat blijkt trouwens ook uit zijn gedichten. Hij heeft geen enkele hoop in deze wereld. Geloof is hem totaal vreemd. Als hij zich eens gelukkig voelt, noemt hij dat "domweg gelukkig". Die woorden beeindigen het meest aangehaalde gedicht van hem, dat ik eerst maar even doorgeef.

De Dapperstraat
Natuur is voor tevreden en of legen.
En dan: Wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.
Dit heb ik bij mijzelve overdacht,

Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Ja, wat is gelukkig zijn? 't Kan inderdaad dat iemand meer houdt van de straten in de stad dan van de lanen in de vrije natuur. En dat het je een prettig gevoel bezorgt in een eenvoudige straat te lopen. Domweg gelukkig.
En dat nog wel in de Dapperstraat.
Maar nu dan deze dichter over zijn ouders.

Aan mijn ouders
Als eens dit lichaam zal verkouden,
De vlucht der dromen strijkt terneer ...
Ik heb zoveel van U gehouden.
En dan niet meer?

Blijven die kleine, aldaagse zonden
Van Iiefdloosheid en euvlen moed,
Die even langs het hart heen wonden.
Dan ongeboet?

Of zult gij later, neergezeten
In 't wassen van een schemering,
Bij het herdenken zéker weten
Hoe 'k aan U hing?

Zal er, wanneer dit donker leven
Mij niet meer smet met daad en woord,
Iets eeuwigs over zijn gebleven,
Dat U behoort?

Iets dat het graf niet kan verzwijgen,
Een snik van liefde en van berouw,
Die stijgt, wanneer de sterren stijgen
En de avonddauw?

Dit gedicht is één grote vraag. Wat gebeurt er na mijn dood? Zal ik dan nog van U houden, vader en moeder? Moet ik dan nog weer boete doen voor mijn alledaagse zonden? Zal er van mijn leven iets overblijven voor U, al was het alleen maar dit, dat U mijn grote liefde voor U zou kennen?
't Is alles één vraag, één stuk onzekerheid, Bloem heeft nog een gedicht geschreven met dezelfde titel. Ik laat dat nu volgen.

Aan mijn ouders
Wat is er van mijn dagen mij gebleven,
En van hun gloed en 't rusteloos gedruis
Der wereld om mijn nutteloze streven?
Alleen één zekerheid: het ouderhuis.

Maar dat blijft onaantastbaar en volkomen
Van liefde en leed en bittre tederheid;
Tussen de wilde warreling der dromen
Het enige, dat ik voorgoed belijd.

Dit maakt het, dat ik nergens meer kan rusten
Dan in de koelte van het eigen bed;
Dat aan het eind van alle leed en lusten
Mij niets dan dit meer tot het leven redt.

De stilte spoelt en ebt door de portalen
De diepe nacht wordt zilveren en zwart;
En 'k lig te luisteren, hoe het ademhalen
Van de beminden aanstroomt aan mijn hart.

En wens slechts, nu de dag mij is vergleden,
En zijn verneedring van mij henen glijdt,
Dat ik mijn nooit-gesproken tederheden
Aan 't ruisend hart des donkren nachts belijd.

De dichter heeft in zijn onrust nog maar één zekerheid, het ouderhuis.
Hoe ontzettend arm is dat. Geen enkele zekerheid dan een reeds verdwenen ouderhuis. En daar blijft hij hardnekkig aan vasthouden. Het is het enige dat hij voorgoed belijdt. Maar rust vindt hij met meer. En 't wordt ook erg stil om hem heen. De enige aan wie hij z'n tederheden kwijt kan is de nacht. Wat hebben toch veel mensen een verdriet dat nergens kan worden weggenomen dan alleen in Gods nabijheid. Alleen door Zijn genade. Bloem wat een mens met rijke gaven, en toch arm. De rijkdom, die het geloof in Christus een mensenkind schenkt, miste hij.
Een volgende keer D.V. laten we René de Clerq aan 't woord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief