Oneigenlijke landbewoners
1981-04-03
De redactie ontving onderstaande brief, die om plaatsing vroeg. In dit geval is tegen plaatsing geen bezwaar - maar ik wil wel enig naschrift geven.- Jaargang 25
- nummer 13
De redactie van Opbouw heeft naar onze mening de lezers geen dienst bewezen met het afdrukken van de bijdrage van D. W. L. Milo over "Emigratie". We doelen daarbij vooral op het op één na laatste gedeelte over "oneigenlijke landbewoners".
Als een blad als Opbouw aandacht geeft aan maatschappelijke verschijnselen, verwachten we een kritische benadering daarvan. We verwachten dat in de bijdragen de schijnwerper van het Evangelie wordt gezet op toestanden en ideologieën die het licht niet kunnen verdragen. Dat kwalijke vooroordelen nog eens worden aangewakkerd verwachten we niet, vooral niet als dat gaat ten koste van kwetsbare groepen.
Wat lezen we? "In het eigen land neemt het aantal oneigenlijke landbewoners angstwekkend toe". Wie zijn dan de EIGENLIJKE landbewoners? Degenen die hier geboren zijn? Dus b.v. ook de tweede generatie Turken, Marokkanen en Surinamers? Maar blijkens het vervolg van het artikel bedoelt de auteur dit niet: bij onze dochters en kleindochters wordt het pas echt zorgelijk. Het gaat dus bij eigenlijke landbewoners om mensen die door BLOED EN BODEM in ons vaderland geworteld zijn - waar hebben we zoiets ook al eens eerder gehoord?
Moest dat nu werkelijk, dat gehate en onbruikbare begrip "ras" nog weer van stal halen? (Onbruikbaar, want wetenschappelijk gezien - heeft men met dit begrip geen been om op te staan). Moest dat nu echt, het racisme aanwakkeren, dat onechte kind van westers "christelijk" superioriteitsbesef en darwinisme? Moest dat nu echt, minderheidsgroepen in onze samenleving beledigen - overigens een strafbaar feit? Hebben we dan, juist als kerken, niets geleerd van de jaren dertig en veertig? Zijn we er dan blind voor, dat dezelfde toestanden terug dreigen te komen: economische malaise, een algemeen gevoel van onbehagen, er wordt een zondebok gezocht, en die is ook niet moeilijk te vinden: toen de Joden, nu de gastarbeiders, de Surinamers en andere "oneigenlijke landbewoners", Men voelt zich niet meer veilig: "je kunt je dochter en je kleindochter straks niet meer veilig over straat laten gaan, en wie weet waarmee ze nog eens thuis komen", enz. enz. (We nemen aan dat Milo dit niet zo heeft bedoeld, maar zijn woorden zijn wel voor misverstand vatbaar).
En passant willen we ook nog even wijzen op een absurde inconsequentheid: bij EMIGRATIE - volgens Milo - verdwijnt het meest ondernemende deel van de bevolking. Dan mogen we dus bij IMMIGRATIE de donorlanden - Turkije, Marokko, Suriname - dankbaar zijn, dat zij aan ánsde bloem van hun natie afstaan.
Van de redactie van Opbouw hadden we een opbouwend artikel verwacht over de opvang van de vreemdeling in onze poort, b.v. over de problemen op school met de kinderen van de immigranten, over acculturatie, over groeiende intolerantie enz. We hopen maar dat dit een incidentele uitglijder is geweest (al vervult de plaatsing van een advertentie van de Stichting Herstel Kulturele Betrekkingen Nederland-Zuid Afrika ons met bange vermoedens), en zien met spanning een volgend artikel over dit onderwerp tegemoet.
Nel en Koen Goudriaan
Ik heb de indruk dat mijn besproken artikel over emigratie wel aanvaard werd; maar dat alleen het voorlaatste deel, over "oneigenlijke landbewoners"
en zo, gewraakt werd. De zware term over "kwalijke vooroordelen" laat ik nu maar even liggen; laten we zeggen omdat het geen behoorlijk Nederlands is.
Voor enig christelijk superioriteitsbesef, laat staan voor darwinisme, zie ik onder ons geen enkele grond. Darwin is dood en ons christendom heeft tot nu toe voor de wereld geen superioriteit bewezen. Bovendien zal de tijd wel leren, of het blanke ras roekomstkansen heeft.
Maar die gastarbeiders. Ze zijn er en we zitten ermee. Gekomen naar hier - niet op verzoek - om van een welvaart te genieten, die niet blijvend kon zijn. Voorzover die gastarbeiders niet genaturaliseerd zijn tot Nederlanders of geen definitieve verblijfsvergunning bezitten, zijn wij het met de geachte opponenten eens: dat zij vreemdelingen in onze poorten zijn.
Om deze reden en om geen andere noem ik hen oneigenlijke bewoners van Nederland. Zo lang de schijnwelvaart onze regering en werkgevers onvoorzichtig maakte, konden ze hier dat werk vinden, waarvoor Nederlanders zich te welvarend achtten. Nu blijkt dat het getij al lang gekeerd is, tracht de regering hen kwijt te raken, maakt jacht op hen die geen verblijfsvergunning bezitten. Jammer voor allen, die de tijdelijkheid van hun aanwezigheid uit het oog verloren - maar wel reëel, dunkt me. Ze zijn kwetsbare groepen - maar wisten dat vooruit: vreemdelingen in onze poorten.
Niet omdat de eigenlijke landbewoners superieur zijn. Van die laatste categorie maakte ik duidelijk: dat zij allerminst van vreemde smetten vrij zijn, een allegaartje vormen en geen gooi naar een superras behoeven te wagen. Ook dat is reëel, dacht ik. Dat ons land en volk onder Gods leiding een geheel eigen weg heeft gekregen, een geheel aparte historie heeft beleefd, heeft ons wel verantwoordelijkheden - maar geen superioriteit geschonken. Dat Nederland op zijn zaak lette - zei daarom Valerius.
Dat emigratie dikwijls de meest-ondernemende families van een volk afroomde is een bewezen en aanvaard feit. Maar gastarbeiders emigreerden net zo min als ik: bleven gasten. De opmerking over Turken, Marokkanen en Surinamers is dan ook een rechtlijnigheid van de geachte opponentenniet een inkonsekwentie van mij. Dat de vreemdeling in onze poorten goed wordt opgevangen is voor christenen vanzelfsprekend. Ik meen dat onze kerken zich hierin dan ook niet onbetuigd hebben gelaten. Maar vreemdelingen blijven vreemdelingen, vormen een aparte categorie en zijn oneigenlijke landbewoners. Met het risico dat zij zich aan het toezicht van de vreemdelingenpolitie onttrekken, onderduiken, zioh met ons vermengen of zich onvindbaar maken.
De Molukkers hebben hun categorie goed bewaard, hetgeen zelfs tot uitwassen leidde. Ze hielden hun eigen gemeenschappen, eigen cultuur, eigen bloed, eigen traditie, eigen idealen. Zij dragen niet bij tot wat ik diskwalificeerde.
De Surinamers, voorzover wettig aanwezig hebben eveneens recht. Ook hen heb ik uitgesloten. Maar niet de illegaal verblijf houdende Surinamer, over wie tot terugzending wordt (werd?) besloten. De vraag is of onze regering wijs deed met eerst de helft van Suriname's bevolking min of meer oogluikend toe te laten - om daarna het probleem van de illegaliteit te ontdekken. Maar de Surinaamse regering wenst hen onverwijld terug te hebben. En zal dit slagen?
De advertentie van de Stichting Herstel Kulturele Betrekkingen Nederland-Zuid-Afrika is niet door mij gesteld. Toch kan ik de bange vermoedens van de familie Goudriaan niet delen. Herstel van internationale betrekkingen, speciaal op cultureel gebied, lijkt mij een aanbevelenswaardige zaak.
Van betrekkingen met Zuid-Afrika niet minder dan met enig ander fatsoenlijk land. We lopen niet achter: weten hoe Rusland bezig is, ons van het Afrikaanse broedervolk te vervreemden, waarlijk niet in ons belang.
Over deze stof heb ik in 1979 een drietal artikelen gespuid; zonder enige tegenspraak van de familie Goudriaan te ontmoeten.
Het hangijzer: de vermenging van vreemde rassen met ons "Indo.,Germaanse ras". Ik ben allerminst een racist of nationalist en zeker geen aanhanger van een superras-theorie. Toch zal ik u mijn mening besparen.
Ik volsta met dr Martin Luther King terzake te citeren. Die stond evenmin ais een racist te boek. Hij was een nederig christen en ik heb in 1968 met vreugde vier artikelen aan hem gewijd in dit goede blad; wederom zonder tegenspraak van de fam. Goudriaan te ontmoeten.
Welnu, dr Martin Luther King, de leider der Amerikaanse negerbevolking, heeft ons over die rassenmenging geleerd: "ik wil wel de broeder van de blanke zijn - maar niet zijn zwager!"
Ik denk dat dit duidelijk is.